Gerecht EU 4 juni 2025, T-551/23, ECLI:EU:T:2025:568
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer)
4 juni 2025 ( *1 )
„Economisch en monetair beleid – Prudentieel toezicht op kredietinstellingen – Aan de ECB opgedragen specifieke toezichttaken – Besluit tot intrekking van de vergunning van een kredietinstelling – Schending van de nationale wetgeving inzake de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering – Artikel 83, lid 2, van verordening (EU) nr. 468/2014 en artikel 4, lid 3, van verordening (EU) nr. 1024/2013 – Omvang van het onderzoek door de ECB van de omstandigheden die de intrekking rechtvaardigen – Bevoegdheid van de nationale bevoegde autoriteiten en van de ECB binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) – Voorwaarden voor intrekking – Motiveringsplicht – Recht op behoorlijk bestuur”
In zaak T‑551/23,
Baltic International Bank SE, gevestigd te Riga (Letland), vertegenwoordigd door M. Supe en V. Supe, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door E. Yoo, J. Poscia, K. Drēviņa en M. Puidokas als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: O. Porchia (rapporteur), president, M. Jaeger en P. Nihoul, rechters,
griffier: I. Kurme, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 3 december 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Baltic International Bank SE, nietigverklaring van het jegens haar vastgestelde besluit van de Europese Centrale Bank (ECB) van 3 juli 2023 tot intrekking van de vergunning van een onder prudentieel toezicht staande kredietinstelling (hierna: „bestreden besluit”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster is een in Letland gevestigde minder belangrijke kredietinstelling die onder rechtstreeks prudentieel toezicht staat van de Finanšu un kapitāla tirgus komisija (commissie voor financiële en kapitaalmarkten, Letland; hierna: „FKTK”), die thans deel uitmaakt van de Latvijas Banka (centrale bank van Letland).
3 Aangezien de FKTK van mening was dat verzoekster sinds 2012 haar bankverplichtingen niet was nagekomen, heeft zij verschillende besluiten jegens haar vastgesteld.
4 In het bijzonder heeft de FKTK op 9 maart 2016 lēmums Nr. 61 par sankciju piemērošanu AS „Baltic International Bank” (besluit nr. 61 tot oplegging van sancties aan AS „Baltic International Bank”) (hierna: „besluit nr. 61”) aangenomen. Verzoekster heeft dit besluit niet aangevochten. Op 29 november 2019 heeft de FKTK lēmums Nr. 191 par sankciju un pasākumu noteikšanu AS „Baltic International Bank” (besluit nr. 191 tot oplegging van sancties en maatregelen aan AS „Baltic International Bank”) (hierna: „besluit nr. 191”) aangenomen. Verzoekster heeft dit besluit wel aangevochten. Op 22 december 2022 heeft de FKTK dit besluit bevestigd bij de lēmums Nr. 255 par Finanšu un kapitāla tirgus komisijas padomes 29.11.2019. lēmuma Nr. 191 atstāšanu par negrozītu (besluit nr. 255 inzake het handhaven van [besluit nr. 191]). Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in eerste aanleg, Letland).
5 Voorts heeft de FKTK op 12 december 2022 de lēmums Nr. 215 par noregulējuma darbības nepiemērošanu Baltic International Bank SE (besluit nr. 215 over de niet-toepassing van een maatregel van afwikkeling op [verzoekster]) (hierna: „besluit nr. 215”) aangenomen, en de lēmums Nr. 216 par finanšu pakalpojumu sniegšanas apturēšanu un pilnvarnieku iecelšanu Baltic International Bank SE (besluit nr. 216 over de opschorting van de verlening van financiële diensten en de aanstelling van een gevolmachtigde bij [verzoekster]) (hierna: „besluit nr. 216”) aangenomen.
6 Op 30 december 2022 heeft de FKTK bij de ECB een voorstel ingediend voor een besluit „betreffende de intrekking van de vergunning van een onder prudentieel toezicht staande kredietinstelling” ten aanzien van verzoekster (hierna: „voorstel voor een besluit”).
7 Op 10 maart 2023 heeft de ECB besluit ECB‑SSM‑2023‑LV‑1 WHD‑2022‑0014 tot intrekking van de vergunning van een onder prudentieel toezicht staande kredietinstelling (hierna: „oorspronkelijk besluit”) vastgesteld, waarbij de aan verzoekster als kredietinstelling verleende vergunning werd ingetrokken.
8 Het oorspronkelijke besluit is gebaseerd op de volgende drie redenen: – Verzoekster heeft gedurende langere tijd ernstige inbreuken gepleegd en pleegde op de datum van het aanvankelijke besluit nog steeds ernstige inbreuken op essentiële bepalingen van de Noziedzīgi iegūtu līdzekļu legalizācijas un terorisma un proliferācijas finansēšanas novēršanas likums (wet ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en proliferatie) van 13 juni 2019 (Latvijas Vēstnesis, 2008, nr. 116), waarin individueel en collectief redenen voor intrekking van de vergunning zijn vastgesteld; – Verzoekster heeft gedurende langere tijd de verplichting om doeltreffende internecontrolesystemen in te voeren geschonden die op haar rust krachtens artikel 341, lid 1, van de Kredītiestāžu likums (wet op de kredietinstellingen) van 5 oktober 1995 (Latvijas Vēstnesis, 1995, nr. 163); – Verzoekster heeft haar verplichting geschonden om een voorzichtige strategie, gedragslijnen en procedures vast te stellen en uit te voeren die haar in staat stellen haar risico’s te beheren, waaronder de tijdige detectie, evaluatie, analyse en monitoring van haar risico’s als bedoeld in artikel 342, leden 1 en 2, van de wet op de kredietinstellingen.
9 Bij vonnis van 24 maart 2023 heeft de Ekonomisko lietu tiesa (rechter voor economische zaken, Letland) verzoekster in liquidatie verklaard.
10 Op 6 april 2023 heeft verzoekster bij de administratieve raad voor toetsing van de ECB een verzoek tot toetsing van het oorspronkelijke besluit ingediend.
11 Op 3 juli 2023 heeft de raad van bestuur van de ECB het oorspronkelijke besluit vervangen door het bestreden besluit, dat inhoudelijk identiek was aan het oorspronkelijke besluit en op de dag na de kennisgeving van het oorspronkelijke besluit in werking is getreden.
Conclusies van partijen
12 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de ECB in de kosten te verwijzen.
13 De ECB verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
Ontvankelijkheid van het beroep
14 De ECB twijfelt aan de ontvankelijkheid van het beroep door de geldigheid van de volmacht van verzoeksters advocaten ter discussie te stellen. Zij wijst er met name op dat de voormalige raad van bestuur van verzoekster deze advocaten bij een volmacht ad litem van 5 september 2005 en een vertegenwoordigingsovereenkomst van 23 maart 2023 had gemachtigd, maar dat verzoeksters vereffenaar met ingang van 6 april 2023 alle door die raad van bestuur verleende volmachten heeft ingetrokken, waardoor de volmacht op grond waarvan verzoeksters advocaten haar in de onderhavige zaak vertegenwoordigen, ongeldig is geworden.
15 In antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang van het Gerecht heeft verzoekster op 23 oktober 2024 aanvullende stukken overgelegd, waaronder een brief van haar bestuurder, ter rechtvaardiging van de volmacht van haar advocaten. Zij heeft zich ook beroepen op het arrest van 5 november 2019, ECB e.a./Trasta Komercbanka e.a. (C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P, EU:C:2019:923), ten betoge dat de volmachten van haar advocaten niet ongeldig konden worden verklaard, zoals het Hof in dat arrest heeft geoordeeld. Zij betoogt dat haar voormalige raad van bestuur op 23 maart 2023 bevoegd was om de vertegenwoordigingsovereenkomst met haar advocaten te sluiten. Zij voegt daaraan toe dat haar vereffenaar weliswaar alle door die raad van bestuur uitgevaardigde volmachten nadien heeft herroepen, maar dat met deze herroeping geen rekening kan worden gehouden wat de aan haar advocaten voor de onderhavige zaak verleende volmachten betreft, aangezien er een risico bestaat dat de vereffenaar de door of met steun van de FKTK vastgestelde handeling, die heeft geleid tot de inleiding van de liquidatieprocedure jegens haar, niet ter discussie stelt, hetgeen in strijd zou zijn met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming. Het gedrag van de vereffenaar zou afbreuk kunnen doen aan verzoeksters recht op een eerlijk proces als privaatrechtelijke rechtspersoon. Verzoekster heeft dezelfde brief van haar bestuurder als formeel document overgelegd ter rechtvaardiging van de mandaten van haar advocaten.
16 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van dit Statuut van toepassing is op het Gerecht, rechtspersonen – zoals verzoekster – die voor de rechterlijke instanties van de Europese Unie willen optreden, moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) (zie in die zin arrest van 8 februari 2024, Pilatus Bank/ECB,C‑256/22 P, EU:C:2024:125, punt 35).
17 Gelet op de noodzaak voor rechtspersonen om te worden vertegenwoordigd door een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de EER-Overeenkomst, is de ontvankelijkheid van een door een dergelijke persoon ingesteld beroep afhankelijk van het bewijs dat de betrokkene daadwerkelijk heeft beslist om beroep in te stellen en dat de advocaten die stellen hem te vertegenwoordigen, daartoe daadwerkelijk gemachtigd zijn (zie in die zin arrest van 8 februari 2024, Pilatus Bank/ECB,C‑256/22 P, EU:C:2024:125, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 Juist om zich ervan te vergewissen dat dit het geval is, is in artikel 51, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht vereist dat de advocaten, wanneer de partij die zij vertegenwoordigen een privaatrechtelijke rechtspersoon is, ter griffie van het Gerecht een door die partij verleende machtiging neerleggen, en kan het ontbreken van de overlegging van deze machtiging overeenkomstig lid 4 van dat artikel tot de formele niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift leiden (zie arrest van 8 februari 2024, Pilatus Bank/ECB,C‑256/22 P, EU:C:2024:125, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 In casu staat vast dat verzoeksters voormalige raad van bestuur bevoegd was om op 5 september 2005 de volmacht ad litem af te geven en om op 23 maart 2023 met verzoeksters advocaten de vertegenwoordigingsovereenkomst in de onderhavige zaak te sluiten.
20 In zijn brief van 10 oktober 2024, die verzoekster op 23 oktober 2024 heeft meegedeeld in antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang van het Gerecht en als volmacht voor verzoeksters advocaten, betoogt haar bestuurder dat de herroepingen van de volmacht door de vereffenaar, die op 11 april 2023 en 29 januari 2024 zijn bekendgemaakt, geen gevolgen hebben gehad voor de geldigheid van de volmachten die de voormalige raad van bestuur heeft verleend aan verzoeksters advocaten in de onderhavige zaak. Hij voegt daaraan toe dat verzoeksters advocaten haar op basis van die volmachten mogen vertegenwoordigen.
21 In dit verband kan worden volstaan met op te merken dat hoewel niet de FKMC maar de ECB de auteur van het bestreden besluit en de verwerende partij voor het Gerecht is, dit niet wegneemt dat de FKMC heeft deelgenomen aan de vaststelling van het bestreden besluit, dat op haar voorstel is vastgesteld. Gelet op de vereffeningstaak die hem naar Lets recht is opgedragen, heeft de vereffenaar een belangenconflict omdat, wanneer bij het Gerecht wordt opgekomen tegen de intrekking van de vergunning van de door hem vertegenwoordigde rechtspersoon, hij in strijd met die taak aan de vereffening van die rechtspersoon mogelijkerwijs haar rechtsgrondslag diende te ontnemen (zie in die zin arrest van 5 november 2019, ECB e.a./Trasta Komercbanka e.a., C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P, EU:C:2019:923, punt 74).
22 Bijgevolg kan, wat de vertegenwoordiging door verzoeksters advocaten in de onderhavige zaak betreft, geen rekening worden gehouden met de herroeping van hun volmachten waartoe de vereffenaar heeft besloten, aangezien dit in strijd zou zijn met verzoeksters recht op effectieve rechterlijke bescherming, dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) (zie in die zin arrest van 5 november 2019, ECB e.a./Trasta Komercbanka e.a., C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P, EU:C:2019:923, punt 78).
23 In die omstandigheden moeten verzoeksters advocaten worden geacht rechtsgeldig te zijn gemachtigd om haar te vertegenwoordigen.
24 Hieraan moet worden toegevoegd dat de bestuurder de aanvankelijk aan verzoeksters advocaten verleende volmachten niet betwist.
25 Bovendien heeft de ECB de door verzoekster laatstelijk als formeel document overgelegde volmacht niet betwist.
26 Het beroep is derhalve ontvankelijk.
Ontvankelijkheid van de op 2 december 2024 door verzoekster overgelegde documenten
27 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 december 2024, heeft verzoekster nieuwe bewijsaanbiedingen overgelegd, die dateren van 21 juli 2023 en van 5 en 6 september 2023, en dus, wat de eerste betreft, van vóór de indiening van het verzoekschrift en, wat de andere betreft, van vóór de neerlegging van de repliek. Ter terechtzitting heeft de ECB twijfels geuit over de ontvankelijkheid van deze documenten.
28 Er zij aan herinnerd dat de hoofdpartijen ingevolge artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bij wijze van uitzondering nog bewijs kunnen overleggen of kunnen aanbieden om hun stellingen nader te bewijzen voordat de mondelinge behandeling is gesloten of voordat het Gerecht beslist om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen, mits de vertraging waarmee dit geschiedt, wordt gerechtvaardigd.
29 In dit verband is verzoekster ter terechtzitting verzocht te reageren op de mogelijke niet-ontvankelijkheid van de overgelegde documenten en uiteen te zetten waarom deze documenten pas op de dag vóór de terechtzitting konden worden meegedeeld. Zij heeft enkel gesteld dat deze documenten haar door de vereffenaar waren toegezonden, zonder aan te geven op welke datum die toezending had plaatsgevonden, noch uit te leggen waarom zij deze documenten niet eerder bij de vereffenaar had kunnen verkrijgen.
30 In die omstandigheden moeten de op 2 december 2024 overgelegde documenten niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
31 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan een onjuiste beoordeling door de ECB, doordat zij is voorbijgegaan aan het feit dat de FKTK niet had voldaan aan haar verplichting om op nationaal niveau besluiten vast te stellen tot vaststelling van criteria voor ernstige inbreuken op regelgevingshandelingen op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en proliferatie (hierna: „SWG/FT”). Het tweede middel is in wezen ontleend aan schending door de ECB van haar verplichting om haar eigen onderzoek te verrichten en zich er niet toe te beperken de beoordeling van de FKTK over te nemen. Het derde middel is in wezen ontleend aan schending van de motiveringsplicht met betrekking tot de tweede en de derde reden voor de intrekking van de vergunning en aan fouten van de ECB met betrekking tot diezelfde redenen. Het vierde middel is ontleend aan schending van het recht op behoorlijk bestuur, dat het recht om te worden gehoord en het recht van toegang tot het dossier omvat.
32 Het Gerecht zal het eerste en het tweede middel gezamenlijk onderzoeken en vervolgens achtereenvolgens het derde en het vierde middel.
Eerste en tweede middel
33 In het kader van het eerste en het tweede middel komt verzoekster op tegen de beoordeling door de ECB van de vraag of zij de regelgeving inzake SWG/FT had nageleefd. Zij betoogt in wezen dat de ECB de op haar rustende beoordeling niet zelf heeft verricht, maar deze heeft gebaseerd op betwistbare besluiten van de FKTK en op daaraan voorafgaande handelingen in het kader van de nationale administratieve procedure, waartegen zij voor de nationale rechter niet had kunnen opkomen.
34 In het kader van het eerste middel stelt verzoekster dat de ECB een beoordelingsfout heeft gemaakt door voorbij te gaan aan het feit dat de FKTK niet had voldaan aan de in artikel 196, lid 4, van de wet op de kredietinstellingen neergelegde verplichting om op nationaal niveau handelingen vast te stellen tot vaststelling van de criteria voor ernstige inbreuken op het gebied van SWG/FT.
35 De ECB heeft niet voldaan aan de verplichting van artikel 83, lid 2, van haar verordening (EU) nr. 468/2014 van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme tussen de [ECB] en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (PB 2014, L 141, blz. 1) om bij het nemen van een besluit tot intrekking van een vergunning zelf de omstandigheden te onderzoeken die deze intrekking rechtvaardigen.
36 Verzoekster is van mening dat het bestreden besluit is gebaseerd op de beoordeling van de FKTK in het voorstel voor een besluit en op de door deze autoriteit verstrekte documenten, hetgeen overeenkomstig artikel 83, lid 2, van de GTM-kaderverordening niet volstaat.
37 Verzoekster herinnert aan de bepalingen van artikel 4, lid 3, van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de [ECB] specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63; hierna: „GTM-basisverordening”), artikel 83, lid 2, van de GTM-kaderverordening, artikel 18, onder f), en artikel 67, lid 1, onder o), van richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB 2013, L 176, blz. 338), en artikel 27, lid 1, punt 8, en artikel 196, leden 3 en 4, van de wet op de kredietinstellingen.
38 In het licht van bovengenoemde bepalingen had de ECB de wet op de kredietinstellingen moeten toepassen en moeten vaststellen dat de nationale regelgevingshandelingen tot vaststelling van de criteria voor ernstige SWG/FT-inbreuken niet waren aangenomen.
39 Verzoekster voegt daaraan toe dat niet kan worden uitgesloten dat indien de in punt 38 hierboven genoemde nationale handelingen waren vastgesteld, de criteria voor ernstige inbreuken anders zouden zijn geweest dan die welke zijn vermeld in het verslag van 31 mei 2022 dat in het kader van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) is opgesteld door de Europese Bankautoriteit (EBA), de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa). Dit verslag heeft geen bindende rechtskracht en kan niet in de plaats komen van de vast te stellen regelgevingshandelingen. Hetzelfde geldt voor de aanbevelingen van de FKTK.
40 De FKTK had moeten aangeven op basis van welke criteria de door verzoekster gepleegde inbreuken als ernstig kunnen worden aangemerkt en de ECB had moeten vaststellen dat een element in de besluiten van de FKTK ontbrak, namelijk de motivering van die ernst.
41 Het feit dat de relevante regelgevingshandelingen niet binnen de gestelde termijnen zijn vastgesteld, is ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien verzoekster het recht heeft om vooraf te weten welke criteria worden gehanteerd om de haar verweten inbreuken als ernstig te kwalificeren.
42 Bovendien heeft de ECB zich op een onjuiste rechtsgrondslag gebaseerd. Verzoekster wijst erop dat het ontbreken van criteria door de wetgever is erkend als een belangrijke leemte, aangezien hij in punt 84 van de overgangsbepalingen van de wet op de kredietinstellingen had bepaald dat de FKTK die criteria volgens de Letse wet vóór 1 augustus 2019 moest vaststellen door regelgevingshandelingen met dezelfde kracht als decreten van de ministerraad vast te stellen. Zij merkt op dat deze handelingen evenwel niet waren vastgesteld.
43 Verzoekster voegt hieraan toe dat de ECB niet alleen de bepalingen van Unierecht moet toepassen, maar ook, wanneer dit uit richtlijnen bestaat, het nationale recht tot omzetting daarvan. In casu is richtlijn 2013/36 in Lets recht omgezet bij de wet op de kredietinstellingen, die de ECB had moeten toepassen. De ECB heeft overigens bevestigd dat zij moet onderzoeken of is voldaan aan de voorwaarden van het nationale recht, gelezen in samenhang met artikel 18, onder f), en artikel 67, lid 1, onder o), van richtlijn 2013/36. Zij had dus de relevante feiten moeten vaststellen en moeten beslissen of daaruit bleek dat verzoekster aansprakelijk was gesteld voor een ernstige inbreuk in de zin van het nationale recht.
44 Indien de ECB daarbij op grond van de wet op de kredietinstellingen had vastgesteld dat de FKTK geen regelgevingshandelingen op het gebied van SWG/FT had vastgesteld, had zij het bestreden besluit niet mogen baseren op de vaststellingen van de FKTK, die de op haar rustende verplichting niet was nagekomen.
45 Verzoekster preciseert dat besluit nr. 61, waarop het bestreden besluit is gebaseerd, is vastgesteld vóór de vaststelling van de regelgevingshandeling waarbij volgens artikel 196, lid 4, van de wet op de kredietinstellingen de criteria voor de ernst op het gebied van de SWG/FT moesten worden vastgesteld. De FKTK heeft haar besluit gebaseerd op een interne regelgevingshandeling, terwijl dit niet is toegestaan op grond van artikel 67, lid 6, van de Administratīvā procesa likums (wet inzake het bestuursprocesrecht; Latvijas Vēstnesis, 2001, nr. 164). Ook ten tijde van de vaststelling van besluit nr. 191 waren de regelgevingshandelingen tot vaststelling van de criteria voor de ernst nog niet vastgesteld.
46 Met betrekking tot het tweede middel, dat uit drie onderdelen bestaat, betoogt verzoekster met betrekking tot het eerste onderdeel dat de ECB haar zorgvuldigheidsplicht niet is nagekomen door de haar verweten inbreuken in het kader van besluit nr. 191, dat op nationaal niveau is betwist, niet te onderzoeken. Aangezien besluit nr. 191 op de datum van het bestreden besluit niet definitief was, had de ECB de daarmee verband houdende feiten opnieuw moeten onderzoeken. Verzoekster preciseert in repliek dat de tegen besluit nr. 191 ingeleide procedure bij beslissing van de regionale bestuursrechter van 5 september 2023 is beëindigd, nadat haar vereffenaar op 24 juli 2023 om intrekking had verzocht.
47 Met het tweede onderdeel van het tweede middel betoogt verzoekster dat de ECB de feiten betreffende de onderzoeken waarnaar zij in punt 11 van de bijlage bij het bestreden besluit verwijst, niet zorgvuldig en onpartijdig heeft onderzocht. Verzoekster vestigt de aandacht op de Letse regels inzake onderzoek en strafvordering en op het feit dat aan geen van haar werknemers, leden van de raad van bestuur en aandeelhouders de status van verdachte of beschuldigde is toegekend. Door in het bestreden besluit te verwijzen naar een lopende strafprocedure, heeft de ECB artikel 48, lid 1, van het Handvest geschonden, dat bepaalt dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden. Volgens verzoekster kon de ECB de informatie betreffende het instellen van strafvervolging niet gebruiken als grondslag voor het bestreden besluit.
48 Met het derde onderdeel van het tweede middel betwist verzoekster de juridische waarde van de documenten waarop het bestreden besluit is gebaseerd, te weten de inspectierapporten en de besluiten nr. 61 en nr. 191. Volgens verzoekster stond het aan de ECB om de wettigheid te toetsen van het voorstel voor een besluit, dat wezenlijke gebreken bevat die de rechtmatigheid van het bestreden besluit aantasten.
49 Wat in de eerste plaats de inspectierapporten betreft, stelt verzoekster dat dit „tussentijdse besluiten” zijn, die in het nationale rechtsstelsel niet kunnen worden aangevochten. Het gaat om eenvoudige brieven die het standpunt van de FKTK uitdrukken, zonder definitieve beslissingen te zijn. In deze context kan het bestreden besluit niet worden gebaseerd op de informatie die in die rapporten is verstrekt.
50 Verzoekster merkt op dat, wat het inspectierapport van 2012 en de in 2014 en 2015 verrichte controles betreft, de ECB zich heeft gebaseerd op inbreuken op de wet inzake SWG/FT die de FKTK niet als dergelijke inbreuken heeft aangemerkt.
51 Verzoekster wijst er ook op dat het beroep tegen besluit nr. 191 ook zag op de inspectierapporten van 2018 en 2019 en dat deze niet in het bestreden besluit mochten worden vermeld. De informatie in het inspectierapport van 2018 kan niet als grondslag voor het bestreden besluit dienen. Hetzelfde geldt voor de informatie die is verzameld in het kader van de op 13 december 2021 ingeleide procedure, waarin geen eindbesluit is gegeven.
52 Wat in de tweede plaats de besluiten nr. 61 en nr. 191 betreft, betoogt verzoekster dat het eerste een definitief geworden handeling is die zij niet heeft betwist en dat zij alle uit die handeling voortvloeiende verplichtingen is nagekomen. Wat besluit nr. 191 betreft, kan de afwijzing door de nationale rechter van het door verzoekster ingediende verzoek om voorlopige bescherming tegen dat besluit niet vooruitlopen op de beoordeling ten gronde van dat besluit.
53 Wat in de derde plaats de brieven van de FKTK over verzoeksters gedrag betreft, zij opgemerkt dat het daarbij niet gaat om een definitief besluit.
54 Verzoekster voegt daaraan toe dat de ECB het beginsel van het vermoeden van onschuld heeft geschonden door zich te baseren op twee besluiten van de FKTK, waarvan er één, besluit nr. 191, werd betwist, en op het inspectierapport van 2018, dat een tussentijds besluit is. Volgens haar is het geschil over de besluiten van de FKTK vergelijkbaar met dat over besluiten van een nationale mededingingsautoriteit waarbij een geldboete wordt opgelegd, waarvoor alle procedurele waarborgen van het recht op een eerlijk proces gelden. De schuld van iemand die van een strafbaar feit wordt beschuldigd, kan pas worden geacht definitief vast te staan wanneer het besluit waarbij die inbreuk wordt vastgesteld onherroepelijk is geworden. Ten aanzien van verzoekster bestaat er geen enkel vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarbij zij aansprakelijk wordt gesteld voor ernstige inbreuken. De ECB had moeten nagaan of de documenten waarop zij zich had gebaseerd, definitief waren. Zij had de gegrondheid van besluit nr. 191 moeten onderzoeken of zich daar niet op baseren, aangezien dit besluit werd betwist. Verzoekster voegt daaraan toe dat ook besluit nr. 255 in rechte werd aangevochten.
55 Meermaals wordt ten onrechte verwezen naar de motivering van besluit nr. 191, aangezien geen van de inspectierapporten, daaronder begrepen het inspectierapport van 2018, de gestelde vaststellingen bevat waarop het bestreden besluit zich wil baseren.
56 De ECB betwist verzoeksters betoog.
57 In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens artikel 18, onder f), van richtlijn 2013/36 de bevoegde autoriteiten de aan een kredietinstelling verleende vergunning kunnen intrekken wanneer deze een van de in artikel 67, lid 1, van deze richtlijn bedoelde inbreuken pleegt. Dit geldt volgens artikel 67, lid 1, onder o), van die richtlijn met name voor de instelling die aansprakelijk is gesteld voor een ernstige inbreuk op de nationale bepalingen die zijn vastgesteld op grond van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (PB 2005, L 309, blz. 15). Laatstgenoemde richtlijn is ingetrokken en vervangen door richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60 (PB 2015, L 141, blz. 73).
58 Wat de intrekking van de vergunning van een kredietinstelling betreft, bepaalt artikel 83, lid 2, van de GTM-kaderverordening dat de ECB „[b]ij het nemen van haar besluit […] rekening [houdt] met alle hierna genoemde factoren: a) haar beoordeling van de omstandigheden die intrekking rechtvaardigen; b) indien aanwezig, het ontwerpintrekkingsbesluit van de NBA; c) het overleg met de betreffende NBA en, indien de NBA niet de nationale afwikkelingsautoriteit is, de nationale afwikkelingsautoriteit […]; d) eventuele opmerkingen van de kredietinstelling die zijn gegeven krachtens artikel 81, lid 2, en artikel 82, lid 3[, van deze kaderverordening]”.
59 Artikel 4, lid 3, van de GTM-basisverordening bepaalt dat de ECB „[v]oor het vervullen van de haar bij deze verordening opgedragen taken en het waarborgen van hoogwaardige toezichtsnormen […] alle toepasselijke Uniewetgeving [toepast], en wanneer het daarbij gaat om richtlijnen, de nationale wetgeving waarbij die richtlijnen zijn omgezet”. Deze bepaling bepaalt ook dat „[w]anneer het toepasselijke Unierecht bestaat uit verordeningen die de lidstaten thans uitdrukkelijk keuzemogelijkheden toekennen, […] de ECB tevens de nationale wetgeving [toepast] wanneer door hen van die keuzemogelijkheden gebruikgemaakt wordt”.
60 Uit artikel 4, lid 3, van de GTM-basisverordening volgt dat, wanneer de relevante richtlijnen zijn omgezet, de ECB het nationale recht moet toepassen (zie in die zin arrest van 7 september 2023, Versobank/ECB, C‑803/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:630, punt 102).
61 Er zij opgemerkt dat het bij het litigieuze besluit gaat om een handeling betreffende het prudentieel toezicht op een kredietinstelling, die is vastgesteld door de ECB, die daarbij over een ruime beoordelingsmarge beschikt aangezien zij, zoals in overweging 55 van de GMT-basisverordening is vermeld, als gevolg van de aan haar opgedragen toezichttaken in belangrijke mate verantwoordelijk is voor het waarborgen van de financiële stabiliteit in de Unie en voor een zo doeltreffend en evenredig mogelijk gebruik van haar toezichtbevoegdheden (zie naar analogie arrest van 8 mei 2019, Landeskreditbank Baden-Württemberg/ECB, C‑450/17 P, EU:C:2019:372, punt 86).
62 De ruime beoordelingsmarge van de ECB vloeit ook voort uit het feit dat het bestreden besluit de beoordeling van ingewikkelde economische en financiële feiten en omstandigheden impliceert (zie in die zin en naar analogie arresten van 10 november 2022, Commissie/Valencia Club de Fútbol, C‑211/20 P, EU:C:2022:862, punt 34, en 22 juni 2023, Duitsland en Estland/Pharma Mar en Commissie, C‑6/21 P en C‑16/21 P, EU:C:2023:502, punt 52).
63 In die omstandigheden mag het rechterlijk toezicht dat de Unierechter moet uitoefenen op de gegrondheid van de motivering van een besluit zoals het bestreden besluit hem er niet toe brengen zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de ECB, maar dient hij na te gaan of dat besluit niet op feitelijk onjuiste gegevens berust en niet berust op een onjuiste rechtsopvatting, een kennelijke beoordelingsfout of misbruik van bevoegdheid (zie in die zin en naar analogie arresten van 2 september 2021, EPSU/Commissie, C‑928/19 P, EU:C:2021:656, punt 96, en 4 mei 2023, ECB/Crédit lyonnais, C‑389/21 P, EU:C:2023:368, punt 55).
64 De Unierechter dient met name niet enkel de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen en de betrouwbaarheid en de samenhang daarvan te controleren, maar hij moet ook nagaan of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (arrest van 4 mei 2023, ECB/Crédit lyonnais, C‑389/21 P, EU:C:2023:368, punt 56).
65 In die omstandigheden moet de beoordeling door de ECB van de eerste reden voor intrekking van de vergunning worden onderzocht.
66 Volgens de eerste reden voor intrekking van de vergunning, zoals uiteengezet in punt 4 van het bestreden besluit, heeft de ECB vastgesteld dat verzoekster sinds 2012 herhaaldelijk en voortdurend verschillende wettelijke vereisten inzake SWG/FT had geschonden, die betrekking hadden op het internecontrolesysteem (punt 4.2.1 van het bestreden besluit), de cliëntenonderzoeksmaatregelen (punt 4.2.2 van het bestreden besluit) en de melding van verdachte transacties aan de financiële-inlichtingeneenheid van de FKTK.
67 In punt 4 van het bestreden besluit en in de bijlage daarbij zet de ECB uiteen waarom zij meent dat verzoekster ernstige inbreuken op het gebied van SWG/FT heeft gepleegd.
68 In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat het bestreden besluit het standpunt van de FKTK in het voorstel voor een besluit niet louter herhaalt.
69 Uit het bestreden besluit blijkt namelijk dat de ECB haar eigen beoordeling heeft verricht op basis van een hele reeks informatie-elementen die voortvloeiden uit verschillende besluiten van de FKTK, maar ook uit andere op nationaal niveau opgestelde documenten, waaronder inspectierapporten en toezichtactiviteiten.
70 In het bestreden besluit baseert de ECB zich op de overwegingen die met name zijn opgenomen in de besluiten nr. 61 en nr. 191, maar ook in de rapporten van de inspecties ter plaatse van 2012, 2014, 2018 en 2021, de verslagen van gerichte inspecties ter plaatse van 2013, 2015, 2019 en 2020, de verslagen van gerichte inspecties elders dan ter plaatse van 2015 en de toezichtactiviteiten elders dan ter plaatse van 2022.
71 Opgemerkt zij dat de ECB op goede gronden rekening heeft kunnen houden met de besluiten nr. 61 en nr. 191 en met de andere in punt 70 hierboven vermelde documenten, waarin de door verzoekster gepleegde inbreuken zijn beschreven. Het feit dat deze documenten door de FKTK zijn opgesteld, belet de ECB niet om er rekening mee te houden of om op basis van de daarin vervatte informatie te komen tot haar eigen beoordeling waarop het besluit tot intrekking van de vergunning is gebaseerd.
72 In dit verband is met name geoordeeld dat de ECB bevoegd was om een vergunning in te trekken op basis van de door de nationale bevoegde autoriteiten (hierna: „NBA’s”) vastgestelde inbreuken (zie naar analogie arrest van 12 september 2024, Anglo Austrian AAB/ECB en Far‑East, C‑579/22 P, EU:C:2024:731, punt 47).
73 Wat de besluiten nr. 61 en nr. 191 betreft, moet hieraan in de eerste plaats worden toegevoegd dat verzoekster het eerste besluit niet heeft betwist. Dit besluit was dus definitief en kon op de datum van vaststelling van het bestreden besluit aan verzoekster worden tegengeworpen.
74 Wat de door verzoekster aangevoerde omstandigheid betreft dat de NBA nog geen besluiten had vastgesteld tot vaststelling van de criteria op grond waarvan de door haar gepleegde inbreuken op het gebied van SWG/FT als ernstig konden worden aangemerkt, blijkt uit de schrifturen van partijen en uit de antwoorden die zij ter terechtzitting hebben gegeven dat de verplichting voor de FKTK om te bepalen wat de criteria zijn voor ernstige inbreuken op de bepalingen inzake SWG/FT pas in 2019 in werking is getreden, na de wijziging van artikel 196 van de wet op de kredietinstellingen, waaraan met name een lid 4 is toegevoegd.
75 Bovengenoemde verplichting was dus niet van kracht op de datum van vaststelling van besluit nr. 61, dat de periode van 2012 tot en met 2016 bestrijkt. Zoals verzoekster stelt is besluit nr. 61, wat de vaststelling van ernstige inbreuken betreft, inderdaad vastgesteld op basis van een interne handeling van de FKTK die ten tijde van die vaststelling niet openbaar was gemaakt. Evenwel staat vast dat verzoekster dat besluit niet heeft betwist, zodat de ECB daarmee hoe dan ook zeer wel rekening mocht houden.
76 Bovendien blijkt uit een antwoord van de ECB op een vraag van het Gerecht dat de enkele inaanmerkingneming van besluit nr. 61, zonder besluit nr. 191, in casu de intrekking van de vergunning mogelijk had kunnen maken.
77 In dat verband zij opgemerkt dat, gelet op het belang van de prudentiële regels ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, maar ook op de bijzondere verantwoordelijkheid van kredietinstellingen dienaangaande en op de noodzaak om zo snel mogelijk de consequenties te trekken uit het plegen van inbreuken op deze regels, een nationaal administratief besluit waarbij een kredietinstelling aansprakelijk wordt gesteld voor ernstige inbreuken op de nationale voorschriften tot uitvoering van richtlijn 2005/60 (thans richtlijn 2015/849), volstaat om een intrekking te rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 22 juni 2022, Anglo Austrian AAB en Belegging-MaatschappijFar‑East/ECB, T‑797/19, EU:T:2022:389, punt 50).
78 Overigens zij eraan herinnerd dat, ook al heeft verzoekster voor het Gerecht betoogd dat zij de uit besluit nr. 61 voortvloeiende verplichtingen is nagekomen, het standpunt dat bepaalde vastgestelde tekortkomingen zijn verholpen en geen intrekking van de vergunning meer kunnen rechtvaardigen, afbreuk zou doen aan de doelstelling om het bankwezen van de Unie te beschermen. Zij zou kredietinstellingen die ernstige inbreuken hebben gepleegd namelijk in staat kunnen stellen hun activiteiten voort te zetten zolang de bevoegde autoriteiten niet aantonen dat zij nieuwe inbreuken hebben gepleegd (zie naar analogie arrest van 22 juni 2022, Anglo Austrian AAB en Belegging-MaatschappijFar‑East/ECB, T‑797/19, EU:T:2022:389, punt 61).
79 In de tweede plaats is besluit nr. 191 vastgesteld in 2019, toen de wettelijke bepalingen voor de vaststelling van de criteria voor ernstige inbreuken op de bepalingen inzake SWG/FT volgens verzoekster nog niet waren vastgesteld.
80 In dit verband moet worden opgemerkt dat, ook al is besluit nr. 191 op nationaal niveau betwist, het beroep tegen een dergelijk besluit volgens artikel 80 van de Letse wet inzake SWG/FT automatisch tot gevolg heeft dat alleen de gevolgen van het deel betreffende de opgelegde geldboete worden opgeschort, zonder dat dit gevolgen heeft voor de rest van het besluit. De ECB mocht dus rekening houden met de vaststellingen in besluit nr. 191.
81 Wat het argument inzake schending van het rechtszekerheidsbeginsel betreft, gesteld al dat de hypothese zou vaststaan dat het achterwege blijven van de vaststelling van regelgevingshandelingen zag op besluit nr. 191, moet worden opgemerkt dat dit argument in voorkomend geval had kunnen worden aangevoerd in het kader van het beroep dat op nationaal niveau tegen dat besluit was ingesteld. Wat de procedure tot intrekking van de vergunning betreft, had de ECB echter te maken met een besluit waarvan de gevolgen niet waren opgeschort, met uitzondering van de gevolgen die betrekking hadden op de geldboete, zoals reeds is opgemerkt in punt 80 hierboven.
82 Wat in de derde plaats het argument betreft dat de ECB had moeten vaststellen dat bij gebreke van vaststelling van nationale regelgevingshandelingen tot vaststelling van de criteria voor de ernst van de inbreuken op het gebied van SWG/FT, de door de FKTK vastgestelde inbreuken die haar betreffen, niet in aanmerking konden worden genomen, zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat de lidstaten weliswaar bevoegd blijven om dergelijke bepalingen ten uitvoer te leggen, zoals uitdrukkelijk is bepaald in overweging 28 van de GTM-basisverordening, maar dat de ECB exclusief bevoegd is om de vergunning in te trekken voor alle kredietinstellingen, ongeacht het belang ervan, met name wanneer die bevoegdheid is gebaseerd op de reden bedoeld in artikel 67, lid 1, onder o), van richtlijn 2013/36, waarnaar artikel 18 van deze richtlijn verwijst, aangezien artikel 14, lid 5, van de GTM-basisverordening als voorwaarde voor de intrekking van de vergunning stelt dat er een of meer gronden zijn die de intrekking rechtvaardigen in de zin van artikel 18 van die richtlijn (zie in die zin arrest van 7 september 2023, Versobank/ECB, C‑803/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:630, punt 141).
83 Dienaangaande heeft het Gerecht geoordeeld dat het GTM het prudentieel toezicht centraliseert op het niveau van de ECB, maar terzelfder tijd voorziet in een decentrale uitvoering door de NBA’s van de deelnemende lidstaten, onder toezicht van de ECB waaraan zij medewerking en bijstand verlenen. Zo oefent de ECB binnen het GTM enerzijds een aantal exclusieve bevoegdheden uit, namelijk het „rechtstreeks” prudentieel toezicht op belangrijke kredietinstellingen en de bevoegdheden die haar op grond van artikel 4 van de GTM-basisverordening zijn verleend ten aanzien van alle kredietinstellingen, ongeacht hun omvang. Anderzijds valt het prudentieel toezicht op minder belangrijke kredietinstellingen onder de decentrale bevoegdheidsuitoefening door de genoemde NBA’s, en wordt het in het uiterste geval geflankeerd en gecontroleerd door de ECB, wier taak het is te waken over de goede werking en de doeltreffendheid van het systeem van prudentieel toezicht, alsook over de coherente en eenvormige toepassing van de prudentiële regels in alle deelnemende lidstaten. Ten aanzien van de minder belangrijke instellingen oefent de ECB „indirect” toezicht uit, in het kader waarvan de NBA’s medewerking en bijstand verlenen aan de ECB. Daarnaast blijven diezelfde NBA’s bevoegd voor gebieden die niet vallen onder de GTM-basisverordening, te weten consumentenbescherming, markten voor financiële instrumenten, SWG/FT en bestrijding van corruptie (zie arrest van 6 oktober 2021, Ukrselhosprom PCF en Versobank/ECB, T‑351/18 en T‑584/18, EU:T:2021:669, punt 131).
84 In die omstandigheden staat het aan de NBA’s, in casu de FKTK, om de bestanddelen van de inbreuken op de wetgeving inzake SWG/FT vast te stellen, waarbij de ECB op haar beurt de juridische beoordeling verricht om vast te stellen of deze elementen en de vastgestelde inbreuken die aan het voorstel voor een besluit ten grondslag liggen grond opleveren voor een intrekking van de vergunning, alsook de beoordeling van de evenredigheid (zie naar analogie arrest van 6 oktober 2021, Ukrselhosprom PCF en Versobank/ECB, T‑351/18 en T‑584/18, EU:T:2021:669, punt 197).
85 Bovendien moet worden opgemerkt dat verzoekster niet heeft uitgelegd in welk opzicht het ontbreken van criteria voor de vaststelling van de zwaarte van de inbreuken op het gebied van SWG/FT tot een andere conclusie had moeten leiden dan die waartoe de FKTK met betrekking tot haar gedragingen ter zake is gekomen. Zij heeft evenmin uitgelegd in welk opzicht de vast te stellen criteria anders zouden zijn geweest dan die in het GTM-verslag van de EBA, ESMA en Eiopa van 31 mei 2022 (zie punt 39 hierboven). Verzoekster heeft enkel aangevoerd dat de tekortkomingen die zijn vermeld in de door de FKTK opgestelde rapporten inzake de inspecties ter plaatse ten onrechte als inbreuken zijn aangemerkt.
86 Wat in de vierde plaats het argument met betrekking tot besluit nr. 191 betreft dat geen van de inspectierapporten, waaronder het verslag van 2018, de vermeende vaststellingen bevat die de grondslag zouden vormen van het bestreden besluit, zij eraan herinnerd, zoals in wezen reeds is aangegeven in punt 72 hierboven, dat de ECB niet verplicht was om alle vaststellingen van de FKTK te verifiëren en haar beoordeling van de intrekking van de vergunning zeer wel mocht verrichten op basis van met name de in besluit nr. 191 vastgestelde inbreuken.
87 Wat ten slotte de beoordelingen betreft die zouden afdoen aan het vermoeden van onschuld van verzoekster, en meer bepaald punt 4.4.4 van het bestreden besluit en punt 11 van de bijlage daarbij, moet ten eerste worden vastgesteld dat het bestreden besluit het resultaat is van een administratieve procedure die los staat van de strafrechtelijke procedure tegen verzoekster. Ten tweede wordt in punt 11 van de bijlage bij het bestreden besluit en in punt 4.4.4 van dit besluit weliswaar verwezen naar de inleiding van die strafprocedure, maar, zoals uitdrukkelijk blijkt uit punt 11 van die bijlage, is dat vooral om de gevolgen van deze procedure voor de eigendomsrechten van bepaalde aandeelhouders te benadrukken. Bovendien, en zoals in wezen blijkt uit punt 4.4.4 van het bestreden besluit, wordt de inleiding van de strafprocedure vermeld om de eventuele gevolgen van dit strafbare feit te illustreren, hetgeen niets van doen heeft met de vraag of verzoekster al dan niet haar uit de relevante strafbepalingen voortvloeiende verplichtingen is nagekomen.
88 Uit een en ander volgt dat de ECB geen fouten heeft gemaakt, zoals die welke in punt 63 hierboven in herinnering zijn gebracht, door vast te stellen dat verzoekster aansprakelijk blijkt te zijn voor een ernstige inbreuk op de nationale bepalingen inzake SWG/FT in de zin van artikel 67, lid 1, onder o), van richtlijn 2013/36. Het eerste en het tweede middel moeten bijgevolg ongegrond worden verklaard.
89 In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals in punt 57 hierboven in wezen reeds is opgemerkt, het ter rechtvaardiging van de intrekking van de vergunning voldoende is dat een van de in artikel 67, lid 1, van richtlijn 2013/36 bedoelde inbreuken is gepleegd. In dit verband heeft de ECB in het kader van de procedure verduidelijkt dat elk van de drie in punt 2.6 van het bestreden besluit genoemde redenen op zichzelf de intrekking van de vergunning rechtvaardigde. In antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting heeft verzoekster erkend dit aspect niet te hebben betwist in het kader van de schriftelijke behandeling van de onderhavige procedure.
90 Aangezien verzoekster in casu niet op goede gronden heeft kunnen betwisten dat de intrekking van de vergunning gegrond kan zijn wegens een inbreuk op artikel 67, lid 1, onder o), van richtlijn 2013/36, hoeft niet te worden onderzocht of de ECB fouten heeft gemaakt door andere inbreuken in aanmerking te nemen, met name op grond van artikel 67, lid 1, onder d), van deze richtlijn, die volgens het bestreden besluit ten grondslag liggen aan de tweede en de derde reden. Ten overvloede zal het Gerecht echter het derde middel onderzoeken, waarmee deze laatste twee redenen worden betwist.
Derde middel
91 In het kader van haar derde middel is verzoekster in de eerste plaats van mening dat de ECB het bestreden besluit niet naar behoren heeft gemotiveerd voor zover het betrekking heeft op haar vermogen om een voorzichtige strategie, alsook beleid en procedures voor het detecteren, bewaken en beheren van haar risico’s te ontwikkelen en in te voeren. De conclusie in het bestreden besluit dienaangaande is op geen enkele juridische bepaling gebaseerd en de ECB heeft haar noch haar berekeningsmethoden, noch de resultaten van de concrete berekeningen ter ondersteuning van haar conclusie meegedeeld. De motivering is gebaseerd op algemene verklaringen, die zich in punt 6 van het bestreden besluit bevinden.
92 Hoewel verzoekster een afzonderlijke strategie heeft ontwikkeld om ervoor te zorgen dat haar kapitaal voor de periode tussen 2022 en 2024 toereikend bleef en heeft voldaan aan de vereisten van de Finanšu un kapitāla tirgus komisijas normatīvie noteikumi Nr. 227 (besluit nr. 227 van de FKTK) (hierna: „besluit nr. 227”) van 1 december 2020, met als opschrift „Iekšējās kontroles sistēmas izveides normatīvie noteikumi” (bepalingen betreffende de invoering van een intern controlesysteem), blijkt uit het bestreden besluit niet dat dit is onderzocht. Verzoekster voegt daaraan toe dat de door de FKTK gevraagde informatie veel gedetailleerder was dan die waarin is voorzien in besluit nr. 227 van de FKTK en dat de door deze autoriteit genoemde tekortkomingen op geen enkele wettelijke bepaling waren gebaseerd. De ECB heeft niet onderzocht waarin de door verzoekster begane inbreuken op de wettelijke bepalingen waarnaar zij in punt 6 van het bestreden besluit verwijst, bestonden.
93 Verzoekster wijst erop dat de FKTK geen enkel besluit heeft genomen over de verenigbaarheid van haar strategie, beleid en procedures om haar risico’s vast te stellen, te bewaken en te beheren met artikel 342, leden 1 en 2, van de wet op de kredietinstellingen. Dit heeft haar belet om op te komen tegen de besluiten die zijn genomen in het kader van de administratieve procedure die tot het bestreden besluit heeft geleid.
94 Verzoekster betwist voorts punt 6 van het bestreden besluit voor zover daarin is aangegeven dat artikel 342, leden 1 en 2, van de wet op de kredietinstellingen artikel 74, lid 2, van richtlijn 2013/36 omzet, hetgeen onjuist is. Noch artikel 74 van richtlijn 2013/36 noch enige andere bepaling van deze richtlijn vereist dat een voorzichtige strategie, en beleid en procedures om haar risico’s vast te stellen, te bewaken en te beheren worden ontwikkeld en ingevoerd. Artikel 74, lid 1, van richtlijn 2013/36 is omgezet bij artikel 341 van de wet op de kredietinstellingen, terwijl artikel 74, lid 2, van deze richtlijn is omgezet bij punt 5 van de Finanšu un kapitāla tirgus komisijas normatīvie noteikumi Nr. 233 (besluit nr. 233 van de FKTK) van 1 november 2012, met als opschrift „Iekšējās kontroles sistēmas izveides normatīvie noteikumi” (bepalingen inzake de invoering van een intern controlesysteem). Los van deze vermeende fout bevat punt 6 van het bestreden besluit geen analyse van de verenigbaarheid van verzoeksters beleid en procedures met artikel 342, leden 1 en 2, van de wet op de kredietinstellingen, waardoor zij de strekking van de jegens haar genomen maatregel niet kan begrijpen.
95 Volgens verzoekster heeft de ECB de derde reden voor het bestreden besluit niet gebaseerd op specifieke juridische bepalingen en zijn er geen uniforme richtsnoeren waarop de ECB zich had kunnen baseren om vast te stellen dat verzoeksters strategie mogelijk niet in overeenstemming was met de prudentiële vereisten. Overigens zijn de door de ECB in de loop van de onderhavige procedure genoemde criteria vaag en onnauwkeurig en zijn zij noch in richtsnoeren noch als criteria voor de beoordeling van de voorzichtigheid van een strategie gedefinieerd. Bovendien houdt de verwijzing in punt 6.1.3 van het bestreden besluit naar de brief van de FKTK van 10 februari 2022, waarin de verzoeken zijn geformuleerd, geen enkel verband met het vereiste in punt 1 van het dispositief van de Finanšu un kapitāla tirgus komisijas lēmums Nr. 105 (besluit nr. 105 van de FKTK) (hierna: „besluit nr. 105”) van 20 augustus 2021, op grond waarvan een actieprogramma moet worden opgesteld om de vastgestelde problemen te verhelpen.
96 De ECB heeft zich geconcentreerd op de strategie van de jaren 2022 tot en met 2024, maar heeft de strategieën van de daaraan voorafgaande jaren niet onderzocht. In punt 6.2.2 van het bestreden besluit verwijst de ECB naar het feit dat de in 2018 uit te voeren strategie verzoekster niet in staat stelde kapitaal te genereren om zich duurzaam te ontwikkelen en aan de prudentiële vereisten te voldoen. De verwijzing naar het feit dat de strategie niet in overeenstemming is met het hoge risico van verzoeksters activiteiten, is in algemene bewoordingen gesteld. De ECB heeft een beoordelingsfout gemaakt doordat verzoekster nog steeds solvent was toen zij haar beroep instelde en geen enkele belastingschuld had.
97 Verzoekster voegt hieraan toe dat de ECB ook beoordelingsfouten heeft gemaakt met betrekking tot de uitvoering van haar strategie. De overweging in punt 6.2.3 van het bestreden besluit betreffende het onvermogen om de onjuiste strategie te corrigeren en het aantrekken van nieuwe aandeelhouders is „niet ter zake dienend”, aangezien verzoekster, gelet op de toepassing van de haar door de FKTK opgelegde toezicht‑ en vroegtijdige-interventiemaatregelen, geen enkele strategie heeft kunnen uitvoeren. Bovendien is de beoordeling in punt 6.1.5 van het bestreden besluit niet op juridische bepalingen gebaseerd.
98 Verzoekster voegt hieraan toe dat in het bestreden besluit niet wordt aangegeven welke procedures en beleidsmaatregelen zij niet zou hebben uitgewerkt en uitgevoerd. In het besluit wordt evenmin aangegeven waar die feiten zijn vastgesteld, noch welke inbreuken zij zou hebben gepleegd. De ECB kan zich niet op besluit nr. 105 beroepen als motivering van het bestreden besluit.
99 In de tweede plaats betwist verzoekster de tweede reden voor de intrekking van de vergunning, te weten de voortdurende niet-nakoming van de in artikel 341, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen neergelegde verplichting om een doeltreffend systeem van intern toezicht in het kader van de werkzaamheden van de kredietinstelling in te stellen. In het bestreden besluit was de intrekking van de vergunning namelijk niet ingegeven door het ontbreken van een internecontrolesysteem of door het ontbreken van elementen als bedoeld in artikel 341, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen, noch door systematische en algemeen verbreide tekortkomingen, maar door het feit dat volgens de ECB tekortkomingen waren vastgesteld in de werking van het tussen 2019 en 2021 ingevoerde internecontrolesysteem. De ECB heeft geen rekening gehouden met de door verzoekster verstrekte informatie en heeft evenmin haar eigen onderzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke bepalingen verricht.
100 De ECB heeft niet nauwkeurig aangegeven hoe elk van de toepasselijke bepalingen is geschonden en heeft het aan het beleid van de instelling verbonden risico niet beoordeeld. Zij heeft met betrekking tot de concrete inhoud van verzoeksters activiteit geen enkel specifiek geval van strijdigheid met de toepasselijke bepalingen vermeld en in punt 5.2 van het bestreden besluit heeft zij enkel gewezen op ernstige tekortkomingen in de interne controle van verzoekster en op het nemen van buitensporige risico’s. Het is niet mogelijk vast te stellen, welke bepalingen van besluit nr. 227 niet in acht zijn genomen.
101 De ECB beroept zich enkel op artikel 341, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen en heeft niet aangegeven dat zij zich in het kader van haar beoordeling heeft gebaseerd op de bepalingen van besluit nr. 227. Overigens verwees de ECB, toen zij verwees naar de in 2019 door de FKTK verrichte controle, naar besluit nr. 227, dat pas op 10 december 2020 in werking is getreden. Bovendien volstaat een loutere beschrijving van de feiten niet om het bestaan van een inbreuk aan te tonen. Verzoekster heeft niet de mogelijkheid om de inhoud te verifiëren van de conclusie van de ECB in punt 5.2.3 van het bestreden besluit, volgens welke zij niet in staat was geweest een volledig en doeltreffend internecontrolesysteem op te zetten en te gebruiken. De bewoordingen van dit punt zijn dubbelzinnig en bevatten geen duidelijke en rechtstreekse verwijzing naar artikel 341, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen.
102 De ECB betwist verzoeksters betoog.
103 Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft bevestigd, kan het derde middel, ondanks het opschrift ervan, dat betrekking heeft op schending van de motiveringsplicht, in wezen worden onderverdeeld in twee onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan ontoereikende motivering met betrekking tot de tweede en de derde reden voor intrekking van de vergunning, en het tweede aan fouten die de ECB bij haar beoordeling van die redenen zou hebben gemaakt.
104 Wat het eerste onderdeel van het onderhavige middel betreft, ontleend aan een ontoereikende motivering, zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak de motivering die is vereist door met name artikel 296 VWEU, artikel 22, lid 2, tweede alinea, van de GTM-basisverordening en artikel 33, leden 1 en 2, van de GTM-kaderverordening moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (zie in die zin arrest van 8 mei 2019, Landeskreditbank Baden-Württemberg/ECB, C‑450/17 P, EU:C:2019:372, punt 85).
105 Of aan het motiveringsvereiste is voldaan, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die door de handeling worden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet vereist dat alle gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin deze is genomen, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arrest van 8 mei 2019, Landeskreditbank Baden-Württemberg/ECB, C‑450/17 P, EU:C:2019:372, punt 87).
106 De tweede en de derde reden, die volgens verzoekster onvoldoende gemotiveerd zijn, moeten worden onderzocht in de volgorde waarin zij in het bestreden besluit zijn opgenomen, met dien verstande dat zij intrinsiek met elkaar verbonden zijn.
107 Met name door in punt 5 van het bestreden besluit in te gaan op de tweede reden, die betrekking heeft op de verplichting om doeltreffende internecontrolesystemen in te voeren (artikel 341, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen), heeft de ECB haar analyse namelijk in een ruimere context geplaatst dan de derde reden, die het voorwerp is van punt 6 van dat besluit, dat betrekking heeft op het beheer door verzoekster van haar risico’s door de invoering van een voorzichtige strategie, en voorzichtige beleidsmaatregelen en procedures. Zo wordt in punt 5.1.1 van het bestreden besluit reeds verwezen naar het beheer van de in artikel 74, lid 1, van richtlijn 2013/36 neergelegde verplichting voor de onder toezicht staande entiteiten om te beschikken over een solide governanceregeling, met een duidelijke organisatiestructuur met duidelijk omschreven, transparante en samenhangende verantwoordelijkheden, doeltreffende procedures voor de detectie, het beheer, de bewaking en de rapportage van de risico’s waaraan de instellingen blootstaan of zouden kunnen worden blootgesteld, adequate internecontrolemechanismen, met inbegrip van deugdelijke administratieve en boekhoudkundige procedures. Voorts wordt in punt 5.1.2 naar de situatie van verzoekster met betrekking tot haar risicobeheer verwezen.
108 In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat het bestreden besluit toereikend is gemotiveerd wat de tweede reden betreft, waarover het gaat in punt 5 van het bestreden besluit.
109 In punt 5.1 van het bestreden besluit geeft de ECB immers aan op basis van welke elementen volgens haar kan worden vastgesteld dat de verplichting om doeltreffende internecontrolesystemen in te voeren, is geschonden. Deze elementen zijn nader uitgewerkt in de punten 5.1.1 tot en met 5.1.12 van dat besluit.
110 Voorts geeft de ECB in punt 5.2 van het bestreden besluit aan welke bepalingen volgens haar zijn geschonden. Zij noemt in dit verband artikel 341, lid 1, en artikel 27, lid 1, punt 8, van de wet op de kredietinstellingen, waarbij volgens haar artikel 18, onder f), van richtlijn 2013/36, gelezen in samenhang met artikel 67, lid 1, onder d), en artikel 74 van deze richtlijn, is omgezet. Deze bepalingen, de daarin neergelegde verplichtingen en de aan verzoekster verweten schendingen worden uitvoerig beschreven in de punten 5.2.1 tot en met 5.2.5 van het bestreden besluit.
111 Bovendien zet de ECB in punt 5.3 van het bestreden besluit uiteen tot welke conclusie zij is gekomen ter rechtvaardiging van de intrekking van de vergunning, die is ingegeven door de niet-nakoming van de verplichting om de betrokken internecontrolesystemen op te zetten. Zij wijst op de schending van deze verplichting, met name over een lange periode (punten 5.3.2 en 5.3.5 van het bestreden besluit) en herhaaldelijk (punten 5.3.2‑5.3.6 van het bestreden besluit).
112 Gesteld al dat de ECB niet alle informatie over de tweede reden heeft vermeld, blijkt evenwel dat, gelet op de in punt 105 hierboven in herinnering gebrachte vereisten, de in het bestreden besluit vermelde elementen volstaan om de betrokken reden en de redenen die op die grond tot intrekking van de vergunning hebben geleid, te begrijpen.
113 Wat verzoeksters argument betreft dat de ECB niet precies heeft aangegeven dat haar vermeende tekortkomingen niet in overeenstemming waren met de toepasselijke bepalingen, moet worden opgemerkt dat de ECB in punt 5.2 van het bestreden besluit, betreffende de inhoud van de verplichting waarop de tweede reden betrekking heeft, wel degelijk melding heeft gemaakt van alle bepalingen die volgens haar van toepassing waren, te weten artikel 341, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen, waarbij volgens haar artikel 74 van richtlijn 2013/36 is omgezet, en de artikelen 6 en 53 van besluit nr. 227, zodat, anders dan verzoekster stelt, kan worden vastgesteld welke bepalingen niet in acht zijn genomen.
114 Bovendien bekritiseert verzoekster weliswaar punt 5.2.3 van het bestreden besluit op grond dat zij de inhoud ervan niet kan verifiëren, maar er moet worden vastgesteld dat deze verificatie kan worden verricht op basis van de vaststellingen die tijdens de inspecties ter plaatse in 2019 en 2021 zijn gedaan en waarnaar in dat punt wordt verwezen. Verzoekster stelt niet dat zij de inhoud van dat punt 5.2.3 niet had kunnen betwisten door zich te baseren op de conclusies van de daarin bedoelde inspecties.
115 Wat in de tweede plaats de motivering van de derde reden betreft, die in punt 6 van het bestreden besluit wordt behandeld, volstaat de lezing ervan om eveneens vast te stellen dat er geen sprake is van een ontoereikende motivering.
116 In punt 6.1 van het bestreden besluit geeft de ECB namelijk aan op basis van welke elementen volgens haar kan worden vastgesteld dat er sprake is van schending van de verplichting om voorzichtige beleidslijnen en procedures vast te stellen en uit te voeren die verzoekster in staat stellen haar risico’s te beheren, waaronder de tijdige opsporing, evaluatie, analyse en bewaking van haar risico’s. Deze elementen zijn nader uitgewerkt in de punten 6.1.1 tot en met 6.1.7 van dat besluit.
117 In punt 6.2 van het bestreden besluit geeft de ECB aan welke bepalingen volgens haar zijn geschonden. Zij noemt in dit verband artikel 27, lid 1, punt 8, en artikel 342, leden 1 en 2, van de wet op de kredietinstellingen, waarbij volgens haar artikel 18, onder f), van richtlijn 2013/36, gelezen in samenhang met artikel 67, lid 1, onder d), en artikel 74, lid 2, van die richtlijn, in nationaal recht is omgezet. De betrokken bepalingen en de daarin opgenomen verplichtingen zijn nader uitgewerkt in de punten 6.2.1 tot en met 6.2.4 van het bestreden besluit.
118 In punt 6.3 van het bestreden besluit vermeldt de ECB de conclusie waartoe zij is gekomen om de intrekking van de vergunning te rechtvaardigen, gelet op de schending die ten minste was vastgesteld vanaf besluit nr. 105 tot oplegging van vroegtijdige-interventiemaatregelen aan verzoekster.
119 Vastgesteld moet worden dat verzoekster heeft deelgenomen aan de procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid, zodat zij op de hoogte was van de context waarin dit besluit is vastgesteld.
120 In deze context blijkt dat de in het bestreden besluit uiteengezette gegevens met betrekking tot de tweede en de derde reden verzoekster in staat hebben gesteld en het Gerecht in staat stellen de redenen te begrijpen waarom de vergunning is ingetrokken.
121 Deze conclusie wordt bevestigd door het feit dat verzoekster in het kader van het onderhavige middel de gegrondheid van het bestreden besluit betwist door aan te voeren dat de ECB beoordelingsfouten heeft gemaakt, het recht onjuist heeft toegepast of zich op onjuiste feitelijke gegevens heeft gebaseerd, met name in de punten 5.2, 6.1.5, 6.2.2 tot en met 6.2.4 en 6.3.1 van het bestreden besluit.
122 In die omstandigheden moet het eerste onderdeel van het derde middel, ontleend aan schending van de motiveringsplicht, ongegrond worden verklaard.
123 Wat het tweede onderdeel van het derde middel betreft, inzake de gegrondheid van de tweede en de derde reden, moet overeenkomstig de in punt 63 hierboven aangehaalde rechtspraak worden nagegaan of het bestreden besluit de gestelde fouten bevat.
124 Wat in de eerste plaats de tweede reden betreft, heeft de ECB besloten de vergunning in te trekken omdat verzoekster nog steeds niet had voldaan aan de in artikel 341, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen neergelegde verplichting om een doeltreffend systeem van intern toezicht in het kader van hun activiteiten op te zetten, welke verplichting is vastgelegd in de artikelen 6 en 53 van besluit nr. 227.
125 Vast staat dat artikel 341, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen het volgende bepaalt: „Een kredietinstelling zorgt voor de invoering en de werking van een omvattend en doeltreffend internecontrolesysteem dat is aangepast aan de aard, schaal en complexiteit van haar werkzaamheden. Het internecontrolesysteem bevat de volgende fundamentele elementen: 1) een organisatiestructuur die is afgestemd op de omvang en de operationele risico’s van de kredietinstelling en die voorziet in een duidelijke, ondubbelzinnige en systematische verdeling van de verplichtingen, vergunningen en verantwoordelijkheden met betrekking tot de uitvoering van en het toezicht op de activiteiten tussen de structurele eenheden en de verantwoordelijke werknemers van de kredietinstelling; 2) een systeem voor de identificatie, het beheer, het toezicht en de rapportage van de kenmerkende en potentiële risico’s van de activiteiten van de kredietinstelling; 3) internecontroleprocedures; 4) een beloningssysteem, met inbegrip van een genderneutraal beloningsbeleid.”
126 In artikel 74, leden 1 en 2, van richtlijn 2013/36 is het volgende bepaald: „1. De instellingen beschikken over solide governanceregelingen, waaronder een duidelijke organisatiestructuur met duidelijk omschreven, transparante en samenhangende verantwoordelijkheden, effectieve procedures voor de detectie, het beheer, de bewaking en de rapportage van de risico’s waaraan zij blootstaan of bloot kunnen komen te staan, adequate internecontrolemechanismen, zoals degelijke administratieve en boekhoudkundige procedures, en een beloningsbeleid en een beloningscultuur die in overeenstemming zijn met en bijdragen tot een degelijk en doeltreffend risicobeheer. 2. De in lid 1 bedoelde regelingen en processen zijn gedetailleerd uitgewerkt en staan in verhouding tot de aard, schaal en complexiteit van de risico’s die inherent zijn aan het bedrijfsmodel en de werkzaamheden van de instelling. De technische criteria vastgelegd in de artikelen 76 tot en met 95 worden in aanmerking genomen.”
127 Hieraan moet worden toegevoegd dat de FKTK besluit nr. 227 heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 341, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen.
128 Punt 6 van besluit nr. 227 bepaalt dat het internecontrolesysteem van een instelling zodanig is georganiseerd dat het bestuur van de instelling de redelijke zekerheid heeft dat, ten eerste, de activa van de instelling beschermd zijn tegen verliezen en tegen elk ongeoorloofd beheer en gebruik door onbevoegden en tegen de risico’s die verbonden zijn aan de activiteiten van de instelling, ten tweede, deze activa, gelet op het kapitaal van de instelling, de bestanddelen en het aandeel ervan betreft, toereikend zijn om de risico’s te dekken die inherent zijn aan de activiteiten van de instelling, en, ten derde, de instelling op redelijke, voorzichtige en doeltreffende wijze handelt, met volledige inachtneming van de uit de wet en andere rechtshandelingen voortvloeiende vereisten.
129 Bovendien bevat punt 53 van besluit nr. 227 de vereisten met betrekking tot het risicobeleid van de instelling, waaronder: – het opstellen van een actieplan waarin de richtsnoeren van de raad van toezicht en de raad van bestuur (tone from the top) worden vastgelegd met betrekking tot de van alle werknemers en leidinggevenden van de instelling verwachte handelingen voor risicobeheer, rekening houdend met de kernwaarden (core values) van de instelling; – verstrekking van informatie aan werknemers en leidinggevenden van de instelling waarvan de taken het nemen van risico’s voor rekening van de instelling omvat, over hun rol en verantwoordelijkheden bij de uitoefening van hun respectieve taken; – effectieve communicatie binnen de instelling om de kritische beoordeling van de naar voren gebrachte standpunten op het gebied van risicobeheer te vergemakkelijken; – de activiteiten die verband houden met het nemen van risico’s overeenkomstig het risicoprofiel van de instelling, haar langetermijnbelangen en haar doelstellingen.
130 Uit bovengenoemde bepalingen blijkt met name dat de betrokken regelingen en maatregelen moeten zijn afgestemd op de risico’s die worden gelopen.
131 In casu heeft de ECB in het bestreden besluit benadrukt dat verzoekster sinds 2018 een economisch model met een hoog risico had, hetgeen zij niet heeft betwist.
132 In deze context zijn bij verzoekster twee inspecties ter plaatse verricht, namelijk van 7 maart tot en met 30 april 2019 en van 10 mei tot en met 16 juli 2021. Na de eerste inspectie zijn tekortkomingen vastgesteld in het internecontrolesysteem voor risicobeheer, dat niet in overeenstemming was met het risiconiveau van verzoekster. Na de tweede inspectie is met name opgemerkt dat de tijdens de eerste inspectie vastgestelde tekortkomingen niet waren verholpen en dat verzoekster geen criteria of grenzen voor haar risicobeheer had vastgesteld. Uit de vaststellingen blijkt dat verzoekster bleef vasthouden aan haar ongeschikte praktijken.
133 Voorts wordt in punt 5.1 van het bestreden besluit een reeks voorbeelden van situaties en andere uit de inspecties voortvloeiende voorbeelden gegeven, waaruit blijkt dat de interne controlestructuur niet geschikt was voor verzoeksters bedrijfsmodel met een hoog risico. Gelet op de vastgestelde tekortkomingen in verzoeksters internecontrolesystemen en op haar onvermogen om corrigerende maatregelen vast te stellen en uit te voeren, heeft de ECB zich terecht op het standpunt gesteld dat de relevante bepalingen waren geschonden.
134 Zoals reeds is aangegeven in het kader van het eerste onderdeel van het derde middel, heeft de ECB wel degelijk melding gemaakt van de bepalingen van het Unierecht en het nationale recht die zij in het kader van de tweede reden als geschonden beschouwde. Zij verwees met name naar artikel 341, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen, maar ook naar de punten 6 en 53 van besluit nr. 227.
135 Wat verzoeksters andere argumenten betreft, blijkt om te beginnen met betrekking tot het argument dat de ECB slechts heeft verwezen naar leemten in het kader van verzoeksters activiteit die verband houden met de werking van het door haar ingevoerde internecontrolesysteem, en dat deze leemten noch structureel noch fundamenteel zijn, uit de in de punten 125 tot en met 129 hierboven vermelde bepalingen niet dat dergelijke leemten niet als toereikend kunnen worden beschouwd. Zoals in punt 130 hierboven reeds in herinnering is gebracht, moeten de regelingen en maatregelen aangepast zijn aan de gelopen risico’s en moeten, indien de risico’s hoog zijn, leemten en het voortduren van die leemten van dien aard zijn dat zij schendingen van de uit de betrokken bepalingen voortvloeiende verplichtingen kunnen aantonen.
136 Wat vervolgens de toepassing van artikel 341, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen en de punten 6 en 53 van besluit nr. 227 op de in punt 5 van het bestreden besluit vermelde leemten en voorbeelden betreft, moet worden opgemerkt dat uit niets kan worden afgeleid dat deze leemten en voorbeelden niet onder deze bepalingen konden vallen.
137 Verzoekster heeft betoogd dat de ECB niet kon verwijzen naar de bepalingen van besluit nr. 227, aangezien zij in 2019 door de FKTK was gecontroleerd, terwijl dat besluit pas op 10 december 2020 in werking is getreden. Opgemerkt zij dat het bestreden besluit ook is gebaseerd op een in 2021 verrichte inspectie ter plaatse en dat daarin is vermeld dat de tekortkomingen na 2020 hebben voortgeduurd, hetgeen betrekking heeft op feiten die dateren van na de inwerkingtreding van besluit nr. 227, zodat daarnaar kan worden verwezen.
138 Ten slotte betwist verzoekster punt 5.1.2 van het bestreden besluit op grond dat de ECB geen rekening heeft gehouden met de informatie die zij haar had verstrekt. Dit kan echter niet volstaan om de vaststellingen van de ECB in dat punt ter discussie te stellen, waarin wordt opgemerkt dat het mogelijk is dat bepaalde tekortkomingen van verzoekster zijn verholpen, maar dat dit niet heeft verhinderd dat zich andere leemten hebben voorgedaan en blijven voortduren.
139 Wat in de tweede plaats de derde reden betreft, heeft de ECB besloten de vergunning van verzoekster in te trekken omdat zij niet had voldaan aan haar verplichting om een voorzichtige strategie, en voorzichtige gedragslijnen en procedures vast te stellen en uit te voeren die haar in staat stellen haar risico’s te beheren, waaronder de tijdige detectie, beoordeling, analyse en bewaking van haar risico’s als bedoeld in artikel 342, leden 1 en 2, van de wet op de kredietinstellingen, waarbij artikel 74, lid 2, van richtlijn 2013/36 in nationaal recht is omgezet.
140 Volgens artikel 342, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen moet de kredietinstelling een voorzichtige strategie, en voorzichtige gedragslijnen en procedures ontwikkelen en uitvoeren die het beheer – met inbegrip van de tijdige detectie, beoordeling, analyse en bewaking – mogelijk maken van het kredietrisico en het kredietrisico van de medecontractant, het concentratierisico, het securitisatierisico, het marktrisico, het operationele risico, met inbegrip van het aan het bedrijfsmodel verbonden risico – met inbegrip van het risico dat inherent is aan het bedrijfsmodel –, de risico’s die voortvloeien uit het gebruik van uitbesteding, gebeurtenissen die zich weinig waarschijnlijk zullen voordoen maar dan significante gevolgen zouden hebben, het renterisico voor de niet-handelsportefeuille, het creditspreadrisico met betrekking tot de niet-handelsportefeuille, het resterende risico, het liquiditeitsrisico, het risico van buitensporige hefboomwerking en andere wezenlijke risico’s voor de kredietinstelling.
141 Artikel 342, lid 2, van de wet op de kredietinstellingen bepaalt dat de strategie, het beleid, de procedures en de systemen van de kredietinstelling afgestemd zijn op de complexiteit en omvang van haar activiteiten en op een aanvaardbaar risiconiveau dat door het bestuur van de kredietinstelling wordt bepaald, en dat zij worden ontwikkeld met inachtneming van het systeembelang van de kredietinstelling in elke lidstaat waar zij actief is.
142 Verzoekster betoogt dat artikel 342, leden 1 en 2, van de wet op de kredietinstellingen een verplichting invoert om een voorzichtige strategie te volgen, terwijl de bepalingen van richtlijn 2013/36 geen dergelijk vereiste opleggen.
143 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 74, lid 2, van richtlijn 2013/36 tot doel heeft te waarborgen dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde regelingen, procedures en mechanismen aangepast zijn aan de aard, schaal en complexiteit van de risico’s die de instelling loopt. In artikel 74, lid 1, van deze richtlijn wordt benadrukt dat de governanceregelingen, de procedures voor de detectie, het beheer, de bewaking en de rapportage van risico’s, en de internecontrolemechanismen respectievelijk solide, efficiënt en adequaat moeten zijn, en wordt ook verwezen naar een beloningsbeleid dat en beloningscultuur die in overeenstemming zijn met en bijdragen tot een degelijk en doeltreffend risicobeheer.
144 In de aldus door artikel 74 van richtlijn 2013/36 vastgelegde context wijst niets erop dat de ECB een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door, gelet op de door verzoekster gelopen risico’s, na te gaan of zij een voorzichtige strategie had gevoerd in het licht van artikel 342, leden 1 en 2, van de wet op de kredietinstellingen. De invoering van een dergelijke voorzichtige strategie kan juist een van de handelingen zijn waarmee de in artikel 74 van richtlijn 2013/36 omschreven doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt en gewaarborgd.
145 Verzoeksters argument dat is gebaseerd op de vraag welke bepaling van nationaal recht artikel 74 van richtlijn 2013/36 omzet, is dus niet ter zake dienend voor het onderzoek van de gegrondheid van de derde reden.
146 Wat voorts de vraag betreft of de ECB een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door niet te onderzoeken of het beleid en de procedures van verzoekster in overeenstemming waren met artikel 342, leden 1 en 2, van de wet op de kredietinstellingen, moet worden opgemerkt dat, zoals de ECB terecht heeft opgemerkt, de derde reden kennelijk aansluit bij de vaststelling in het kader van de tweede reden, die bestond in een analyse van de interne beleidslijnen en procedures van verzoekster, zodat niet kan worden geoordeeld dat deze beleidslijnen en procedures niet zijn onderzocht.
147 Hoe dan ook stond, aangezien artikel 342, leden 1 en 2, van de wet op de kredietinstellingen betrekking heeft op een verplichting die meerdere aspecten bestrijkt, niets eraan in de weg dat de ECB zich toespitste op bepaalde van deze aspecten, in casu verzoeksters strategie, om na te gaan of verzoekster haar uit die bepaling voortvloeiende verplichting was nagekomen. Artikel 342, leden 1 en 2, van de wet op de kredietinstellingen bepaalt niet dat een inbreuk slechts kan worden vastgesteld indien wordt geconstateerd dat de strategie, het beleid en de procedures niet aan de vastgestelde criteria voldoen.
148 Wat ten slotte de verschillende elementen betreft die de ECB in aanmerking heeft genomen om de niet-nakoming vast te stellen van de verplichting die de derde reden vormt, blijkt uit de punten 6.1.1 tot en met 6.1.7 van het bestreden besluit dat de ECB zich heeft gebaseerd op meerdere uitwisselingen tussen verzoekster en de FKTK. Uit deze uitwisselingen blijkt dat de verschillende pogingen van verzoekster om haar strategie te wijzigen, ontoereikend werden geacht om te voldoen aan de criteria van de toepasselijke bepalingen.
149 Verzoekster heeft verschillende van de door de ECB in aanmerking genomen elementen betwist. In dit verband moet worden opgemerkt dat, gesteld al dat de ECB een kennelijke beoordelingsfout zou hebben gemaakt met betrekking tot een van deze elementen, of zelfs al deze elementen samen, niets erop wijst dat de conclusie waartoe zij is gekomen zonder die vermeende fouten anders zou zijn geweest. Daartoe is namelijk vereist dat dergelijke fouten, afzonderlijk of gezamenlijk beschouwd, beslissend zijn geweest voor het bewijs van de derde reden. Gelet op het aantal andere vaststellingen in het kader van de uitwisselingen tussen de FKTK en verzoekster met betrekking tot verzoeksters strategie om haar financiële situatie te waarborgen, zoals die blijken uit punt 6.1 van het bestreden besluit, en met name het feit dat vaststaat dat verzoekster sinds 2017 verliezen boekte, haar winstgevendheid niet kon herstellen en buitensporige risico’s nam, mocht de ECB de derde reden voor de intrekking van de vergunning in aanmerking nemen.
150 Wat in het bijzonder punt 6.1.5 van het bestreden besluit betreft, heeft verzoekster bovendien aangegeven dat zij een nieuwe versie van haar strategie voor de periode tussen 2022 en 2024 had ingediend en dat de FKTK haar veel gedetailleerdere informatie had gevraagd dan is geregeld in de bepalingen van besluit nr. 227. Zoals de ECB heeft opgemerkt, mocht de FKTK volgens de bepalingen van de wet op de kredietinstellingen verzoekster verzoeken de door haar aangekondigde maatregelen ter versterking van het eigen vermogen in te voeren.
151 Wat punt 6.2.2 van het bestreden besluit betreft, heeft verzoekster met een beroep op haar financiële situatie betwist dat de uit te voeren strategie haar volgens de ECB niet in staat stelde kapitaal te genereren om zich duurzaam te ontwikkelen en voortdurend aan de prudentiële vereisten te voldoen. Zij heeft erop gewezen dat jegens haar geen insolventieprocedure was geopend. Zoals de ECB heeft benadrukt, had de FKTK vastgesteld dat verzoekster sinds 2017 verlies leed en er niet in was geslaagd haar winstgevendheid te herstellen. Zij had ook gewezen op verschillende aspecten die wezen op het precaire karakter van verzoeksters financiële situatie, alsook met name op het feit dat de – ook door bepaalde investeringen veroorzaakte – verliezen jaar na jaar opliepen, en op het onrealistische karakter van de voorgenomen uitgifte van aanvullende kapitaalobligaties. In deze context wijst niets erop dat de overwegingen in punt 6.2.2 van het bestreden besluit met betrekking tot verzoeksters financiële situatie onjuist waren.
152 Wat punt 6.2.3 van het bestreden besluit betreft, is verzoekster van mening dat de overweging dat het onmogelijk was om haar onjuiste strategie te corrigeren en nieuwe aandeelhouders aan te trekken, „niet ter zake dienend” was, aangezien zij in de periode na augustus 2021 geen enkele strategie had kunnen uitvoeren, gelet op de toepassing van de haar door de FKTK opgelegde toezicht‑ en vroegtijdige-interventiemaatregelen. Een dergelijk argument kan echter niet aantonen dat de conclusie van de ECB dat het ontbreken van een voorzichtige strategie en van een levensvatbaar economisch model tot gevolg had dat verzoekster afhankelijk was van extra investeringen, gelet op de sinds lange tijd gecumuleerde verliezen, onjuist was.
153 Wat punt 6.2.4 van het bestreden besluit betreft, betoogt verzoekster dat de ECB ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat zij in overeenstemming met haar strategie van 2018 had gefunctioneerd, en dat zij in dat verband geen rekening had gehouden met verschillende elementen. Aangezien deze elementen echter slechts een herhaling zijn van de eerder onderzochte argumenten, die zijn aangevoerd om de beoordeling van de ECB te betwisten en die niet als gegrond zijn beschouwd, kunnen zij niet aantonen dat de ECB een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
154 Wat punt 6.3.1 van het bestreden besluit betreft, is verzoekster van mening dat de ECB niet kan verwijzen naar de ernst en de duur van de inbreuk, terwijl punt 6 van dat besluit geen enkel onderzoek van die ernst en duur bevat. Punt 6.3.1 van het bestreden besluit is echter de conclusie van alle elementen die in de punten 6.1.1 tot en met 6.2.4 zijn genoemd als feiten die inbreuken vormen, nadat deze feiten aan de toepasselijke bepalingen zijn getoetst. In het kader van een dergelijke beoordeling kon de ECB kennelijk op goede gronden tot de slotsom komen dat er sprake was van een ernstige inbreuk van een bepaalde duur.
155 Verzoekster toont dus niet aan dat de ECB fouten heeft gemaakt als die welke zijn vermeld in punt 63 hierboven door de tweede en de derde reden in aanmerking te nemen als grondslag voor de intrekking van de vergunning.
156 Bijgevolg moet het derde middel ongegrond worden verklaard.
Vierde middel
157 Verzoekster betoogt in wezen dat de ECB het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, dat overeenkomt met het in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest verankerde recht van eenieder om te worden gehoord en het in artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest neergelegde recht om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier, en dat het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht op effectieve rechterlijke bescherming omvat.
158 In de eerste plaats herinnert verzoekster aan de rechtspraak volgens welke alleen de rechterlijke instanties van de Unie effectieve rechterlijke bescherming kunnen bieden tegen handelingen waarbij de nationale autoriteiten en de ECB betrokken zijn en die zijn gericht op de uitvoering van het GTM. Deze exclusieve bevoegdheid van de Unierechter omvat de toetsing van de wettigheid van handelingen ter voorbereiding van bepaalde besluiten of voorstellen voor besluiten van de betrokken nationale autoriteiten, die van invloed kunnen zijn op de inhoud van het definitieve besluit van de ECB.
159 In dit verband voert verzoekster aan dat het voorstel voor een besluit in wezen is gebaseerd op de in de besluiten nr. 215 en nr. 216 uiteengezette argumenten en omstandigheden.
160 Verzoekster voegt daaraan toe dat de besluiten nr. 215 en nr. 216 belangrijke leemten vertonen die niet alleen haar rechten op ongerechtvaardigde wijze hebben beperkt en haar belangen hebben geschaad, maar ook hebben geleid tot de vaststelling door de ECB van een onjuist en ongerechtvaardigd besluit. De ECB had alle door de FKTK vastgestelde besluiten moeten onderzoeken en daarbij haar recht op een eerlijk proces en op een redelijke en evenredige procedure moeten waarborgen. Krachtens haar algemene toezichtbevoegdheid moet de ECB erop toezien dat de nationale autoriteiten de regels van het GTM uit de GTM-kaderverordening, met inbegrip van de daarmee verband houdende nationale wetgeving, naleven. De ECB moet een volledige toetsing verrichten van de wettigheid van de door de nationale autoriteiten ingediende voorstellen tot intrekking van de vergunning en van de voorbereidende maatregelen, met name in het licht van het evenredigheidsbeginsel en de fundamentele procedurele waarborgen van het Unierecht.
161 In de tweede plaats wijst verzoekster erop dat de conformiteitsbeoordeling en besluit nr. 215 moeten worden beschouwd als voorbereidende handelingen van het bestreden besluit, die onder de algemene toezichtbevoegdheden van de ECB vallen, en dat de aan de FKTK voorgelegde handelingen moeten worden getoetst. De ECB heeft deze toetsing niet of onvoldoende verricht. De ECB heeft de voorbereidende handelingen, waaronder besluit nr. 215, niet onderzocht. Dit laatste besluit is een administratieve handeling van een autoriteit jegens een of meer individueel aangewezen personen, die een rechtsverhouding vaststelt, wijzigt, vastlegt of beëindigt of een feitelijke betrekking vaststelt. Het besluit bevat twee beslissingen, één over de niet-toepassing van een afwikkelingsmaatregel en één over de indiening van een voorstel tot intrekking van een vergunning bij de ECB. Verzoekster voegt hieraan toe dat de ECB over een beoordelingsbevoegdheid beschikt om te beslissen over de intrekking van de vergunning en dat het door de FKTK opgestelde ontwerpbesluit niet bindend is. De betrokkenheid van de nationale autoriteiten bij de procedure die tot de vaststelling van handelingen van de Unie leidt, kan niet afdoen aan de kwalificatie als handelingen van de Unie, wanneer de handelingen van de nationale autoriteiten een fase vormen van een procedure waarin een instelling van de Unie de beslissingsbevoegdheid alleen uitoefent, zonder gebonden te zijn aan de voorbereidende handelingen of voorstellen van de nationale autoriteiten.
162 Voorts merkt verzoekster op dat artikel 62 van de wet inzake het bestuursprocesrecht de administratie verplicht om zich uit te spreken over de vaststelling van een administratieve handeling die voor de adressaat ervan bezwarend kan zijn, en daarbij diens standpunt en argumenten in de betrokken zaak te onderzoeken. Zij voegt daaraan toe dat zelfs in het geval van een verplichte administratieve handeling, een wettelijke bepaling alleen maar kan worden toegepast indien een partij in de procedure over de mogelijkheid beschikt om informatie te verstrekken over belangrijke omstandigheden. De FKTK heeft in besluit nr. 215 aangegeven waarom zij verzoekster niet had gehoord. Volgens verzoekster vormde het feit dat de FKTK met haar afspraken over het afwikkelingsplan had gemaakt echter een handeling die geen deel uitmaakte van de administratieve procedure die tot de vaststelling van besluit nr. 215 heeft geleid. De door de FKTK aangevoerde rechtvaardiging kan dus niet worden beschouwd als een voldoende reden om verzoekster niet te horen.
163 In de derde plaats stelt verzoekster dat de ECB tijdens de procedure tot vaststelling van het bestreden besluit haar recht op toegang tot het dossier heeft geschonden. Dienaangaande betoogt zij dat het recht van verweer van de betrokken personen volgens artikel 22, lid 2, van de GTM-basisverordening ten volle wordt geëerbiedigd in de loop van de procedure. Deze personen zijn volgens haar gerechtigd toegang tot het dossier van de ECB te krijgen, onder voorbehoud van het rechtmatige belang dat andere personen bij de bescherming van hun bedrijfsgeheimen kunnen hebben. In dit verband voert verzoekster aan dat zij in het kader van de vaststelling van besluit nr. 215 geen toegang heeft gehad tot de conformiteitsbeoordeling. Deze beoordeling is haar evenmin meegedeeld toen zij haar recht van toegang tot het dossier heeft uitgeoefend in het kader van de procedure tot vaststelling van het bestreden besluit. De FKTK en de ECB hebben aldus artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest geschonden door haar de mogelijkheid te ontzeggen kennis te nemen van de conformiteitsbeoordeling.
164 In de vierde plaats heeft de ECB verzoekster een buitensporig korte termijn toegekend om haar opmerkingen over het voorstel voor een besluit in te dienen. Op 30 januari 2023 heeft de ECB haar een brief gestuurd met het verzoek om opmerkingen over het voorstel voor een besluit in te dienen en daartoe heeft zij een termijn van vijf dagen vastgesteld. Verzoekster heeft bij de ECB een verzoek om verlenging van deze termijn ingediend, maar de ECB heeft slechts vier extra werkdagen toegekend en heeft geweigerd een termijn van twintig dagen en vervolgens vijftien dagen toe te kennen. De ECB heeft haar besluit om haar een verkorte termijn voor de indiening van haar opmerkingen toe te kennen, niet gemotiveerd.
165 Verzoekster voegt hieraan toe dat indien zij in het kader van de procedure betreffende besluit nr. 215 was gehoord en zij ten minste twee weken had gehad om haar schriftelijke opmerkingen over het voorstel voor een besluit in te dienen, zij opmerkingen had kunnen maken over de in het kader van haar eerste, tweede en derde middel vermelde feitelijke en juridische elementen. Zij is dan ook van mening dat, indien zij was gehoord, de uitkomst van de procedure anders zou zijn geweest.
166 De ECB betoogt dat het middel ongegrond moet worden verklaard.
167 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of de ECB de besluiten nr. 215 en nr. 216 had moeten toetsen, moet ten eerste worden opgemerkt dat het eerste van deze twee besluiten is vastgesteld in het kader van een afwikkelingsprocedure, die los stond van de procedure inzake de intrekking van de vergunning, die tot het bestreden besluit heeft geleid. Deze afwikkelingsprocedure valt in de eerste plaats onder de bevoegdheid van de NBA’s, terwijl de procedure tot intrekking van de vergunning weliswaar begint met een onderzoek door de NBA, maar eindigt met een besluit van de ECB.
168 Ten tweede wordt in punt 3.4 van het bestreden besluit weliswaar verwezen naar besluit nr. 216, maar deze verwijzing blijkt te zijn gedaan in het kader van de uiteenzetting van het feitelijke en contextuele kader. Uit deze omstandigheid kan niet worden afgeleid dat het bestreden besluit zowel op dat besluit als op besluit nr. 215 is gebaseerd om de intrekking van de vergunning te rechtvaardigen. Zoals de ECB heeft opgemerkt, maakt de verklaring van de FKTK dat verzoekster faalde of waarschijnlijk zou falen deel uit van een procedure die losstaat van de procedure die leidt tot de intrekking van de vergunning.
169 Hoe dan ook, zoals in het kader van het onderzoek van het eerste en het tweede middel is vastgesteld, moet de ECB bij het nemen van haar besluit weliswaar krachtens artikel 83, lid 2, van de GTM-kaderverordening met name rekening houden met haar onderzoek van de omstandigheden die de intrekking rechtvaardigen, maar dit betekent niet dat zij kennis moet nemen van alle andere besluiten die de NBA’s in het kader van hun bevoegdheden nemen. Zoals in punt 72 hierboven in herinnering is gebracht, is de ECB bevoegd om een vergunning in te trekken op basis van de bevindingen van de NBA’s.
170 Wat in de tweede plaats de gestelde schending van het recht op toegang tot de conformiteitsbeoordeling in het kader van de vaststelling van besluit nr. 215 betreft, moet worden opgemerkt dat verzoeksters argument betrekking heeft op een andere procedure dan die welke leidt tot de intrekking van de vergunning, zodat het als niet ter zake dienend moet worden afgewezen.
171 Wat in de derde plaats de gestelde ontoereikende termijn voor de uitoefening van het recht om te worden gehoord betreft, zij eraan herinnerd dat verzoekster in totaal negen werkdagen heeft gekregen om haar opmerkingen over het ontwerp van het bestreden besluit in te dienen, die vier dagen bovenop de aanvankelijke vijf dagen omvatten. Niet betwist wordt dat het betrokken ontwerpbesluit slechts twee documenten bevatte waarvan verzoekster niet vooraf kennis had gekregen.
172 In dat verband blijkt uit artikel 31, lid 3, eerste alinea, van de GTM-kaderverordening dat de partij in een toezichtprocedure van de ECB in principe in de gelegenheid wordt gesteld zich schriftelijk uit te laten binnen een tijdslimiet van twee weken na ontvangst van een kennisgeving waarin de feiten, punten van bezwaar en rechtsgronden waar de ECB haar toezichtbesluit op wenst te baseren zijn weergegeven. Artikel 31, lid 3, derde alinea, van deze kaderverordening bepaalt dat de ECB in bijzondere omstandigheden de termijn kan verkorten tot drie werkdagen en dat de termijn ook wordt verkort tot drie werkdagen in de in de artikelen 14 en 15 van de GTM-basisverordening genoemde situaties, en dus met name in het geval van een in artikel 14, lid 5, van die verordening bedoeld besluit tot intrekking van de vergunning.
173 Gelet op de geldende regeling, de mogelijkheid om de termijn in te korten en het feit dat verzoekster vooraf niet op de hoogte was van slechts twee van de bij het ontwerpbesluit gevoegde documenten, blijkt niet dat de ECB verzoeksters recht om te worden gehoord heeft geschonden door te voorzien in een termijn van vijf dagen, die vervolgens met vier dagen is verlengd, voor de indiening van opmerkingen over het ontwerpbesluit.
174 Bovendien moet worden benadrukt dat verzoekster de rechtmatigheid van de verkorte termijn van artikel 31, lid 3, derde alinea, van de GTM-kaderverordening niet ter discussie heeft gesteld. Daarbij zij aangetekend dat reeds werd geoordeeld dat de Uniewetgever de redelijkheid van de in deze bepalingen vastgestelde termijn heeft beoordeeld door de tegengestelde belangen af te wegen, namelijk enerzijds de particuliere belangen van kredietinstellingen om te kunnen beschikken over een zo lang mogelijke termijn voor het kenbaar maken van hun opmerkingen en anderzijds het algemeen belang bij een zo spoedig mogelijk herstel van de wettigheid (zie arrest van 6 oktober 2021, Ukrselhosprom PCF en Versobank/ECB, T‑351/18 en T‑584/18, EU:T:2021:669, punt 374).
175 Gelet op een en ander moet verzoeksters vierde middel ongegrond worden verklaard en moet het beroep dus in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
176 Volgens artikel 134, lid 1, van het reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de ECB te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Tiende kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Baltic International Bank SE wordt verwezen in de kosten.
Porchia Jaeger Nihoul Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 4 juni 2025. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Lets.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 12 september 2024, C-579/22, ECLI:EU:C:2024:731
- HvJ EU 8 februari 2024, C-256/22, ECLI:EU:C:2024:125
- HvJ EU 22 juni 2023, C-6/21, ECLI:EU:C:2023:502
- HvJ EU 4 mei 2023, C-389/21, ECLI:EU:C:2023:368
- HvJ EU 10 november 2022, C-211/20, ECLI:EU:C:2022:862
- Gerecht EU 22 juni 2022, T-797/19, ECLI:EU:T:2022:389
- Gerecht EU 6 oktober 2021, T-351/18, ECLI:EU:T:2021:669
- HvJ EU 2 september 2021, C-928/19, ECLI:EU:C:2021:656
- HvJ EU 5 november 2019, C-663/17, ECLI:EU:C:2019:923
- HvJ EU 8 mei 2019, C-450/17, ECLI:EU:C:2019:372