HvJ EU 12 september 2024, C-579/22, ECLI:EU:C:2024:731
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
12 september 2024 ( *1 )
„Hogere voorziening – Economisch en monetair beleid – Richtlijn 2013/36/EU – Toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen – Prudentieel toezicht op kredietinstellingen – Verordening (EU) nr. 1024/2013 – Aan de Europese Centrale Bank (ECB) opgedragen specifieke toezichtstaken – Intrekking van de vergunning – Omvang van de bevoegdheid van de ECB – Verordening (EU) nr. 468/2014 – Verdeling van de bevoegdheden tussen de ECB en de nationale autoriteiten – Voorkoming dat het financiële stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme – Vaststellingen van het Gerecht van de Europese Unie over het nationale recht – Onderzoek naar een eventuele onjuiste opvatting van het nationale recht”
In zaak C‑579/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 1 september 2022,
Anglo Austrian AAB AG, in liquidatie, vertegenwoordigd door O. Behrends, Rechtsanwalt,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Belegging-Maatschappij „Far-East” BV, gevestigd te Velp (Nederland), vertegenwoordigd door O. Behrends, Rechtsanwalt,
verzoekster in eerste aanleg,
Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door V. Hümpfner, R. Tutsch en E. Yoo als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, L. Bay Larsen (rapporteur), vicepresident van het Hof , P. G. Xuereb, A. Kumin en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 april 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt Anglo Austrian AAB AG, in liquidatie, om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 22 juni 2022, Anglo Austrian AAB en Belegging-Maatschappij Far-East/ECB (T‑797/19, EU:T:2022:389; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht het beroep dat rekwirante samen met Belegging-Maatschappij „Far-East” BV (hierna: „aandeelhouder”) had ingesteld heeft verworpen, welk beroep strekte tot nietigverklaring van besluit ECB-SSM-2019-AT 8 WHD-2019 0009 van de Europese Centrale Bank (ECB) van 14 november 2019, waarbij de ECB op voorstel van de Finanzmarktaufsichtsbehörde (autoriteit voor toezicht op de financiële markten, Oostenrijk; hierna: „FMA”) rekwirantes vergunning voor de toegang tot het bedrijf van een kredietinstelling heeft ingetrokken (hierna: „litigieus besluit”).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
CRD IV-richtlijn
2 Artikel 18 („Intrekking van de vergunning”) van richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB 2013, L 176, blz. 338; hierna: „CRD IV-richtlijn”), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019, bepaalt: „De bevoegde autoriteiten kunnen een vergunning die is verleend aan een kredietinstelling alleen intrekken indien deze kredietinstelling: […] f) een van de in artikel 67, lid 1, genoemde inbreuken begaat.”
3 Artikel 67 („Andere bepalingen) van die richtlijn bepaalt in lid 1: „Dit artikel is van toepassing in ten minste elk van de volgende omstandigheden: […] d) [wanneer] een instelling niet beschikt over de governanceregelingen die overeenkomstig de nationale voorschriften voor de omzetting van artikel 74 door de bevoegde autoriteiten worden geëist; […] o) [wanneer] een instelling blijkt aansprakelijk te zijn voor een ernstige inbreuk op de nationale voorschriften tot uitvoering van richtlijn 2005/60/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (PB 2005, L 309, blz. 15)]; […]”
4 Artikel 74 van deze richtlijn, met als opschrift „Interne governance en herstel- en afwikkelingsplannen”, bepaalt in lid 1 het volgende: „De instellingen beschikken over solide governanceregelingen, waaronder een duidelijke organisatiestructuur met duidelijk omschreven, transparante en samenhangende verantwoordelijkheden, effectieve procedures voor het identificeren, het beheer, de bewaking en de rapportage van de risico’s waaraan zij blootstaan of bloot kunnen komen te staan, adequate internecontrolemechanismen, zoals degelijke administratieve en boekhoudkundige procedures, en een beloningsbeleid en een beloningspraktijk die in overeenstemming zijn met en bijdragen tot een degelijk en doeltreffend risicobeheer.”
GTM-basisverordening
5 De overwegingen 28, 29 en 34 van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63; hierna: „GTM-basisverordening”) luiden als volgt: „(28) De nationale autoriteiten moeten belast blijven met de toezichttaken die niet aan de ECB worden opgedragen. Zo moeten zij de bevoegdheid behouden om kennisgevingen van kredietinstellingen met betrekking tot het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten te ontvangen, om toezicht te houden op organisaties die niet onder de definitie van kredietinstellingen in het kader van het Unierecht vallen, maar waarop toezicht wordt gehouden op basis van hun kwalificatie als kredietinstelling in het kader van nationaal recht, om toezicht te houden op kredietinstellingen uit derde landen die in de [Europese] Unie een bijkantoor vestigen of grensoverschrijdende diensten verrichten, om toezicht te houden op betalingsdiensten, om kredietinstellingen dagelijks te verifiëren, om de functie van bevoegde autoriteiten voor kredietinstellingen uit te oefenen met betrekking tot de markten voor financiële instrumenten, met betrekking tot de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, en met betrekking tot consumentenbescherming. (29) De ECB moet in voorkomend geval ten volle samenwerken met de nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor het verzekeren van een hoog niveau van consumentenbescherming en voor de bestrijding van het witwassen van geld. […] (34) Voor het vervullen van haar taken en het uitoefenen van haar toezichtbevoegdheden dient de ECB de materiële voorschriften betreffende het prudentieel toezicht op kredietinstellingen toe te passen. Die voorschriften bestaan uit het betrokken Unierecht, met name rechtstreeks toepasselijke verordeningen of richtlijnen, zoals die inzake kapitaalvereisten voor kredietinstellingen en inzake financiële conglomeraten. Als de materiële voorschriften inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen in richtlijnen zijn vastgesteld, moet de ECB de nationale wetgeving tot omzetting van deze richtlijnen toepassen. Als het betrokken Unierecht bestaat uit verordeningen en die verordeningen de lidstaten, op de dag van inwerkingtreding van onderhavige verordening, uitdrukkelijk keuzemogelijkheden toekennen, moet de ECB ook de nationale wetgeving toepassen op gebieden waar dergelijke keuzemogelijkheden worden benut. Dergelijke keuzemogelijkheden moeten zodanig begrepen worden dat zij keuzemogelijkheden die enkel voor de bevoegde of aangewezen autoriteiten beschikbaar zijn, uitsluiten. Dit laat het beginsel van voorrang van het Unierecht onverlet. Hieruit volgt dat de ECB zich bij de vaststelling van richtsnoeren of aanbevelingen of bij het nemen van besluiten moet baseren op en handelen naar het betrokken bindende Unierecht.”
6 Artikel 4 van deze verordening, met als opschrift „Aan de ECB opgedragen taken”, is als volgt verwoord: „1. Binnen het kader van artikel 6 heeft de ECB overeenkomstig lid 3 van dit artikel de exclusieve bevoegdheid om met het oog op het prudentieel toezicht ten aanzien van alle in de deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen de volgende taken uit te voeren: a) vergunningen aan kredietinstellingen verlenen en die vergunningen intrekken, volgens artikel 14; […] 3. Voor het vervullen van de haar bij deze verordening opgedragen taken en het waarborgen van hoogwaardige toezichtsnormen past de ECB alle toepasselijke Uniewetgeving toe, en wanneer het daarbij gaat om richtlijnen, de nationale wetgeving waarbij die richtlijnen zijn omgezet. Wanneer het toepasselijke Unierecht bestaat uit verordeningen die de lidstaten thans uitdrukkelijk keuzemogelijkheden toekennen, past de ECB tevens de nationale wetgeving toe wanneer door hen van die keuzemogelijkheden gebruikgemaakt wordt. […]”
7 Artikel 9 van deze verordening, met als opschrift „Toezichtbevoegdheden en onderzoeksbevoegdheden”, bepaalt in lid 1: „Met het exclusieve oogmerk om de haar bij artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 5, lid 2, opgedragen taken uit te voeren, wordt de ECB, in voorkomend geval, aangemerkt als de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit van de deelnemende lidstaten zoals vastgelegd in het toepasselijke Unierecht. Met datzelfde exclusieve oogmerk beschikt de ECB over alle in deze verordening bepaalde bevoegdheden en verplichtingen. Zij heeft ook alle bevoegdheden en verplichtingen die de bevoegde en de aangewezen autoriteiten krachtens het toepasselijke Unierecht hebben, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Met name heeft de ECB de bevoegdheden die zijn opgesomd in de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk. De ECB kan, voor zover zulks noodzakelijk is om de bij deze verordening aan haar opgedragen taken te verrichten, die nationale autoriteiten bij wijze van instructie verzoeken hun eigen bevoegdheden uit te oefenen krachtens en volgens de in de nationale wetgeving bepaalde voorwaarden, wanneer die bevoegdheden niet bij deze verordening aan de ECB zijn toegekend. Die nationale autoriteiten informeren de ECB volledig over de uitoefening van die bevoegdheden.”
8 Artikel 14 („Vergunning”) van deze verordening bepaalt in de leden 5 en 6: „5. Onder voorbehoud van lid 6 kan de ECB in de gevallen die in de toepasselijke Uniewetgeving zijn vastgesteld, op eigen initiatief, na overleg met de nationale bevoegde autoriteit van de deelnemende lidstaat waar de kredietinstelling gevestigd is, dan wel op voorstel van zo’n nationale bevoegde autoriteit, de vergunning intrekken. Bij dat overleg geeft de ECB, alvorens een besluit tot intrekking te nemen, de nationale autoriteiten voldoende tijd om te besluiten tot de vereiste herstelmaatregelen, waaronder eventuele afwikkelingsmaatregelen, en neemt zij die maatregelen in aanmerking. Indien de nationale bevoegde autoriteit die overeenkomstig lid 1 de vergunning heeft voorgesteld, van oordeel is dat die vergunning overeenkomstig de toepasselijke nationale wetgeving moet worden ingetrokken, dient zij daartoe bij de ECB een voorstel in. In dat geval neemt de ECB een besluit over het voorstel tot intrekking, terdege rekening houdend met de door de nationale bevoegde autoriteit aangevoerde motivering voor de intrekking. 6. Zolang de nationale autoriteiten bevoegd blijven voor de afwikkeling van kredietinstellingen zullen zij, wanneer zij van oordeel zijn dat door de intrekking van de vergunning de passende uitvoering van of voor de afwikkeling nodige acties of acties ter handhaving van de financiële stabiliteit in het gedrang zou komen, hun bezwaar naar behoren ter kennis van de ECB brengen en uitvoerig toelichten in welk opzicht een intrekking schadelijke gevolgen zou hebben. In die gevallen gaat de ECB niet tot intrekking over gedurende een onderling met de nationale autoriteiten overeengekomen termijn. De ECB kan ertoe besluiten die termijn te verlengen indien zij van oordeel is dat voldoende vooruitgang is gemaakt. Indien echter de ECB in een gemotiveerd besluit vaststelt dat er door de nationale autoriteiten geen deugdelijke, voor het handhaven van de financiële stabiliteit vereiste maatregelen zijn uitgevoerd, is de intrekking van de vergunning onmiddellijk van toepassing.”
GTM-kaderverordening
9 Artikel 80 van verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten [(NBA’s)] en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (PB 2014, L 141, blz. 1) heeft als opschrift „Het voorstel van een NBA tot intrekking van een vergunning” en luidt als volgt: „1. Indien de betreffende NBA overweegt dat een vergunning van een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ingetrokken zou moeten worden op grond van het relevante Unierecht of nationale wetgeving, waaronder begrepen een intrekking op verzoek van de kredietinstelling, doet zij een ontwerpbesluit toekomen aan de ECB waarin wordt voorgesteld de vergunning in te trekken (hierna een ‚ontwerpintrekkingsbesluit’), samen met alle relevante ondersteunende documentatie. 2. De NBA coördineert met de nationale voor de afwikkeling van kredietinstellingen bevoegde autoriteit (hierna de ‚nationale afwikkelingsautoriteit’) ontwerpintrekkingsbesluiten die relevant zijn voor deze nationale afwikkelingsautoriteit.”
10 Artikel 83 van deze verordening, met als opschrift „Het ECB-besluit tot intrekking van een vergunning”, luidt: „1. De ECB neemt een besluit tot intrekking van een vergunning zonder onnodige vertraging. Hierbij kan zij het betreffende ontwerpintrekkingsbesluit accepteren of verwerpen. 2. Bij het nemen van haar besluit houdt de ECB rekening met alle hierna genoemde factoren: a) haar beoordeling van de omstandigheden die intrekking rechtvaardigen; b) indien aanwezig, het ontwerpintrekkingsbesluit van de NBA; c) het overleg met de betreffende NBA en, indien de NBA niet de nationale afwikkelingsautoriteit is, de nationale afwikkelingsautoriteit (samen met de NBA: de ‚nationale autoriteiten’); d) eventuele opmerkingen van de kredietinstelling die zijn gegeven krachtens artikel 81, lid 2, en artikel 82, lid 3. 3. De ECB neemt tevens een besluit in de gevallen omschreven in artikel 84 indien de betreffende nationale afwikkelingsautoriteit geen bezwaar heeft tegen intrekking van de vergunning of indien de ECB bepaalt dat de nationale autoriteiten niet de adequate handelingen hebben uitgevoerd die noodzakelijk zijn voor het handhaven van financiële stabiliteit.”
Oostenrijks recht
11 § 39, leden 2 en 2b, van het Bundesgesetz über das Bankwesen (Bankwesengesetz) (federale wet op de banksector, BGBl. nr. 532/1993), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „BWG”), bepaalt: „2. Kredietinstellingen moeten beschikken over administratieve, boekhoudkundige en controlemechanismen voor het detecteren, evalueren, beheren en monitoren van de risico’s die voortvloeien uit bankhandelingen en -transacties, alsmede van hun vergoedingsbeleid en ‑praktijken. Deze mechanismen moeten zijn aangepast aan de aard, de omvang en de complexiteit van de verrichte banktransacties. Voor zover mogelijk moeten de bestuurlijke, boekhoudkundige en controleprocedures zich ook uitstrekken tot de risico’s die eventueel voortvloeien uit banktransacties en -handelingen, alsmede tot de mogelijke risico’s van het vergoedingsbeleid en de vergoedingspraktijken. […] (2b) In het bijzonder moeten de in lid 2 bedoelde procedures de volgende elementen omvatten: […] 11. risico’s in verband met het witwassen van geld en terrorismefinanciering, […]”
12 Uit § 70, lid 4, punt 3, BWG volgt dat wanneer een kredietinstelling inbreuk maakt op, onder meer, de bepalingen van het BWG of op de handelingen ter uitvoering daarvan, de FMA de vergunning van de kredietinstelling moet intrekken wanneer andere in het BWG vermelde maatregelen de werking van de kredietinstelling niet kunnen verzekeren.
13 § 31, lid 3, van het Bundesgesetz zur Verhinderung der Geldwäscherei und Terrorismusfinanzierung im Finanzmarkt (federale wet ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme op de financiële markten, BGBl. I, nr. 118/2016) (hierna: „FM-GwG”) bepaalt: „Indien de in § 34, leden 2 en 3, bedoelde verplichtingen niet worden nagekomen, kan de FMA: […] 2. de door de FMA verleende vergunning […] intrekken […]”.
14 De in § 34, leden 2 en 3, FM-GwG vastgelegde verplichtingen strekken tot omzetting van de bepalingen inzake bestrijding van het witwassen van geld in richtlijn 2005/60, die is ingetrokken bij en vervangen door richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB 2015, L 141, blz. 73).
Voorgeschiedenis van het geding
15 De voorgeschiedenis van het geding is door het Gerecht uiteengezet in de punten 2 tot en met 9 van het bestreden arrest en kan ten behoeve van de onderhavige procedure als volgt worden samengevat.
16 Rekwirante, een in Oostenrijk gevestigde minder belangrijke kredietinstelling in de zin van de GTM-basisverordening, oefende haar activiteiten uit op grond van een krachtens het BWG verleende vergunning. De aandeelhouder, een financiële participatiemaatschappij, bezat 99,99 % van rekwirantes aandelen.
17 Op 26 april 2019 heeft de FMA de ECB overeenkomstig artikel 80, lid 1, van de GTM-kaderverordening een ontwerpbesluit tot intrekking van de vergunning van rekwirante als kredietinstelling doen toekomen.
18 Bij brief van 14 juni 2019 heeft de ECB aan rekwirante een ontwerpbesluit tot intrekking van de vergunning toegezonden, waarover deze laatste op 23 juli 2019 een standpunt heeft ingenomen.
19 Bij het litigieuze besluit heeft de ECB de vergunning van rekwirante als kredietinstelling ingetrokken met ingang van de datum van kennisgeving van dat besluit. Op basis van de door de FMA in het kader van haar taak van prudentieel toezicht verrichte vaststellingen, waaruit bleek dat rekwirante voortdurend en herhaaldelijk tekortschoot in haar verplichtingen tot bestrijding van witwassen van geld en terrorismefinanciering alsook inzake interne governance, was de ECB in wezen van mening dat rekwirante niet in staat was om een degelijk risicobeheer te garanderen. Derhalve heeft de ECB geoordeeld dat was voldaan aan de in artikel 18, onder f), van de CRD IV-richtlijn geformuleerde en in het Oostenrijkse recht omgezette criteria voor intrekking van de vergunning van rekwirante voor toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen, aangezien deze laatste meerdere inbreuken op artikel 67, lid 1, onder d) en o), van deze richtlijn – zoals omgezet in het Oostenrijkse recht – had gepleegd, en dat deze intrekking evenredig was.
20 Voorts heeft de ECB geweigerd om de toepassing van het litigieuze besluit voor een periode van 30 dagen op te schorten, op grond dat de opmerkingen van rekwirante geen twijfels konden doen rijzen over de rechtmatigheid van dat besluit, dat het besluit geen onherstelbare schade kon veroorzaken en dat het openbare belang om de spaarders, de beleggers en de andere partners van rekwirante, alsook de stabiliteit van het financiële stelsel te beschermen de onmiddellijke toepassing van het besluit rechtvaardigde.
Beroep voor het Gerecht en bestreden arrest
21 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 november 2019, hebben rekwirante en de aandeelhouder beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.
22 Ter ondersteuning van hun beroep hebben rekwirante en de aandeelhouder vijf middelen aangevoerd, die in wezen waren ontleend aan schending van artikel 4, lid 1, onder a), en artikel 14, lid 5, van de GTM-basisverordening omdat niet was voldaan aan de criteria voor de intrekking van een vergunning (eerste middel); schending van het evenredigheidsbeginsel (tweede middel); schending van artikel 34 van de GTM-kaderverordening, gelezen in het licht van het recht op effectieve rechterlijke bescherming, als gevolg van de weigering van de ECB om de toepassing van het litigieuze besluit op te schorten (derde middel); schending van rekwirantes rechten van verdediging (vierde middel) en schending van het eigendomsrecht van de aandeelhouder (vijfde middel).
23 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
24 Met haar hogere voorziening verzoekt rekwirante het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het litigieuze besluit nietig te verklaren; – subsidiair, voor het geval het Hof zich niet in staat acht ten gronde uitspraak te doen, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en – de ECB te verwijzen in de kosten van beide procedures.
25 In zijn memorie van antwoord verzoekt de aandeelhouder het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het litigieuze besluit nietig te verklaren; – subsidiair, voor het geval het Hof zich niet in staat acht ten gronde uitspraak te doen, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en – de ECB te verwijzen in de kosten van rekwirante in het kader van de twee instanties.
26 De ECB verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirante te verwijzen in de kosten.
Verzoek om verwijzing naar de Grote kamer en heropening van de mondelinge behandeling
27 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 5 juni 2024, heeft rekwirante erom verzocht dat deze zaak aan de Grote kamer van het Hof wordt toegewezen en dat de heropening van de mondelinge behandeling wordt gelast op grond van artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
28 Ter ondersteuning van haar verzoeken stelt rekwirante in wezen dat de conclusie van de advocaat-generaal een vraag opwerpt die fundamenteel is voor het recht van de Unie, namelijk of de rechterlijke instanties van de Unie bevoegd zijn om het nationale recht toe te passen. Voorts beroept rekwirante zich op haar recht op effectieve rechterlijke bescherming.
29 Wat in de eerste plaats het verzoek betreft om de zaak toe te wijzen aan de Grote kamer van het Hof, moet er meteen op worden gewezen dat geen enkele bepaling van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie of van het Reglement voor de procesvoering voorziet in de behandeling van dit soort verzoek van een andere partij in het geding dan een lidstaat of een instelling van de Unie in het kader van een hogere voorziening (zie naar analogie arrest van 17 juli 2014, Leone, C‑173/13, EU:C:2014:2090, punt 19).
30 Krachtens artikel 60, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan de rechtsprekende formatie waarnaar de zaak is verwezen het Hof weliswaar in elke stand van het geding verzoeken om deze zaak naar een grotere formatie te verwijzen, maar dit is een maatregel waarover de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen in beginsel ambtshalve en discretionair beslist (arrest van 17 juli 2014, Leone, C‑173/13, EU:C:2014:2090, punt 20).
31 In casu is de Eerste kamer van het Hof van oordeel dat het Hof niet hoeft te worden verzocht om deze zaak naar de Grote kamer te verwijzen.
32 In de tweede plaats dient met betrekking tot het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering om te beginnen in herinnering te worden gebracht dat noch het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie noch het Reglement voor de procesvoering voorziet in de mogelijkheid dat de in artikel 23 van dat Statuut bedoelde belanghebbenden opmerkingen indienen naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal (arrest van 8 februari 2024, Pilatus Bank/ECB, C‑750/21 P, EU:C:2024:124, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Voorts neemt de advocaat-generaal op grond van artikel 252, tweede alinea, VWEU in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies aangaande zaken waarin zijn medewerking overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het gaat dus niet om een voor de rechters of de partijen bestemd advies van een autoriteit die niet tot het Hof behoort, maar om de individuele opvatting van een lid van de instelling zelf, die met redenen is omkleed en in het openbaar wordt uitgesproken. Over de conclusies van de advocaat-generaal kan door partijen dus niet worden gediscussieerd. Het Hof is bovendien niet gebonden door deze conclusies of door de motivering op grond waarvan de advocaat-generaal daartoe komt. Bijgevolg kan het feit dat een betrokken partij het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties deze laatste in die conclusie onderzoekt (arrest van 8 februari 2024, Pilatus Bank/ECB, C‑750/21 P, EU:C:2024:124, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 Het is juist dat het Hof op grond van artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering, de advocaat-generaal gehoord, te allen tijde de opening of de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit heeft aangebracht dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof.
35 In casu is het Hof echter van oordeel dat het over alle gegevens beschikt die het nodig heeft om uitspraak te doen en dat de door de rekwirante ter onderbouwing van haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling aangevoerde gegevens geen nieuwe elementen aan het licht brengen die van doorslaggevende invloed kunnen zijn op de door het Hof te geven beslissing. De in de conclusie van de advocaat-generaal behandelde vraag betreffende de uitlegging van het nationale recht door het Gerecht maakt namelijk deel uit van de grieven van rekwirante in het kader van de hogere voorziening, waarover de ECB eveneens een standpunt heeft ingenomen.
36 Het Hof ziet bijgevolg, de advocaat-generaal gehoord, geen aanleiding om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.
Hogere voorziening
37 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante, ondersteund door de aandeelhouder, zeven middelen aan, die in wezen zijn ontleend aan, wat het eerste middel betreft, onbevoegdheid van Gerecht, schending van het Unierecht en eventueel verkeerde beoordeling van de feiten; wat het tweede middel betreft, onbevoegdheid van de ECB op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld; wat het derde middel betreft, een verkeerde beoordeling van het nationale recht en het Unierecht door het Gerecht, en hoe dan ook, een onjuiste opvatting van de feiten; wat het vierde middel betreft, onjuiste rechtsopvattingen bij de uitlegging van artikel 67, onder d), van de CRD IV-richtlijn en van het nationale recht; wat het vijfde middel betreft, het verzuim om de grieven inzake de schending van het evenredigheidsbeginsel te onderzoeken; wat het zesde middel betreft, schending van de rechten van de verdediging, en wat het zevende middel betreft, meerdere procedurefouten die haar belangen schaden
Tweede middel
38 Het tweede middel van de hogere voorziening, dat als eerste moet worden onderzocht, bestaat uit vier onderdelen.
Eerste onderdeel
– Argumenten van partijen
39 Met het eerste onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat overweging 28 van de GTM-basisverordening de nationale autoriteiten, zoals de FMA, een exclusieve bevoegdheid op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld verleent, en dat de ECB op dit gebied onbevoegd is. Zij verwijt het Gerecht derhalve dat het de kwestie van de bevoegdheid van de ECB niet ambtshalve heeft onderzocht en dat het Gerecht het besluitvormingsproces inzake de intrekking van de vergunning heeft opgesplitst in twee delen, het ene deel betreffende de vaststelling van de schending van de bepalingen van de wetgeving inzake de bestrijding van het witwassen van geld en het andere deel betreffende de intrekking van de vergunning als rechtsgevolg van deze schending.
40 De aandeelhouder neemt dat betoog over. Hij preciseert met name, onder verwijzing naar een publicatie van auteurs die werkzaam zijn bij de juridische diensten van de ECB, dat de ECB zelf heeft erkend dat zij onbevoegd is.
41 De ECB betwist zowel rekwirantes betoog als dat van de aandeelhouder.
– Beoordeling door het Hof
42 Aangezien rekwirante met het eerste onderdeel van het tweede middel opkomt tegen de door het Gerecht in aanmerking genomen omschrijving van de bevoegdheden van de ECB, op basis van artikel 4, lid 1, onder a), van de GTM-basisverordening, moet worden aangenomen dat de daarin uiteengezette grieven gericht zijn tegen punt 29 van het bestreden arrest.
43 In dat verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat de bevoegdheid om de vergunning van kredietinstellingen in te trekken krachtens artikel 4, lid 1, onder a), van de GTM-basisverordening exclusief is voorbehouden aan de ECB (arrest van 7 september 2023, Versobank/ECB, C‑803/21 P, EU:C:2023:630, punt 91).
44 Bovendien kan de ECB volgens artikel 14, lid 5, van deze verordening in de gevallen die in de toepasselijke Uniewetgeving zijn vastgesteld, op eigen initiatief, na overleg met de nationale bevoegde autoriteit van de deelnemende lidstaat waar de kredietinstelling is gevestigd, dan wel op voorstel van deze autoriteit, de vergunning intrekken (arrest van 7 september 2023, Versobank/ECB, C‑803/21 P, EU:C:2023:630, punt 93).
45 Voorts komt de samenwerking tussen de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten overeenkomstig dat artikel 14, lid 5, van de GTM-basisverordening ten eerste tot uiting in de verplichting om deze autoriteiten te raadplegen ingeval de ECB de vergunning op eigen initiatief intrekt, en ten tweede in de mogelijkheid voor die autoriteiten om die intrekking aan de ECB voor te stellen (arrest van 7 september 2023, Versobank/ECB, C‑803/21 P, EU:C:2023:630, punt 95).
46 Artikel 18, onder f), van de CRD IV-richtlijn noemt als een van de gronden die de intrekking van de bankvergunning kunnen rechtvaardigen, het plegen van een van de in artikel 67, lid 1, van deze richtlijn genoemde inbreuken. In dat verband is geoordeeld dat de lidstaten weliswaar bevoegd blijven voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, zoals uitdrukkelijk is vermeld in overweging 28 van de GTM-basisverordening, maar dat de ECB de uitsluitende bevoegdheid heeft inzake de intrekking van de vergunning, voor alle kredietinstellingen, ongeacht hun belang, zelfs wanneer die intrekking zoals in het onderhavige geval gebaseerd is op de in artikel 67, lid 1, onder d) en o), van de CRD IV-richtlijn vastgelegde gronden waarnaar artikel 18 van deze richtlijn verwijst, aangezien artikel 14, lid 5, van deze verordening als voorwaarde voor de intrekking van de vergunning stelt dat er een of meerdere gronden bestaan die de intrekking op grond van artikel 18 van deze richtlijn rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 7 september 2023, Versobank/ECB, C‑803/21 P, EU:C:2023:630, punt 97).
47 Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de ECB bevoegd was om op basis van de door de FMA vastgestelde inbreuken de vergunning van rekwirante in te trekken krachtens artikel 18, onder f), en artikel 67, lid 1, onder d) en o), van de CRD IV-richtlijn.
48 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.
Tweede onderdeel
– Argumenten van partijen
49 Met het tweede onderdeel van het tweede middel verwijt rekwirante, ondersteund door de aandeelhouder, het Gerecht dat het in punt 29 van het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met het onderscheid tussen „taken” en „bevoegdheden” van de ECB en benadrukt zij dat deze instelling niet bevoegd is om de nationale wetgeving ter bestrijding van het witwassen van geld waarbij de relevante richtlijnen zijn omgezet, toe te passen.
50 Uit artikel 4, lid 3, van de GTM-basisverordening volgt volgens rekwirante dat de ECB het nationale recht ter zake slechts kan toepassen in het kader van de aan de ECB opgedragen „taken”. Aangezien deze laatste in dit verband niet over de nodige „bevoegdheden” daartoe beschikt, is haar optreden dus afhankelijk van de voorwaarde dat de nationale autoriteit extern en onder toezicht van de nationale rechterlijke instanties handelt, op basis van een instructie die de ECB haar overeenkomstig artikel 9, lid 1, derde alinea, van die verordening en artikel 22 van de GTM-kaderverordening heeft gegeven. Een andere uitlegging van artikel 4, lid 3, van de GTM-basisverordening zou volgens rekwirante tot gevolg hebben dat deze bepaling onrechtmatig wordt, aangezien een dergelijke uitlegging zou betekenen dat de toepassing van het nationale recht aan het toezicht van de nationale rechterlijke instanties wordt onttrokken.
51 De ECB bestrijdt dit betoog.
– Beoordeling door het Hof
52 Uit artikel 4, lid 3, eerste alinea, van de GTM-basisverordening volgt dat de ECB voor het vervullen van de haar bij deze verordening opgedragen taken en het waarborgen van hoogwaardige toezichtsnormen, alle relevante Uniewetgeving toepast, en wanneer het daarbij gaat om richtlijnen, de nationale wetgeving waarbij die richtlijnen zijn omgezet. Een van de taken waarnaar lid 3 van dit artikel verwijst, is de intrekking van de vergunningen van kredietinstellingen.
53 Bovendien volgt uit artikel 9, lid 1, tweede alinea, van die verordening dat de ECB, met het exclusieve oogmerk om de haar bij artikel 4, lid 1, opgedragen taken uit te voeren, beschikt over alle in deze verordening bepaalde bevoegdheden en onderworpen is aan alle in deze verordening opgelegde verplichtingen.
54 Bijgevolg beschikt de ECB over alle bevoegdheden waarin de GTM-basisverordening voorziet om met name de haar opgedragen taak tot intrekking van de vergunning van kredietinstellingen uit te voeren, zonder dat het door rekwirante aangevoerde onderscheid tussen „taken” en „bevoegdheden” in dit verband relevant is.
55 Met betrekking tot de grief dat artikel 4, lid 3, eerste alinea, van de GTM-basisverordening onrechtmatig zou zijn, voor zover deze bepaling, aldus uitgelegd, tot gevolg zou hebben dat de toepassing van het nationale recht zou worden onttrokken aan het toezicht van de nationale rechterlijke instanties, moet worden opgemerkt dat rekwirante deze grief niet heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar beroep in eerste aanleg. Op grond van artikel 127, lid 1, van het Reglement voor procesvoering, dat op grond van artikel 190, lid 1, van dat reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij het gaat om middelen die steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan pas in de loop van de behandeling is gebleken, hetgeen in casu niet is aangetoond of zelfs maar is gesteld.
56 Wat betreft het argument van rekwirante en de aandeelhouder dat de ECB slechts kan optreden indien de nationale autoriteit extern en onder toezicht van de nationale rechterlijke instanties handelt, moet worden opgemerkt dat volgens artikel 9, lid 1, derde alinea, van de GTM-basisverordening, waarnaar rekwirante verwijst, de enige hypothese waarin de ECB door middel van instructies moet verzoeken dat de bevoegde nationale autoriteiten hun bevoegdheden uitoefenen in overeenstemming met de van kracht zijnde nationale bepalingen, die is waarin die verordening de ECB juist geen dergelijke bevoegdheden verleent.
57 Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 29 van het bestreden arrest te oordelen dat de ECB krachtens artikel 4, lid 1, onder a), van de GTM-basisverordening, en onder voorbehoud van artikel 14 van deze verordening, uit hoofde van de haar bij die verordening opgedragen taken bij uitsluiting bevoegd is om vergunningen te verlenen aan de kredietinstellingen die zijn gevestigd in de lidstaten die deelnemen aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, en om de vergunningen van die instellingen in te trekken.
58 Derhalve moet het tweede onderdeel van het tweede middel gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Derde onderdeel
– Argumenten van partijen
59 Met het derde onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat de ECB op grond van artikel 18 van de GTM-basisverordening en van overweging 36 ervan enkel bevoegd is om sancties op te leggen ter uitvoering van het rechtstreeks toepasselijke Unierecht, en niet om sancties op te leggen ter uitvoering van het nationale recht dat de desbetreffende richtlijnen heeft omgezet.
60 De ECB bestrijdt dit betoog.
– Beoordeling door het Hof
61 Meteen moet worden vastgesteld dat rekwirante niet nauwkeurig aangeeft tegen welke rechtsoverwegingen van het bestreden arrest wordt opgekomen in het kader van dit derde onderdeel van het tweede middel. Volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt echter uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering dat een hogere voorziening op straffe van niet-ontvankelijkheid nauwkeurig moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (arrest van 24 maart 2022, GVN/Commissie, C‑666/20 P, EU:C:2022:225, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Vierde onderdeel
– Argumenten van partijen
63 Met het vierde onderdeel van het tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht, daarin ondersteund door de aandeelhouder, dat het in punt 29 van het bestreden arrest eraan is voorbijgegaan dat de bevoegdheid van de ECB beperkt is tot specifieke taken die verband houden met het toezicht op bancaire activiteiten in de strikte zin van het Unierecht, namelijk deposito- en kredietactiviteiten die gelijktijdig worden uitgeoefend. De overgrote meerderheid van de vergunningsplichtige activiteiten valt daarentegen niet binnen de werkingssfeer van de GTM-basisverordening en valt dus uitsluitend onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten.
64 De ECB bestrijdt dit betoog.
– Beoordeling door het Hof
65 Vastgesteld moet worden dat het betoog inzake de gestelde beperking van de bevoegdheid van de ECB, die, zoals rekwirante in het kader van het vierde onderdeel van het tweede middel stelt, door het Gerecht zou zijn miskend, pas in het stadium van de hogere voorziening is aangevoerd. Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan een partij, aangezien het toezicht van het Hof in het kader van de hogere voorziening beperkt is tot de toetsing van de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen en argumenten die voor de rechter in eerste aanleg zijn behandeld, een argument dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren. Indien rekwiranten voor het eerst voor het Hof argumenten zouden mogen aanvoeren die zij niet voor het Gerecht hebben aangevoerd, zouden zij immers bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen (arrest van 7 september 2023, Versobank/ECB, C‑803/21 P, EU:C:2023:630, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 Het vierde onderdeel van het tweede middel moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
67 Gelet op een en ander dient het tweede middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond te worden verklaard.
Eerste middel
Argumenten van partijen
68 In haar eerste middel in hogere voorziening voert rekwirante, daarin ondersteund door de aandeelhouder, onder verwijzing naar artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan dat het Gerecht zijn bevoegdheid heeft overschreden en aldus artikel 263 VWEU heeft geschonden door te beslissen over vragen betreffende de uitlegging en de toepassing van het nationale recht inzake de bestrijding van het witwassen van geld. Bovendien zou deze schending van de bevoegdheidsafbakening het Gerecht ertoe hebben gebracht een tegenstrijdige motivering te geven, aangezien het Gerecht enerzijds heeft geoordeeld dat op nationaal niveau moest worden beslist of was voldaan aan de essentiële voorwaarde voor de intrekking van de betwiste vergunning, te weten het bestaan van een voldoende ernstige en nog steeds relevante inbreuk op de bepalingen inzake de bestrijding van het witwassen van geld, maar het anderzijds deze vraag althans gedeeltelijk zelf heeft beantwoord.
69 Subsidiair stelt rekwirante dat het Gerecht het nationale recht onjuist heeft opgevat. In het bijzonder heeft het Gerecht in de punten 45 tot en met 47 van het bestreden arrest het nationale recht en het Unierecht met elkaar verward, bijvoorbeeld door beginselen van het bestuursrecht van de Unie naar analogie toe te passen om de draagwijdte van Oostenrijkse administratieve besluiten te bepalen.
70 De aandeelhouder betoogt op zijn beurt in wezen dat het Gerecht zich de bevoegdheden van de nationale rechterlijke instanties heeft toegeëigend en dat het Hof derhalve niet om een prejudiciële beslissing kan worden verzocht in het kader van de gedingen betreffende de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde zaken. Uit het arrest van 6 maart 2018, Achmea (C‑284/16, EU:C:2018:158) volgt dat een dergelijke overdracht onverenigbaar zou zijn met de bevoegdheid van het Hof zoals omschreven in artikel 267 VWEU, en bijgevolg met een essentieel onderdeel van de rechtsorde van de Unie.
71 De aandeelhouder voegt daar in wezen aan toe dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan de CRD IV-richtlijn ontleende Unierechtelijke bepalingen rechtstreeks toe te passen en door het Oostenrijkse recht tot omzetting van deze richtlijn te vervangen door de rechtstreeks toepasselijke rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie.
72 De ECB betoogt dat dit middel in zijn geheel niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond is.
Beoordeling door het Hof
73 Aangezien de ECB, zoals blijkt uit artikel 4, lid 3, eerste alinea, van de GTM-basisverordening, voor de vervulling van de haar bij deze verordening opgedragen taken alle toepasselijke Uniewetgeving toepast, en wanneer het daarbij gaat om richtlijnen, de nationale wetgeving waarbij die richtlijnen zijn omgezet, kan rekwirante niet met succes de bevoegdheid van het Gerecht dienaangaande in twijfel trekken (zie in die zin arrest van 7 september 2023, Versobank/ECB, C‑803/21 P, EU:C:2023:630, punten 138‑142).
74 Bovendien toont rekwirante niet aan dat de motivering van het bestreden arrest tegenstrijdig is, aangezien zij niet aangeeft in welke punten van het arrest het Gerecht de haar verweten inbreuken op de bepalingen inzake bestrijding van het witwassen van geld heeft vastgesteld.
75 Wat het subsidiaire argument van rekwirante inzake een onjuiste toepassing van het nationale recht betreft, moet worden vastgesteld dat rekwirante, zoals de advocaat-generaal in punt 73 van haar conclusie heeft opgemerkt, niet verduidelijkt in welk opzicht de door het Gerecht toegepaste beginselen afwijken van de Oostenrijkse bestuurlijke regels, in het bijzonder in welk opzicht de toepassing van het nationale recht andere gevolgen zou teweegbrengen dan de door het Gerecht genoemde gevolgen, en dus welke fouten het Gerecht dienaangaande heeft begaan.
76 Wat het door de aandeelhouder aangevoerde arrest van 6 maart 2018, Achmea (C‑284/16, EU:C:2018:158), betreft, moet worden opgemerkt dat het Hof in dat arrest heeft geoordeeld dat scheidsgerechten ad hoc onvoldoende banden hebben met de rechterlijke stelsels van de lidstaten en derhalve niet bevoegd zijn om het Hof krachtens artikel 267 VWEU om een prejudiciële beslissing te verzoeken. Dit arrest is dus in het kader van de onderhavige zaak niet relevant.
77 Met betrekking tot het betoog van de aandeelhouder dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan de CRD IV-richtlijn ontleende Unierechtelijke bepalingen rechtstreeks toe te passen en door het Oostenrijkse recht tot omzetting van deze richtlijn te vervangen door de rechtstreeks toepasselijke rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie, volstaat het erop te wijzen dat rekwirante in strijd met de in de rechtspraak in punt 61 van het onderhavige arrest geformuleerde voorwaarden, niet nauwkeurig aangeeft tegen welke punten van het bestreden arrest dit betoog is gericht. Dit betoog moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
78 Derhalve moet het eerste middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.
Derde middel
Eerste onderdeel
– Argumenten van partijen
79 Met het eerste onderdeel van het derde middel betoogt rekwirante, daarin ondersteund door de aandeelhouder, dat het Gerecht § 31, lid 3, punt 2, FM-GwG onjuist heeft uitgelegd en toegepast, doordat het in punt 44 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat niet hoefde te worden gewacht tot de relevante nationale besluiten definitief werden, alvorens te constateren dat was voldaan aan de voorwaarden voor de intrekking van een vergunning.
80 Voorts verwijt rekwirante het Gerecht dat het een radicale uitlegging van het nationale recht heeft gegeven, aangezien het er geen probleem in zag dat twee afzonderlijke besluiten betrekking hebben op dezelfde inbreuk, namelijk een nationaal besluit dat de inbreuk vaststelt en een ander besluit van de ECB dat deze inbreuk bestraft met intrekking van de vergunning. De intrekking van de vergunning kan immers slechts het resultaat zijn van één enkel besluit, dat door de FMA moet worden vastgesteld.
81 Bovendien betoogt rekwirante, daarin ondersteund door de aandeelhouder, dat het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest een fout heeft begaan door een onjuiste uitlegging te geven van § 70, lid 4, BWG, dat bij § 31, lid 3, punt 2, FM-GwG uitdrukkelijk van toepassing wordt verklaard.
82 De ECB betwist dit betoog in zijn geheel.
– Beoordeling door het Hof
83 Wat betreft de grief dat het Gerecht in punt 44 van het bestreden arrest § 31, lid 3, punt 2, FM-GwG onjuist heeft uitgelegd en toegepast, moet worden opgemerkt dat dit berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. In dat punt heeft het Gerecht namelijk enkel geantwoord op rekwirantes argument dat de kredietinstelling in een recente rechterlijke beslissing met gezag van gewijsde aansprakelijk moet zijn gesteld voor een inbreuk. In deze context heeft het Gerecht geoordeeld dat in het geval waarin de vaststelling en de bestraffing van de schending van de betrokken bepalingen tot de bevoegdheid van een bestuursorgaan behoren, aanvaarding van rekwirantes stelling erop neer zou komen dat de toepassing van § 31, lid 3, punt 2, en § 34, leden 2 en 3, FM-GwG ervan afhankelijk wordt gesteld of de betrokken kredietinstelling ervoor opteert om al dan niet beroep in te stellen tegen de besluiten van dat bestuursorgaan. Rekwirantes grief moet dus ongegrond worden verklaard.
84 Wat het verwijt tegen punt 61 van het bestreden arrest betreft, dat het Gerecht zich in strijd met § 70, lid 4, BWG op eerdere inbreuken heeft gebaseerd en heeft geoordeeld dat niet hoefde te worden aangetoond dat een nieuwe inbreuk is gepleegd, terwijl krachtens deze bepaling op elk niveau van behandeling een inbreuk moet worden vastgesteld, moet worden onderzocht of het Gerecht deze bepaling van nationaal recht onjuist heeft opgevat.
85 Het is immers vaste rechtspraak dat het Hof, wat de uitlegging van het nationale recht door het Gerecht betreft, in hogere voorziening enkel bevoegd is om te onderzoeken of dit recht onjuist is opgevat, hetgeen duidelijk moet blijken uit de stukken van het dossier (arrest van 15 september 2022, PNB Banka/ECB, C‑326/21 P, EU:C:2022:693, punt 71).
86 Aangaande in het bijzonder het onderzoek, in het kader van een hogere voorziening, van de vaststellingen van het Gerecht met betrekking tot de nationale wetgeving, zij opgemerkt dat het Hof bevoegd is om te onderzoeken, ten eerste of het Gerecht – op basis van de hem overgelegde documenten en andere stukken – de formulering van de betrokken nationale bepalingen, van de nationale rechtspraak daarover of van de werken van de rechtsleer ter zake, niet onjuist heeft voorgesteld, ten tweede of het Gerecht gelet op deze gegevens geen vaststellingen heeft verricht die duidelijk in strijd zijn met de inhoud ervan, en ten slotte of het Gerecht bij het onderzoek van alle gegevens voor de vaststelling van de inhoud van de betrokken nationale wetgeving niet aan één gegeven een belang heeft toegekend dat het niet heeft ten opzichte van de andere gegevens, voor zover dit duidelijk blijkt uit de stukken in het dossier (arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM, C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punt 53).
87 Rekwirante en de aandeelhouder betogen weliswaar dat het Gerecht § 70, lid 4, BWG onjuist heeft uitgelegd, maar zij tonen niet aan in welk opzicht deze bepaling onjuist zou zijn opgevat.
88 Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in punt 61 van het bestreden arrest te oordelen dat het door rekwirante verdedigde standpunt dat bepaalde vastgestelde tekortkomingen waren verholpen en dat deze de intrekking van de vergunning niet meer konden rechtvaardigen, afbreuk zou doen aan het doel van de bescherming van het Europese bankwezen, aangezien kredietinstellingen die ernstige inbreuken hebben gepleegd, op grond daarvan hun activiteiten zouden kunnen voortzetten zolang de bevoegde autoriteiten niet opnieuw aantonen dat zij nieuwe inbreuken hebben gepleegd.
89 Het eerste onderdeel van het derde middel moet dus ongegrond worden verklaard.
Tweede onderdeel
– Argumenten van partijen
90 Met het tweede onderdeel van het derde middel verwijt rekwirante, ondersteund door de aandeelhouder, het Gerecht dat het bij zijn beoordeling van de nationale besluiten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
91 In dit verband heeft het Gerecht volgens rekwirante geoordeeld dat het noodzakelijk is dat op nationaal niveau een besluit wordt vastgesteld dat de onrechtmatige niet-nakoming constateert en dat aan rechterlijk toezicht is onderworpen, zonder evenwel melding te maken van een dergelijk besluit, dat hoe dan ook niet bestaat in het Oostenrijkse recht.
92 De elf in punt 26 van het bestreden arrest genoemde maatregelen kunnen volgens rekwirante niet dienen als grondslag voor de intrekking van de vergunning, omdat ofwel, wat sommige ervan betreft, zij niet bindend zijn of voorlopig zijn en niet door de rechter kunnen worden getoetst, ofwel, wat andere ervan betreft, er reeds een besluit door een nationale bestuursrechter is genomen, hetgeen eraan in de weg staat dat een strengere maatregel wordt genomen dan die waarin dit besluit voorziet.
93 De ECB bestrijdt dit betoog.
– Beoordeling door het Hof
94 Rekwirante verwijt het Gerecht dat het heeft geoordeeld dat het noodzakelijk is dat er op nationaal niveau een besluit wordt vastgesteld dat de onrechtmatige niet-nakoming constateert en dat aan rechterlijk toezicht is onderworpen. Onder verwijzing naar punt 26 van het bestreden arrest merkt zij op dat de in dat punt weergegeven handelingen niet de aard van een besluit hadden. Het Gerecht heeft zich echter ertoe beperkt die handelingen te vermelden zoals zij door de ECB ter ondersteuning van haar conclusies zijn aangehaald, zonder de aard ervan te beoordelen. Daarmee heeft rekwirante niet aangegeven van welke onjuiste rechtsopvatting het Gerecht dienaangaande blijk zou hebben gegeven.
95 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het derde middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Derde onderdeel
– Argumenten van partijen
96 Met het derde onderdeel van het derde middel verwijt rekwirante het Gerecht in wezen dat het in punt 46 van het bestreden arrest uit de rechtspraak inzake handelingen van organen van de Unie heeft afgeleid dat de besluiten die niet binnen de gestelde termijn door de adressaten ervan worden betwist, definitief worden ten aanzien van laatstgenoemden, en dat het in punt 47 van dat arrest heeft geoordeeld dat deze rechtspraak naar analogie van toepassing is op besluiten van nationale administratieve instanties.
97 Volgens de ECB moet dit onderdeel worden afgewezen.
– Beoordeling door het Hof
98 In punt 46 van het bestreden arrest heeft het Gerecht herinnerd aan zijn rechtspraak volgens welke de schuld van iemand die van een strafbaar feit wordt beschuldigd als definitief vaststaand kan worden beschouwd wanneer het besluit waarbij die inbreuk wordt vastgesteld onherroepelijk is geworden. Zoals de advocaat-generaal in punt 100 van haar conclusie heeft opgemerkt, toont rekwirante niet aan in welk opzicht dit beginsel in strijd zou zijn met het toepasselijke Oostenrijkse recht.
99 Het derde onderdeel van het derde middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.
Vierde onderdeel
– Argumenten van partijen
100 Met het vierde onderdeel van het derde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht in de punten 149 en 150 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door aan Oostenrijkse administratieve besluiten een aantal gevolgen te verbinden waarin noch het Oostenrijkse recht noch het Unierecht voorziet. Rekwirante verwijst naar de volgende vermeende gevolgen: de in de motivering genoemde gebreken zijn onomstotelijk vastgesteld; de overwegingen in de motivering stellen onomstotelijk vast dat de gestelde gebreken ook voldoende ernstig zijn om de daaropvolgende intrekking van de vergunning te rechtvaardigen, hoewel zij, integendeel, hoogstens een minder rigoureus rechtsgevolg toepassen; vooraf is definitief vastgesteld dat de gestelde inbreuken relevant zijn voor de doelen van een daaropvolgende intrekking van de vergunning, en bewijs van het tegendeel, bedoeld om aan te tonen dat de inbreuken niet hebben plaatsgevonden, is uitgesloten.
101 De ECB bestrijdt dit betoog.
– Beoordeling door het Hof
102 Meteen moet worden vastgesteld dat het vierde onderdeel van het derde middel, dat uitdrukkelijk enkel is gericht tegen de punten 149 en 150 van het bestreden arrest, niet wordt gestaafd door een omstandig betoog betreffende alle in het kader van dit onderdeel aangevoerde punten.
103 Voor zover rekwirante onder verwijzing naar die punten 149 en 150 van het bestreden arrest aanvoert dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan de nationale besluiten de werking toe te schrijven dat het tegenbewijs is uitgesloten, moet worden geoordeeld, zoals ook de ECB heeft betoogd, dat een dergelijke grief voortvloeit uit een onjuiste opvatting van het bestreden arrest.
104 In die punten heeft het Gerecht in het kader van zijn beoordeling van de bewijzen namelijk vastgesteld dat interne auditverslagen van een bank geen voldoende tegenbewijs kunnen vormen om de vaststellingen in definitief geworden nationale administratieve besluiten ter discussie te stellen.
105 Ook in zoverre heeft rekwirante niet gesteld of aangetoond dat de beoordeling van het bewijs door het Gerecht op een onjuiste opvatting berustte.
106 Bijgevolg moet het vierde onderdeel van het derde middel ongegrond worden verklaard.
Vijfde onderdeel
– Argumenten van partijen
107 Met het vijfde onderdeel van het derde middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het geen rekening heeft gehouden met het vereiste dat er sprake is van specifieke inbreuken in de zin van § 31, lid 3, punt 2, FM-GwG, noch met het vereiste dat deze inbreuken onrechtmatig zijn. Uit louter vaststellingen dat er tekortkomingen bestaan en dat verzocht wordt deze te verhelpen, kan volgens rekwirante namelijk niet worden opgemaakt of deze tekortkomingen zijn voorafgegaan door onrechtmatige niet-nakomingen.
108 Voorts stelt rekwirante dat haar weliswaar is verzocht om de situatie te verhelpen op straffe van oplegging van geldboeten, maar dat deze geldboeten niet zijn opgelegd. Dit toont aan dat in het licht van de op nationaal niveau gevoerde procedures geen andere sancties, zoals de intrekking van de erkenning, behoefden te worden opgelegd.
109 De ECB bestrijdt dit betoog.
– Beoordeling door het Hof
110 Vastgesteld moet worden dat in het kader van het vijfde onderdeel van het derde middel uit de door rekwirante aangevoerde grieven niet kan worden opgemaakt welke overwegingen van het bestreden arrest zij betwist. Hieruit volgt dat dit onderdeel, gelet op de in punt 61 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Zesde onderdeel
– Argumenten van partijen
111 Met het zesde onderdeel van het derde middel verwijt rekwirante, ondersteund door de aandeelhouder, het Gerecht dat het geen rekening heeft gehouden met besluiten die de situatie globaal beoordelen. In het bijzonder had het Gerecht alle administratieve en gerechtelijke beslissingen op nationaal niveau in aanmerking moeten nemen en de inhoud ervan moeten beoordelen. Tot die beslissingen behoren met name de uitspraken waarbij het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) meerdere malen de poging van de FMA om rekwirantes directie gedeeltelijk te vervangen, heeft afgekeurd. De vaststelling door deze rechter dat dergelijke pogingen onrechtmatig waren, impliceert dat een strengere maatregel, in casu de intrekking van de vergunning, die op dezelfde grondslag wordt gerechtvaardigd, eveneens onrechtmatig is. De door het Gerecht genoemde beslissingen hebben daarentegen betrekking op zeer specifieke en oude onderwerpen.
112 De ECB stelt dat dit onderdeel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
– Beoordeling door het Hof
113 Meteen moet worden opgemerkt dat rekwirante niet aangeeft tegen welke punten van de motivering van het bestreden arrest zij met haar grieven wil opkomen. Evenmin kan aan de hand van het betoog van rekwirante en de aandeelhouder worden vastgesteld wat precies de aan het Gerecht verweten onjuiste rechtsopvatting is.
114 Voor zover rekwirante en de aandeelhouder met dit onderdeel het Hof verzoeken vast te stellen dat het Gerecht niet het belang dat zij aan bepaalde feiten toekennen heeft erkend, verzoeken zij het Hof bovendien in werkelijkheid om deze feiten in hogere voorziening opnieuw te beoordelen, zonder aan te voeren dat de bewijzen onjuist zijn opgevat. Het Hof is evenwel niet bevoegd om de feiten vast te stellen of om de bewijzen te onderzoeken, behalve wanneer rekwirante stelt dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat en dat deze onjuiste opvatting duidelijk uit de processtukken blijkt (zie in die zin arrest van 2 september 2010, Commissie/Deutsche Post, C‑399/08 P, EU:C:2010:481, punten 63 en 64). Bovendien moet de partij die zich op een onjuiste opvatting beroept, nauwkeurig vermelden welk bewijsmateriaal het Gerecht onjuist heeft opgevat en aantonen welke fouten in de analyse het Gerecht tot die onjuiste opvatting hebben gebracht (zie in die zin arrest van 10 november 2022, Commissie/Valencia Club de Fútbol, C‑211/20 P, EU:C:2022:862, punt 55).
115 In die omstandigheden is het zesde onderdeel van het derde middel in zijn geheel ongegrond.
Zevende onderdeel
– Argumenten van partijen
116 Met het zevende onderdeel van het derde middel betoogt rekwirante om te beginnen dat het Gerecht eraan voorbij is gegaan dat artikel 67, lid 1, onder o), van de CRD IV-richtlijn veronderstelt dat ernstige inbreuken zijn gepleegd. Ook § 31, lid 3, punt 2, FM-GwG moet volgens rekwirante in die zin worden uitgelegd. Er is volgens rekwirante echter geen dergelijke ernstige inbreuk gepleegd.
117 Vervolgens betoogt rekwirante dat het Gerecht de rechtspraak die het zelf heeft aangehaald in punt 49 van het bestreden arrest, te weten het arrest van het Hof van 16 februari 2012, Costa en Cifone (C‑72/10 en C‑77/10, EU:C:2012:80, punt 81), onjuist heeft uitgelegd door te oordelen dat aan de banken strengere eisen moeten worden gesteld voor de naleving van de wetgeving inzake de bestrijding van witwassen van geld, dan de eisen die worden gesteld aan exploitanten van kansspelen. De beoordeling van het Gerecht komt er volgens rekwirante immers op neer dat de organisatie van kansspelen belangrijker is dan het beheer van een bank.
118 Ten slotte stelt rekwirante dat er geen enkele reden is om het Oostenrijkse materiële recht uit te leggen in het licht van het Unierecht.
119 De ECB antwoordt hierop dat dit onderdeel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond is.
– Beoordeling door het Hof
120 Wat om te beginnen rekwirantes grief betreft dat het Gerecht artikel 67, lid 1, onder o), van de CRD IV-richtlijn heeft geschonden, moet worden opgemerkt dat rekwirante nalaat de relevante passages van het bestreden arrest aan te duiden en haar grief te motiveren. Hoe dan ook verzoekt rekwirante het Hof de feiten opnieuw te beoordelen, terwijl – behoudens het geval waarin een rekwirant zich beroept op een onjuiste opvatting van de feiten, hetgeen in casu niet het geval is – argumenten die betrekking hebben op de door haar aangevoerde feiten niet-ontvankelijk moeten worden verklaard (zie in die zin arrest van 2 februari 2023, Spanje e.a./Commissie, C‑649/20 P, C‑658/20 P en C‑662/20 P, EU:C:2023:60, punt 98).
121 Vervolgens is het betoog van rekwirante dat de beoordeling van het Gerecht in punt 49 van het bestreden arrest erop neerkomt dat de organisatie van kansspelen belangrijker wordt geacht dan het beheer van een bank, te onnauwkeurig om het Hof in staat te stellen te begrijpen waarin de onjuiste rechtsopvatting bestaat waarvan het Gerecht volgens rekwirante op dit punt blijk heeft gegeven. Hieruit volgt dat dit betoog eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
122 Voor zover rekwirante stelt dat er geen reden is om het Oostenrijkse materiële recht uit te leggen in het licht van het Unierecht, kan ten slotte ook hieruit rekwirantes betoog niet worden opgemaakt waarin de onjuiste rechtsopvatting bestaat waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven.
123 Bijgevolg moet het zevende onderdeel van het derde middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Achtste onderdeel
– Argumenten van partijen
124 Met het achtste onderdeel van het derde middel verwijt rekwirante, ondersteund door de aandeelhouder, het Gerecht onder verwijzing naar punt 158 van het bestreden arrest dat het middel dat de toepasselijkheid van § 70, lid 4, BWG niet in aanmerking is genomen, ontoereikend is onderzocht.
125 Het Gerecht is eraan voorbijgegaan dat zelfs in geval van een voldoende ernstige niet-nakoming moet zijn voldaan aan de voorwaarden van deze nationale bepaling, waaronder de verplichting om op de datum van het besluit en in elk van de drie voorgeschreven behandelingsniveaus een specifieke niet-nakoming vast te stellen. In dit verband wijst rekwirante erop dat deze bepaling op het eerste niveau van behandeling uitdrukkelijk vereist dat wordt gelast de situatie te verhelpen op straffe van een geldboete (een maatregel die in casu niet zou zijn genomen), op het tweede niveau dat de vervanging van het management wordt gelast, en op het derde niveau, op voorwaarde dat de andere maatregelen vruchteloos zijn, dat de intrekking van de vergunning wordt gelast.
126 Het Gerecht heeft in de punten 61 en 62 van het bestreden arrest echter een andere benadering gevolgd dan die welke voortvloeit uit § 70, lid 4, BWG, aangezien het zich voor de motivering van het litigieuze besluit heeft gebaseerd op eerdere inbreuken waarvoor geen intrekking van de vergunning noodzakelijk was.
127 Voorts betoogt rekwirante, ondersteund door de aandeelhouder, dat het Gerecht zich het recht heeft toegeëigend om door middel van een juridische creatie een „fundamentele wijziging van het Oostenrijkse recht” te realiseren, hetgeen in strijd is met de eerbiediging van de rechtsstaat. De GTM-basisverordening machtigt het Gerecht namelijk niet om de nationale wetgeving inzake prudentieel toezicht te wijzigen, omdat anders artikel 127, lid 6, VWEU zou worden geschonden.
128 De ECB betoogt dat dit onderdeel van het derde middel niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond is.
– Beoordeling door het Hof
129 Zoals de advocaat-generaal in de punten 122 tot en met 125 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet worden vastgesteld dat het Hof in het kader van het achtste onderdeel van het derde middel wordt verzocht om de feitelijke vaststellingen opnieuw te beoordelen, met name wat betreft de beoordeling van de maatregelen die rekwirante heeft genomen tot herstel van de tekortkomingen en van de verschillende door de FMA genomen besluiten in het kader van haar toezichttaken.
130 Aangezien geen onjuiste opvatting van de feiten wordt aangevoerd, zijn deze argumenten dus niet-ontvankelijk.
131 Wat de andere argumenten betreft die rekwirante in het kader van dit achtste onderdeel van het derde middel aanvoert, geeft zij niet aan om welke punten van het bestreden arrest het gaat en preciseert zij evenmin de aard van de gestelde fout van het Gerecht, afgezien van een algemene verwijzing naar overwegingen van juridisch beleid en naar de rechtsstaat.
132 Bijgevolg moet het achtste onderdeel van het derde middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Negende onderdeel
– Argumenten van partijen
133 Rekwirante verwijt het Gerecht dat het in de punten 105 en volgende van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn beoordeling van de verhouding tussen § 31, lid 3, punt 2, FM-GwG en § 70, lid 4, BWG. Rekwirante voert in het bijzonder aan dat de ECB haar besluit heeft gebaseerd op § 70, lid 4, BWG, terwijl de bevoegdheid om sancties op te leggen wegens activiteiten die strijdig zijn met de regels inzake de bestrijding van witwassen van geld en terrorismefinanciering, enkel wordt geregeld in het FM-GwG, waarnaar § 70, lid 4, BWG niet verwijst.
134 In dit verband betoogt rekwirante dat het feit dat het BWG marginaal ingaat op kwesties die onder de wetgeving inzake de bestrijding van het witwassen van geld vallen, irrelevant is, hetgeen het Gerecht in punt 106 van het bestreden arrest buiten beschouwing zou hebben gelaten. Bovendien is de verwijzing in dat punt 106 naar § 39, leden 2 en 2b, BWG volgens rekwirante niet ter zake dienend, aangezien deze bepaling niets afdoet aan het feit dat § 70, lid 4, BWG geen melding maakt van het FM-GwG.
135 Rekwirante voegt hieraan toe dat het Gerecht in het bestreden arrest het litigieuze besluit aldus heeft uitgelegd dat het is gebaseerd op vermeende inbreuken uit het verleden in de zin van § 31, lid 3, punt 2, FM-GwG, en niet op de actuele inbreuken op de voorwaarden voor de verlening van de vergunning. Zij wijst erop dat zij deze fout slechts volledigheidshalve aan de orde stelt.
136 De ECB is van mening dat dit onderdeel ongegrond moet worden verklaard.
– Beoordeling door het Hof
137 Wat rekwirantes betoog betreft inzake de beweerdelijk onjuiste rechtsgrondslag waarop het litigieuze besluit gebaseerd is, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 105 tot en met 107 van het bestreden arrest in wezen heeft vastgesteld dat niet kan worden geoordeeld dat § 31, lid 3, punt 2, juncto § 34, leden 2 en 3, FM-GwG de enige regels zijn op grond waarvan de vergunning wegens inbreuken op de Oostenrijkse wettelijke regeling ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme kan worden ingetrokken. Het heeft in dit verband opgemerkt dat § 39, leden 2 en 2b, BWG uitdrukkelijk verwijst naar het risico van witwassen van geld en financiering van terrorisme en dat uit § 70, lid 4, van deze wet blijkt dat inbreuken op het BWG intrekking van de vergunning kunnen rechtvaardigen.
138 In punt 108 van het bestreden arrest, dat in het kader van de onderhavige hogere voorziening niet wordt betwist, heeft het Gerecht eraan herinnerd dat zelfs indien de ECB zich op een onjuiste rechtsgrondslag zou hebben gebaseerd, de nietigverklaring van een administratief besluit wegens onjuiste rechtsgrondslag, niet gerechtvaardigd is wanneer een dergelijke fout geen beslissende invloed heeft gehad op de beoordeling door de overheidsinstantie.
139 Bovendien heeft rekwirante, zoals blijkt uit punt 109 van het bestreden arrest, dat evenmin het voorwerp van de onderhavige hogere voorziening vormt, voor het Gerecht niet aangevoerd dat de keuze van een andere rechtsgrondslag van invloed had kunnen zijn op de beoordeling van de ECB.
140 De punten 108 en 109 van het bestreden arrest volstaan dus ter rechtvaardiging van de conclusie waartoe het Gerecht is gekomen, zelfs indien de ECB zich op een onjuiste rechtsgrondslag zou hebben gebaseerd.
141 Bijgevolg zijn rekwirantes grieven betreffende de punten 105 tot en met 107 van het bestreden arrest niet ter zake dienend, aangezien de eventuele aanvaarding ervan door het Hof niet tot vernietiging van dat arrest zou leiden.
142 In die omstandigheden is het negende onderdeel van het derde middel niet ter zake dienend.
143 Hieruit volgt dat het derde middel in zijn geheel ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond moet worden verklaard.
Vierde middel
Eerste onderdeel
– Argumenten van partijen
144 Met het eerste onderdeel van het vierde middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het in de punten 132 en volgende van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat inbreuken die drie of vijf jaar vóór de vaststelling van het litigieuze besluit zijn begaan en die inmiddels zijn hersteld, volstonden om dat besluit te rechtvaardigen.
145 Het Gerecht had volgens rekwirante geen rekening mogen houden met bepaalde inbreuken, zoals de inbreuken met betrekking tot het houden, controleren en neerleggen van de rekeningen, en met betrekking tot governance, risicobeheer, het systeem van interne en contractuele documentatie alsmede het beheer van de kredietdossiers.
146 Volgens de ECB is dit onderdeel niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
147 Volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is enerzijds om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en anderzijds om die feiten te beoordelen. Een beoordeling van de feiten levert bijgevolg – behalve in het geval van een verkeerde opvatting van de aan het Gerecht voorgelegde bewijselementen – geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (arrest van 25 april 2024, NS/Parlement, C‑218/23 P, EU:C:2024:358, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
148 Voor zover rekwirante in casu feitelijke beoordelingen van het Gerecht betwist en een nieuwe beoordeling van de feiten door het Hof beoogt te verkrijgen, zonder evenwel aan te voeren dat het Gerecht deze feiten onjuist heeft opgevat, moet dit onderdeel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Tweede onderdeel
– Argumenten van partijen
149 Met het tweede onderdeel van het vierde middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het in de punten 138 en 139 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de schendingen niet ernstig hoeven te zijn om de intrekking van de vergunning te rechtvaardigen. Een dergelijke vaststelling zou in strijd zijn met de aard van een dergelijke maatregel en met het evenredigheidsbeginsel.
150 De ECB wijst rekwirantes argumenten van de hand.
– Beoordeling door het Hof
151 Anders dan rekwirante stelt, moet worden opgemerkt dat artikel 67, lid 1, onder d), van de CRD IV-richtlijn, waarnaar wordt verwezen in artikel 18, onder f), van deze richtlijn, betreffende de intrekking van een vergunning, en dat is genoemd in de punten 138 en 139 van het bestreden arrest, bepaalt dat dit artikel 67 van toepassing is in ten minste elk van de daarin vermelde omstandigheden, zoals die waarin een instelling niet beschikt over de governanceregelingen die overeenkomstig de nationale voorschriften voor de omzetting van artikel 74 van deze richtlijn door de bevoegde autoriteiten worden geëist. Hieruit volgt dat dit artikel 67 niet specifiek vermeldt dat er „ernstige” inbreuken moeten zijn gepleegd.
152 Bijgevolg kan het Gerecht niet worden verweten dat het heeft geoordeeld dat de ECB geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat rekwirante inbreuk had gepleegd op de ter omzetting van artikel 74 van deze richtlijn vastgestelde bepalingen van het BWG zonder aan te tonen dat deze inbreuken ernstig, flagrant of systemisch waren.
153 Bovendien zijn de vaststellingen van het Gerecht in de punten 138 en 139 van het bestreden arrest niet in strijd met de aard van een maatregel tot intrekking van de vergunning, noch met het evenredigheidsbeginsel. Noch artikel 67, lid 1, onder d), van de CRD IV-richtlijn, waarnaar artikel 18, onder f), van deze richtlijn verwijst, noch het evenredigheidsbeginsel verzet zich er immers tegen dat een groot aantal herhaalde inbreuken op de regels inzake regelmatige corporate governance er in beginsel toe kan leiden dat de intrekking van de vergunning als een passende maatregel wordt beschouwd.
154 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het vierde middel ongegrond worden verklaard.
Derde onderdeel
– Argumenten van partijen
155 Met het derde onderdeel van het vierde middel stelt rekwirante dat het Gerecht in de punten 140 en volgende van het bestreden arrest de rechtspraak heeft geschonden die voortvloeit uit het arrest van 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest (C‑219/17, EU:C:2018:1023), door te weigeren het argument te onderzoeken dat rekwirantes interne audit toereikend was, op grond dat de FMA in het verleden had vastgesteld dat dit niet het geval was en dat de besluiten van de FMA definitief waren geworden.
156 De ECB wijst rekwirantes argumenten van de hand.
– Beoordeling door het Hof
157 Opgemerkt zij dat het Hof in punt 59 van het arrest van 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest (C‑219/17, EU:C:2018:1023), heeft geoordeeld dat artikel 263 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de nationale rechterlijke instanties de wettigheid toetsen van inleidende handelingen, onderzoekshandelingen en niet-bindende ontwerpbesluiten die de nationale bevoegde autoriteiten hebben vastgesteld in het kader van de procedure van de artikelen 22 en 23 van de CRD IV-richtlijn, artikel 4, lid 1, onder c), en artikel 15 van de GTM-basisverordening en de artikelen 85 tot en met 87 van de GTM-kaderverordening.
158 Aangezien de besluiten waarbij de FMA heeft vastgesteld dat het mechanisme van interne audit van rekwirante niet passend was, geen dergelijke inleidende handelingen of onderzoekshandelingen met het oog op de intrekking van de vergunning vormen, en het Gerecht in de punten 145 en 146 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat het besluit van de FMA over het verzuim van rekwirante om de vereiste governanceregeling in te stellen, definitief was, is de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest (C‑219/17, EU:C:2018:1023), irrelevant.
159 Hieruit volgt dat het derde onderdeel van het vierde middel ongegrond moet worden verklaard.
Vierde onderdeel
– Argumenten van partijen
160 Met het vierde onderdeel van het vierde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht de in punt 122 van het bestreden arrest opgesomde documenten onjuist heeft beoordeeld met betrekking tot de juridische aard, de aanvechtbaarheid of het eventuele definitieve karakter van de daarin opgesomde maatregelen, en de drie niveaus van gevolgen die in § 70, lid 4, BWG zijn voorgeschreven niet heeft onderzocht. Aldus heeft het bij de beoordeling van de daarin bedoelde maatregelen dezelfde fouten gemaakt als die welke kleven aan punt 26 van het bestreden arrest met betrekking tot de aldaar bedoelde maatregelen.
161 De aandeelhouder betoogt ook dat geen van de in punt 122 van het bestreden arrest genoemde maatregelen een intrekking van de vergunning kon rechtvaardigen.
162 De ECB betoogt dat deze redenering niet kan slagen.
– Beoordeling door het Hof
163 Meteen moet worden opgemerkt dat het Gerecht zich in punt 122 van het bestreden arrest heeft beperkt tot een opsomming van de verschillende formele bevelen van de FMA aan rekwirante waarop de ECB zich heeft gebaseerd om schending van de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 74 van de CRD IV-richtlijn vast te stellen, zonder dat het dienaangaande een beoordeling heeft verricht. Hetzelfde geldt voor de in punt 26 van dat arrest bedoelde handelingen.
164 Bijgevolg moet het vierde onderdeel van het vierde middel ongegrond worden verklaard.
165 Het vierde middel moet dus in zijn geheel worden afgewezen omdat het gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond is.
Vijfde middel
Eerste onderdeel
– Argumenten van partijen
166 Met het eerste onderdeel van het vijfde middel verwijt rekwirante, ondersteund door de aandeelhouder, het Gerecht dat het in de punten 163 en volgende van het bestreden arrest, niet is ingegaan op haar middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel en § 70, lid 4, BWG niet heeft onderzocht. De intrekking van de vergunning zou volgens rekwirante tot een minder doeltreffend resultaat hebben geleid wat de voorkoming van het witwassen van geld en het toezicht op dit punt betreft.
167 De aandeelhouder voegt hieraan toe dat het vijfde middel van de hogere voorziening, dat eraan is ontleend dat de overwegingen van het Gerecht inzake het evenredigheidsbeginsel onjuist zijn, nauw verband houdt met de ontoereikende behandeling van § 70, lid 4, BWG, waarin dit beginsel is geconcretiseerd. In dit verband had het Gerecht rekening moeten houden met het feit dat pogingen om een minder strenge maatregel te gelasten door de nationale rechterlijke instanties waren afgekeurd.
168 Volgens de ECB moet dit onderdeel worden afgewezen.
– Beoordeling door het Hof
169 De in het kader van het eerste onderdeel van het vijfde middel aangevoerde argumenten zijn reeds aangevoerd in het kader van het achtste onderdeel van het derde middel. Het eerste onderdeel van het vijfde middel moet dus om dezelfde redenen als die welke in de punten 129 tot en met 131 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet niet-ontvankelijk worden verklaard.
Tweede onderdeel
– Argumenten van partijen
170 Met het tweede onderdeel van het vijfde middel betoogt rekwirante dat de ECB met de vaststelling van het litigieuze besluit het FM-GwG buiten werking heeft gesteld, terwijl deze tekst bindend zou zijn gebleven voor rekwirante indien zij ervoor had gekozen om over te gaan tot vrijwillige liquidatie.
171 De ECB stelt dat dit tweede onderdeel niet-ontvankelijk is.
– Beoordeling door het Hof
172 Vastgesteld moet worden dat rekwirante het ter ondersteuning van het beroep in eerste aanleg aangevoerde middel herhaalt, zonder aan te geven dat het Gerecht bij zijn beoordeling blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
173 Overigens betwist rekwirante niet de punten 189 tot en met 192 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft vastgesteld dat de oplossing van de vrijwillige liquidatie geen geschiktere maatregel zou zijn geweest dan de intrekking van de vergunning.
174 In die omstandigheden moet het tweede onderdeel van het vijfde middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
175 Hieruit volgt dat het vijfde middel in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Zesde middel
Argumenten van partijen
176 Met het zesde middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het ten onrechte de argumenten heeft afgewezen die zij had aangevoerd in het kader van het vierde middel van haar beroep in eerste aanleg, waarin zij stelde dat haar rechten van verdediging waren geschonden.
177 Zij voert in dit verband aan dat het Gerecht fouten heeft gemaakt, met name in verband met de schending van het recht van toegang tot het dossier en de niet-nakoming van de verplichting om de door rekwirante aangevoerde relevante omstandigheden vast te stellen, en de in dit verband aangevoerde grieven ten onrechte heeft afgewezen omdat rekwirante de gelegenheid had gehad om op nationaal niveau in rechte op te komen tegen het besluit waarbij tekortkomingen waren vastgesteld en zij geen gebruik had gemaakt van deze mogelijkheid.
178 De aandeelhouder voegt daaraan toe dat dit middel nauw verband houdt met andere fouten van het Gerecht.
179 Volgens de ECB moet dit middel worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
180 Meteen moet worden opgemerkt dat het betoog van rekwirante voortvloeit uit een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
181 Het Gerecht heeft in de punten 245 tot en met 248 van het bestreden arrest immers geoordeeld dat de ECB niet verplicht was om het vertrouwelijke deel van het dossier aan rekwirante mee te delen. Het Gerecht heeft dit gerechtvaardigd door in punt 241 van zijn arrest te verwijzen naar artikel 32, leden 1 en 5, van de GTM-kaderverordening, waarin is bepaald dat het recht van toegang tot het dossier zich niet uitstrekt tot vertrouwelijke informatie, waaronder eventueel de correspondentie tussen de ECB en nationale bevoegde autoriteiten.
182 Voorts heeft het Gerecht in de punten 244 en 245 van het bestreden arrest de aangevoerde grieven afgewezen omdat de intrekking van de vergunning was gebaseerd op besluiten van de FMA en uitspraken van de Oostenrijkse rechterlijke instanties waarin het bestaan van schendingen of het plegen van inbreuken is vastgesteld, en omdat rekwirante adressaat was van deze administratieve besluiten of partij was in de betrokken gerechtelijke procedures, zodat zij niet kon stellen dat zij de inhoudelijke relevantie van de documenten niet heeft kunnen verifiëren of niet de kans heeft gehad om te achterhalen welke de op die besluiten of uitspraken gebaseerde verwijten waren die door de ECB en de FMA werden gemaakt.
183 Wat de vaststelling van de relevante omstandigheden door de ECB betreft, zij erop gewezen dat het Gerecht deze verplichting uitvoerig heeft geanalyseerd in de punten 251 tot en met 273 van het bestreden arrest, die door rekwirante in het kader van de onderhavige hogere voorziening niet worden betwist.
184 Ten slotte is het argument van de aandeelhouder te onnauwkeurig om te kunnen bepalen welke onjuiste rechtsopvatting aldus is bedoeld.
185 Hieruit volgt dat het zesde middel ongegrond moet worden verklaard.
Zevende middel
Argumenten van partijen
186 Met het zevende middel voert rekwirante, ondersteund door de aandeelhouder, procedurele onregelmatigheden aan die het Gerecht zou hebben begaan.
187 Zij stelt om te beginnen dat het Gerecht haar vooraf in kennis had moeten stellen van het standpunt waarop het zich in het bestreden arrest heeft gebaseerd, namelijk dat de motivering van de eerdere administratieve en rechterlijke beslissingen ook bindende werking heeft met betrekking tot de intrekking van een vergunning.
188 Vervolgens betogen rekwirante en de aandeelhouder dat het Gerecht nooit te kennen heeft gegeven dat het de benadering had gewijzigd die het had uitgedrukt in het kader van de maatregel tot organisatie van de procesgang van 27 april 2021, volgens welke een intrekking van de vergunning uit hoofde van de antiwitwaswetgeving veronderstelde dat er ernstige inbreuken waren gepleegd in de zin van artikel 3, punt 4, onder f), van richtlijn 2015/849.
189 Voorts stelt rekwirante dat het door haar op 8 april 2021 ingediende verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang is afgewezen omdat het Gerecht op dat moment van oordeel was dat bij gebreke van ernstige inbreuken niet was voldaan aan de voorwaarden voor de intrekking van de vergunning. Het standpunt van het Gerecht komt er volgens rekwirante uiteindelijk op neer dat partijen vrij aanvullende memories en documenten kunnen indienen.
190 Ten slotte betoogt rekwirante dat het Gerecht de feiten niet grondig heeft onderzocht, terwijl het had moeten verwijzen naar concrete, voldoende ernstige tekortkomingen. Zij voegt daaraan toe dat dit verzuim bovendien tot een motiveringsgebrek van het bestreden arrest leidt.
191 De ECB stelt dat het zevende middel moet worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
192 Wat om te beginnen rekwirantes argumenten betreft dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om een standpunt in te nemen over de benadering van het Gerecht dat de motivering van de administratieve en rechterlijke beslissingen ook bindende werking had voor de intrekking van de vergunning, moet worden vastgesteld dat rekwirante niet aangeeft op welke punten van het bestreden arrest deze argumenten betrekking hebben en het ook niet mogelijk maakt om te achterhalen welke punten dat zijn, zodat haar grief, waarvan de strekking overigens moeilijk valt te begrijpen, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
193 Het betoog van rekwirante, die daarin wordt ondersteund door de aandeelhouder, dat het Gerecht haar niet heeft laten weten dat het zijn standpunt had gewijzigd dat het aanvankelijk had uitgedrukt in vragen die waren gesteld in het kader van de maatregel tot organisatie van de procesgang van 27 april 2021, kan evenmin slagen, aangezien het Gerecht in die vragen geen standpunt heeft geformuleerd.
194 Het betoog van rekwirante betreffende de afwijzing van haar op 8 april 2021 ingediende verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang preciseert niet wat de aard is van de fout die het Gerecht zou hebben gemaakt. Dit betoog is dus niet-ontvankelijk.
195 Voor zover, ten slotte, rekwirante aanvoert dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd omdat daaruit niet kan worden opgemaakt welke vermeende ernstige inbreuken de intrekking van de vergunning hebben ingegeven, moet worden opgemerkt dat deze grief een algemeen karakter heeft en dat in het bijzonder op grond ervan niet kan worden vastgesteld tegen welke punten van het bestreden arrest de grief is gericht.
196 Hoe dan ook heeft het Gerecht in punt 26 van het bestreden arrest een gedetailleerde opsomming gegeven van een aantal maatregelen en rechterlijke beslissingen die tot rekwirante waren gericht en waarop de ECB zich heeft gebaseerd om het bestaan van ernstige inbreuken vast te stellen.
197 Bijgevolg moet dit argument eveneens van de hand worden gewezen.
198 In die omstandigheden moet het zevende middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.
199 Aangezien geen van de middelen van het beroep is aanvaard, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
200 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
201 Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten voor zover dit is gevorderd.
202 Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de ECB te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de ECB.
203 Aangezien geen van de partijen heeft geconcludeerd tot verwijzing van een andere partij in de kosten van de aandeelhouder, moet worden beslist dat deze zijn eigen kosten zal dragen.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Anglo Austrian AAB AG wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van de Europese Centrale Bank (ECB).
3) Belegging-Maatschappij „Far-East” BV draagt haar eigen kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 8 februari 2024, C-750/21, ECLI:EU:C:2024:124
- HvJ EU 2 februari 2023, C-649/20, ECLI:EU:C:2023:60
- HvJ EU 10 november 2022, C-211/20, ECLI:EU:C:2022:862
- Gerecht EU 22 juni 2022, T-797/19, ECLI:EU:T:2022:389
- HvJ EU 19 december 2018, C-219/17, ECLI:EU:C:2018:1023
- HvJ EU 6 maart 2018, C-284/16, ECLI:EU:C:2018:158
- HvJ EU 17 juli 2014, C-173/13, ECLI:EU:C:2014:2090
- HvJ EU 16 februari 2012, C-72/10, ECLI:EU:C:2012:80
- HvJ EU 5 juli 2011, C-263/09, ECLI:EU:C:2011:452
- HvJ EU 2 september 2010, C-399/08, ECLI:EU:C:2010:481