HvJ EU 3 april 2025, C-686/23, ECLI:EU:C:2025:240

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

3 april 2025 ( *1 )

„Hogere voorziening – Specifiek programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van biowetenschappelijk onderzoek – Seapura-project – Subsidieovereenkomst – Auditverslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) – Ontdekking van fraude of financiële onregelmatigheden – Terugvordering van de betaalde bijdrage van de Europese Unie – Debetnota – Schuldvordering van de Unie – Verjaring – Overeenkomst die wordt beheerst door het Belgische recht – Opening van een insolventieprocedure ten aanzien van de schuldenaar in Frankrijk – Indiening van een schuldvordering door de Europese Commissie – Verordening (EG) nr. 1346/2000 – Rechtstreekse toepassing – Stuiting van de verjaringstermijn naar Belgisch recht”

In zaak C‑686/23 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 16 november 2023,

Centre d’étude et de valorisation des algues SA (CEVA), gevestigd te Pleubian (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Raccah, avocat,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Estrada de Solà en M. Ilkova als gemachtigden, bijgestaan door E. Bouttier, avocat,

verzoekster in eerste aanleg,

SELARL AJIRE, gevestigd te Rennes (Frankrijk),

SELARL TCA, gevestigd te Saint-Brieuc (Frankrijk),

verweersters in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: S. Rodin (rapporteur), kamerpresident, N. Piçarra en O. Spineanu-Matei, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt Centre d’étude et de valorisation des algues SA (CEVA) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 6 september 2023, Commissie/CEVA e.a. (T‑748/20, EU:T:2023:521; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het bedrag van de schuldvordering van de Europese Commissie tot terugbetaling van de subsidies die zijn betaald in het kader van de met CEVA gesloten financieringsovereenkomst voor de uitvoering van een project in het kader van het specifieke programma voor onderzoek en ontwikkeling, met als titel „Kwaliteit van het bestaan en beheer van de biologische hulpbronnen” (hierna: „litigieuze schuldvordering”), is vastgesteld op 168220,16 EUR, vermeerderd met vertragingsrente.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

2 Artikel 71 van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 248, blz. 1), met als opschrift „Vaststelling van schuldvorderingen”, bepaalde in de op de feiten van de onderhavige hogere voorziening toepasselijke versie, in de leden 1 tot en met 3: „1. De vaststelling van een schuldvordering is de handeling waarbij de gedelegeerde of gesubdelegeerde ordonnateur: a) het bestaan van de schuld van de debiteur verifieert; b) het bestaan en het bedrag van de schuld vaststelt of verifieert; c) de invorderbaarheid van de schuld verifieert. 2. De ter beschikking van de Commissie te stellen eigen middelen en elke als zeker, vaststaand en invorderbaar aangemerkte schuldvordering worden vastgesteld door middel van een invorderingsopdracht aan de rekenplichtige, gevolgd door een aan de debiteur gerichte debetnota, welke beide worden opgesteld door de bevoegde ordonnateur.” 3. Ten onrechte betaalde bedragen worden teruggevorderd.

3 Artikel 3 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB 2000, L 160, blz. 1), met als opschrift „Internationale bevoegdheid”, bepaalde in de op de feiten toepasselijke versie, in de leden 1 en 2: „1. De rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn. 2. Wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar op het grondgebied van een lidstaat gelegen is, zijn de rechters van een andere lidstaat slechts tot opening van een insolventieprocedure ten aanzien van deze schuldenaar bevoegd indien hij op het grondgebied van laatstgenoemde lidstaat een vestiging bezit. De gevolgen van deze procedure gelden alleen ten aanzien van de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden.”

4 Artikel 4 van verordening nr. 1346/2000, met als opschrift „Toepasselijk recht”, bepaalde in lid 2: „Het recht van de lidstaat waar de [insolventieprocedure] wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name: […] f) de gevolgen van de insolventieprocedure voor individuele vervolgingen met uitzondering van lopende rechtsvorderingen; […]”

5 Artikel 16 van deze verordening, met als opschrift „Beginsel”, bepaalde in lid 1: „Elke beslissing tot opening van een insolventieprocedure, genomen door een krachtens artikel 3 bevoegde rechter van een lidstaat, wordt erkend in alle andere lidstaten zodra de beslissing rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de procedure is geopend. […]”

6 Artikel 17 van die verordening, met als opschrift „Gevolgen van de erkenning” bepaalde in lid 1: „De opening van een procedure als bedoeld in artikel 3, lid 1, heeft, zonder enkele verdere formaliteit, in de andere lidstaten de gevolgen die daaraan worden verbonden bij het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend, tenzij deze verordening anders bepaalt, en zolang in die andere lidstaten geen procedure als bedoeld in artikel 3, lid 2, is geopend.”

Belgisch recht

7 Artikel 1134 van het Belgische burgerlijk wetboek, in de op de feiten van de onderhavige hogere voorziening toepasselijke versie (hierna: „Belgisch burgerlijk wetboek”), bepaalde: „Alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, strekken degenen die deze hebben aangegaan, tot wet. […] Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht.”

8 Artikel 2257 van het Belgische burgerlijk wetboek luidde als volgt: „De verjaring loopt niet: Ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is; […]”

9 Artikel 2262 bis, lid 1, eerste alinea, van het Belgische burgerlijk wetboek luidde als volgt: „Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.”

Frans recht

10 Artikel L. 622‑21‑I van het Franse wetboek van koophandel, in de versie die van toepassing is op de feiten van de onderhavige hogere voorziening (hierna: „Frans wetboek van koophandel”), bepaalde: „Het inleidende vonnis stuit of verbiedt elke rechtsvordering van alle schuldeisers wier schuldvordering niet in artikel L. 622‑17-I is vermeld en die strekt tot: 1 ° veroordeling van de schuldenaar tot betaling van een geldsom; 2 ° ontbinding van een overeenkomst wegens niet-betaling van een geldsom.”

11 Artikel L. 622‑24 van het Franse wetboek van koophandel luidde: „Vanaf de bekendmaking van het vonnis dienen alle schuldeisers wier schuldvordering vóór het vonnis tot inleiding van de procedure is ontstaan, met uitzondering van de werknemers, binnen de bij decreet van de raad van state vastgestelde termijnen hun schuldvorderingen in bij de curator. Wanneer de schuldeiser overeenkomstig artikel L. 622‑26 een nieuwe termijn krijgt, beginnen de termijnen pas te lopen vanaf de kennisgeving van die beslissing; zij worden dan met de helft verkort. Aan schuldeisers die houder zijn van een openbaar gemaakt zekerheidsrecht of die door een gepubliceerde overeenkomst aan de schuldenaar zijn gebonden, wordt persoonlijk of, in voorkomend geval, op hun gekozen woonplaats mededeling gedaan. De indieningstermijn loopt voor deze laatsten vanaf de kennisgeving van die mededeling. […]”

12 Artikel L. 622‑25‑I van dit wetboek bepaalde: „De indiening van de schuldvordering stuit de verjaring totdat de procedure is beëindigd, zonder dat enige ingebrekestelling vereist is. Zij geldt als daad van rechtsvervolging.”

Seapura-overeenkomst

13 Artikel 2, lid 1, van de op 17 januari 2001 tussen de Commissie en CEVA gesloten overeenkomst, die tot doel had een project uit te voeren in het kader van het specifieke programma voor onderzoek en ontwikkeling met de benaming „Kwaliteit van het bestaan en beheer van de biologische hulpbronnen” (hierna: „Seapura-project”) en die voorzag in de betaling van een subsidie van 123735 EUR (hierna: „Seapura-overeenkomst”), bepaalt: „De looptijd van het project bedraagt 36 maanden vanaf 1 februari 2001.”

14 Artikel 5, leden 1 en 2, van de Seapura-overeenkomst luidt: „1. Deze overeenkomst wordt beheerst door het Belgische recht. 2. Het [Gerecht] en, in geval van hogere voorziening, het [Hof] zijn bij uitsluiting bevoegd om kennis te nemen van geschillen tussen de [Europese Unie] en de contractanten, over de geldigheid, de toepassing of de uitlegging van deze overeenkomst.”

15 Artikel 3, lid 5, van bijlage II bij deze overeenkomst bepaalt: „Na het verstrijken van de looptijd van het contract, of na opzegging van het contract of beëindiging van de deelneming van een contractant, kan of zal de Commissie – naargelang van het geval – naar aanleiding van in het kader van een audit vastgestelde fraude of ernstige financiële onregelmatigheden van de contractant terugbetaling vorderen van het totale bedrag aan betaalde communautaire bijstand. […]”

Voorgeschiedenis van het geding

16 De voorgeschiedenis van het geding is weergegeven in de punten 2 tot en met 22 van het bestreden arrest.

17 Op 17 januari 2001 heeft de Commissie met CEVA de Seapura-overeenkomst gesloten die voorzag in de betaling van een subsidie van 123735 EUR.

18 In 2006 heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) een onderzoek ingesteld naar aanleiding van vermoedens van fraude die betrekking hadden op meerdere door CEVA uitgevoerde projecten, waaronder het Seapura-project.

19 Op 11 december 2007 heeft OLAF zijn definitieve verslag over dat onderzoek opgesteld (hierna: „OLAF-verslag”) waarin is geconstateerd dat bij de uitvoering van de Seapura-overeenkomst onregelmatigheden waren begaan, die met name bestonden in vervalsingen van de formulieren voor het beheer van de arbeidstijd van het personeel van CEVA.

20 Bij brief van 29 oktober 2008 heeft de Commissie CEVA in kennis gesteld van haar voornemen om wegens de in het OLAF-verslag vastgestelde ernstige onregelmatigheden debetnota’s ten bedrage van 123735 EUR, vermeerderd met rente, uit te geven met het oog op de terugbetaling van de uit hoofde van de Seapura-overeenkomst uitgekeerde subsidie.

21 Op 13 maart 2009 heeft de Commissie aan CEVA vier debetnota’s voor een totaalbedrag van 168220,16 EUR (hierna: „debetnota’s”) doen toekomen.

22 Aangezien CEVA geen gevolg had gegeven aan de debetnota’s en de vier herinneringsbrieven van de Commissie van 11 mei 2009, heeft deze instelling haar op 12 juni 2009 vier aanmaningsbrieven betekend.

23 Op 17 juli 2009 heeft CEVA bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van die herinneringsbrieven ingesteld.

24 Bij arrest van 15 september 2011, CEVA/Commissie (T‑285/09, EU:T:2011:479), heeft het Gerecht dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

25 Bij vonnis van de tribunal correctionnel de Rennes (rechter in eerste aanleg, bevoegd voor bepaalde strafzaken Rennes, Frankrijk) van 26 april 2011 zijn CEVA en haar voormalige directeur schuldig bevonden aan oplichting en verduistering van overheidsmiddelen. Daarbij zijn zij veroordeeld tot respectievelijk een geldboete van 80000 EUR en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden. Naar aanleiding van de door de Commissie ingestelde burgerlijke rechtsvordering heeft deze rechtbank de verdachten – deels in solidum – veroordeeld om aan de Commissie het bedrag van 303631 EUR te betalen als vergoeding van de materiële schade die zij met name heeft geleden ten gevolge van de financiële onregelmatigheden die waren begaan bij de uitvoering van de Seapura-overeenkomst.

26 Bij vonnis van 1 april 2014 heeft de cour d’appel de Rennes (rechter in tweede aanleg Rennes, Frankrijk) CEVA en haar voormalige directeur vrijgesproken van alle tenlasteleggingen, en de civiele vordering van de Commissie afgewezen.

27 Bij arrest van 12 november 2015 heeft de strafkamer van de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) dat vonnis van 1 april 2014 vernietigd, doch enkel wat de vrijspraak van de verdachten ter zake van verduistering van overheidsmiddelen betreft, en heeft deze rechter de zaak in zoverre terugverwezen naar de cour d’appel de Caen.

28 Bij vonnis van 22 juni 2016 heeft de tribunal de commerce de Saint-Brieuc (handelsrechter Saint-Brieuc, Frankrijk) een zogenoemde „herstel-insolventieprocedure” geopend ten aanzien van CEVA (hierna: „herstelprocedure”) en SELARL TCA aangewezen als curator.

29 Op 15 september 2016 heeft de Commissie in het kader van de herstelprocedure een schuldvordering ingediend voor het totale bedrag van de debetnota’s die waren uitgegeven met het oog op de terugbetaling van de subsidies, waaronder de subsidies die in het kader van de Seapura-overeenkomst waren betaald, voor een hoofdsom van 289012,95 EUR, vermeerderd met vertragingsrente, oftewel in totaal 431002,18 EUR.

30 Op 6 december 2016 heeft TCA de schuldvordering van de Commissie betwist.

31 Bij vonnis van 21 juli 2017 heeft de tribunal de commerce de Saint-Brieuc het herstelplan voor CEVA vastgesteld en SELARL AJIRE aangewezen als commissaris die belast is met de uitvoering van het herstelplan.

32 Bij vonnis van 23 augustus 2017, dat onherroepelijk is geworden, heeft de cour d’appel de Caen, die uitspraak deed op terugverwijzing na cassatie, CEVA vrijgesproken ter zake van verduistering van overheidsmiddelen en haar voormalige directeur wegens verduistering van overheidsmiddelen veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van 20000 EUR.

33 Bij beschikking van 11 september 2017 heeft de rechter-commissaris in de herstelprocedure de ingediende schuldvordering van de Commissie in haar geheel afgewezen.

34 De Commissie heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld.

35 Bij vonnis van 24 november 2020 heeft de cour d’appel de Rennes die beschikking vernietigd en daarbij vastgesteld dat er sprake was van twee ernstige betwistingen die betrekking hebben op de indiening van de schuldvordering van de Commissie, wat de verjaring en de gegrondheid van de debetnota’s betreft, en overwogen dat deze betwistingen moesten worden beslecht door de bevoegde rechter, die door de Commissie moest worden aangezocht.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

36 Op 19 december 2020 heeft de Commissie krachtens artikel 272 VWEU op grond van het arbitragebeding in de Seapura-overeenkomst tegen CEVA, TCA en AJIRE beroep ingesteld tot vaststelling van het bedrag van haar vordering tot terugbetaling van de in het kader van die overeenkomst aan CEVA toegekende subsidies.

37 Ter terechtzitting van 11 november 2022 bij het Gerecht heeft de Commissie verklaard dat haar beroep niet tegen TCA en AJIRE was gericht en dat zij het Gerecht niet verzocht vast te stellen dat laatstgenoemden verplicht waren de in het kader van de uitvoering van de Seapura-overeenkomst betaalde bedragen terug te betalen, waarvan het Gerecht in punt 97 van het bestreden arrest akte heeft genomen.

38 CEVA heeft als verweer aangevoerd dat, ten eerste, het verzoek van de Commissie was verjaard, ten tweede, het onderzoek van OLAF geen betrekking had op het Seapura-project en uit het OLAF-verslag niet was gebleken dat de door OLAF vastgestelde onregelmatigheden waren begaan in het kader van de uitvoering van de Seapura-overeenkomst, ten derde, de beschuldigingen van oplichting of verduistering van overheidsmiddelen door de Franse strafrechtbanken niet waren aanvaard ten aanzien van haar, en ten vierde, de Commissie zich op grond van het beginsel van procedurele autonomie niet kan beroepen op procedures die in Frankrijk op grond van het Franse recht zijn ingeleid, terwijl de Seapura-overeenkomst door het Belgische recht werd beheerst.

39 In dit verband heeft het Gerecht in de eerste plaats in de punten 30 tot en met 59 van het bestreden arrest de door CEVA opgeworpen exceptie van verjaring verworpen.

40 Na te hebben vastgesteld dat de kwestie van de eventuele verjaring van het verzoek van de Commissie werd beheerst door het Belgische recht, volgens hetwelk de verjaringstermijn in casu tien jaar bedroeg, heeft het Gerecht in de punten 40 en 41 van dat arrest geoordeeld dat de opeisbaarheid van de schuldvordering van de Unie afhankelijk was van een voorafgaand verzoek tot terugbetaling van de Commissie overeenkomstig artikel 3, lid 5, van bijlage II bij de Seapura-overeenkomst. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de datum van dit verzoek in casu overeenkwam met de datum waarop deze instelling de debetnota’s aan CEVA had gezonden, te weten 13 maart 2009, zonder dat CEVA enig bijzonder argument had aangevoerd om aan te tonen dat de schuldvordering vóór die datum opeisbaar was geworden. Het Gerecht heeft daaruit in punt 46 van dat arrest afgeleid dat de datum van verjaring van de schuldvordering van de Unie naar Belgisch recht in beginsel 14 maart 2019 was.

41 Voorts heeft het Gerecht in punt 57 van het bestreden arrest geoordeeld dat de indiening van de schuldvordering door de Commissie op 15 september 2016 in het kader van de herstelprocedure de verjaring had gestuit.

42 In dit verband heeft het Gerecht ten eerste geoordeeld dat de indiening van een schuldvordering naar Frans recht de verjaring stuit tot de beëindiging van de procedure. Ten tweede heeft het Gerecht vastgesteld dat krachtens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1346/2000 het recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden de insolventieprocedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd alsmede welke gevolgen die procedure voor individuele vervolgingen heeft. Voorts heeft het Gerecht geoordeeld dat elk besluit tot opening van een insolventieprocedure overeenkomstig artikel 16, lid 1, en artikel 17, lid 1, van deze verordening wordt erkend in alle andere lidstaten en zonder verdere formaliteiten rechtsgevolgen heeft. Het Gerecht heeft vastgesteld dat de opening in Frankrijk van de herstelprocedure ten aanzien van CEVA en de indiening van een schuldvordering door de Commissie in het kader van die herstelprocedure – overeenkomstig het Franse recht, in het bijzonder artikel L. 622‑25‑I van het Franse wetboek van koophandel – gevolgen hadden teweeggebracht naar Belgisch recht, en meer bepaald dat deze indiening van de schuldvordering de verjaringstermijn van het verzoek van de Commissie had gestuit, zodat deze niet was verjaard op de datum waarop zij was ingediend.

43 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 66 tot en met 80 van het bestreden arrest ten gronde onderzocht of de Commissie zich op goede gronden op het OLAF-verslag kon beroepen om van CEVA terugbetaling te vorderen van alle bedragen die in het kader van de uitvoering van de Seapura-overeenkomst aan haar waren betaald.

44 In dit verband heeft het Gerecht om te beginnen in de punten 70 en 71 van dat arrest vastgesteld dat het onderzoek van OLAF ten aanzien van CEVA uit twee delen bestond, waarvan het eerste de directe uitgaven en het tweede de structurele middelen betrof, en dat het betrekking had op twee soorten gedragingen die aanleiding hadden gegeven tot verdenkingen, te weten, ten eerste, vervalsing van de formulieren voor het beheer van de arbeidstijd van het personeel en, ten tweede, plagiaat met betrekking tot wetenschappelijke documenten in het kader van de verschillende door CEVA uitgevoerde projecten.

45 Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 72 tot en met 74 van dat arrest vastgesteld dat in het OLAF-verslag niet was aangegeven welke wetenschappelijke documenten in het kader van de uitvoering van deze overeenkomst zouden zijn geplagieerd, zodat het bestaan van plagiaat niet was aangetoond. Het Gerecht heeft daarentegen benadrukt dat in dat verslag was geconcludeerd dat er sprake was van ernstige financiële onregelmatigheden met betrekking tot alle aan CEVA toevertrouwde projecten, met inbegrip van het Seapura-project. Het Gerecht heeft geoordeeld dat daaruit bleek dat, ten eerste, OLAF het bestaan van ernstige financiële onregelmatigheden met betrekking tot de formulieren voor het beheer van de arbeidstijd van het personeel van CEVA had aangetoond en, ten tweede, deze formulieren in al die projecten doelbewust en systematisch waren vervalst. Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 79 van het bestreden arrest het argument van CEVA afgewezen dat de in het OLAF-verslag vastgestelde onregelmatigheden geen verband hielden met het Seapura-project.

46 In de derde plaats heeft het Gerecht in de punten 81 tot en met 88 van het bestreden arrest de gevolgen van de strafrechtelijke procedures voor de Franse rechterlijke instanties onderzocht, aangezien CEVA als verweer had aangevoerd dat de Commissie haar vordering niet kon baseren op het vermeende frauduleuze karakter van het beheer van de haar toegekende subsidie, terwijl zij uiteindelijk was vrijgesproken van de beschuldigingen van oplichting en verduistering van overheidsmiddelen. In dit verband heeft het Gerecht in punt 87 van dat arrest geoordeeld dat artikel 3, lid 5, van bijlage II bij de Seapura-overeenkomst de terugbetaling van de bijdrage van de Unie aan het Seapura-project enkel afhankelijk stelde van de vaststelling in het kader van een audit van fraude of ernstige financiële onregelmatigheden, zonder deze terugbetaling afhankelijk te stellen van een strafrechtelijke veroordeling of een strafrechtelijke kwalificatie van de betrokken feiten. Het Gerecht heeft daaruit in punt 88 van dat arrest afgeleid dat de vrijspraak ten aanzien van CEVA geen invloed had op de toepassing van deze contractuele bepaling.

47 In de vierde plaats heeft het Gerecht in de punten 89 tot en met 95 van het bestreden arrest het argument van CEVA onderzocht en afgewezen dat het beginsel van procedurele autonomie zou zijn geschonden omdat de gevolgen van een in Frankrijk geopende insolventieprocedure geen effect kunnen sorteren naar Belgisch recht. In dit verband heeft het Gerecht in punt 93 van dat arrest geoordeeld dat het overeenkomstig artikel 272 VWEU was aangezocht op grond van een arbitragebeding en dat het Gerecht het geding diende te beslechten op basis van het op de overeenkomst toepasselijke materiële recht en met name verordening nr. 1346/2000, op grond waarvan sommige bepalingen van het Franse wetboek van koophandel gevolgen sorteerden naar Belgisch recht. Het Gerecht heeft derhalve geoordeeld dat de Commissie zich overeenkomstig verordening nr. 1346/2000 mocht beroepen op de gevolgen naar Belgisch recht van de in Frankrijk ingeleide insolventieprocedure.

48 Op basis van al deze redenen heeft het Gerecht de vordering van de Commissie toegewezen en het bedrag van de litigieuze schuldvordering vastgesteld op 168220,16 EUR, vermeerderd met rente.

Conclusies van partijen in hogere voorziening

49 Het CEVA verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen, en – de Commissie te verwijzen in de kosten.

50 De Commissie verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te bevestigen, en – CEVA te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

51 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert CEVA twee middelen aan, waarvan het eerste in wezen is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht de verjaringstermijn van de rechtsvordering van de Commissie onjuist heeft vastgesteld, en het tweede aan schending van het beginsel van een goede rechtsbedeling.

Eerste middel

52 Het eerste middel in hogere voorziening is gericht tegen de punten 42 tot en met 59 van het bestreden arrest en bestaat uit vier onderdelen.

Eerste onderdeel van het eerste middel

– Argumenten van partijen

53 Met het eerste onderdeel van het eerste middel betoogt CEVA dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de datum van uitgifte van de debetnota’s als beginpunt van de verjaringstermijn geldt.

54 In de eerste plaats voert CEVA aan dat het Gerecht zich in dit verband ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 3, lid 5, van bijlage II bij de Seapura-overeenkomst, terwijl deze contractuele bepaling enkel verwijst naar de mogelijkheid om een financiële audit uit te voeren.

55 In de tweede plaats is CEVA van mening dat, gelet op artikel 2, lid 1, van de Seapura-overeenkomst en artikel 7, lid 2, van bijlage II daarbij, deze overeenkomst op 12 oktober 2004 is beëindigd. Voorts gaat de verjaringstermijn overeenkomstig het Belgische recht in op de dag waarop het vorderingsrecht ontstaat waarvoor die termijn geldt, welke dag overeenkomt met de dag waarop de verbintenis waarop de vordering betrekking heeft, moest zijn uitgevoerd.

56 Volgens CEVA moet een juiste uitlegging van de Seapura-overeenkomst en van het Belgische recht dus tot de overweging leiden dat de litigieuze schuldvordering opeisbaar is geworden vanaf de overlegging van het in die overeenkomst bedoelde onderzoek. CEVA voegt daaraan toe dat de Commissie krachtens artikel 7, lid 6, van bijlage II bij de Seapura-overeenkomst terugbetaling van de financiële bijdrage kon vorderen, rekening houdend met de aard en het resultaat van de uitgevoerde werkzaamheden. Op basis van deze elementen is CEVA van mening dat het beginpunt van de in het Belgische recht vastgestelde verjaringstermijn van tien jaar moet worden vastgesteld op 13 oktober 2004, zodat deze termijn op 13 oktober 2014 is verstreken.

57 CEVA betoogt dat dit onderdeel geen nieuw betoog is, zodat het ontvankelijk is, aangezien zij soortgelijke argumenten voor het Gerecht had aangevoerd, zoals blijkt uit haar verweerschrift en de punten 48 tot en met 58 van haar dupliek in eerste aanleg.

58 De Commissie voert aan dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk is, aangezien CEVA ten eerste voor het Gerecht niet heeft betoogd dat voor het beginpunt van de verjaringstermijn moest worden uitgegaan van het einde van de Seapura-overeenkomst. Ten tweede heeft CEVA voor het Gerecht erkend dat de datum waarop de debetnota’s haar door de Commissie zijn toegezonden, overeenkwam met de datum waarop de litigieuze schuldvordering opeisbaar was geworden, aangezien de verjaringstermijn ingaat op de dag na die datum. In deze context heeft het Gerecht in punt 44 van het bestreden arrest geoordeeld dat „CEVA geen specifiek argument heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de schuldvordering reeds vóór [13 maart 2009] opeisbaar zou zijn geworden”.

59 Voor het geval dat het eerste onderdeel van het eerste middel ontvankelijk zou worden verklaard, betoogt de Commissie dat het hoe dan ook ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

60 Volgens artikel 170, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof mag het voorwerp van het geschil voor het Gerecht niet worden gewijzigd in hogere voorziening. Volgens vaste rechtspraak is het Hof in hogere voorziening dus enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing van de rechter in eerste aanleg op de middelen en argumenten die voor hem zijn aangevoerd. Een partij kan een grief die zij voor het Gerecht niet heeft aangevoerd dus niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren, aangezien zij anders bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig zou mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen (arrest van 16 maart 2023, Commissie/Jiangsu Seraphim Solar System en Raad/Jiangsu Seraphim Solar System en Commissie, C‑439/20 P en C‑441/20 P, EU:C:2023:211, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61 In casu betoogt CEVA dat zij in haar verweerschrift is ingegaan op „de problematiek van de aanvang van de verjaringstermijn” en dat zij haar redenering in de punten 48 tot en met 58 van haar „memorie van vordering” heeft „gedetailleerd”, zodat zij voor het Gerecht een middel betreffende de verjaring van de vordering van de Commissie heeft aangevoerd.

62 In dit verband moet worden vastgesteld dat een betoog als dat in het kader van het onderhavige onderdeel uit geen van de bij het Gerecht ingediende schriftelijke stukken van CEVA blijkt.

63 In de punten 48 tot en met 56 van haar verweerschrift en in de punten 48 tot en met 58 van haar dupliek stelde CEVA immers dat de litigieuze schuldvordering verjaard was omdat, anders dan de Commissie stelde, de verjaringstermijn niet kon worden gestuit. CEVA betwistte daarentegen niet dat deze termijn was beginnen te lopen op de datum van uitgifte van de debetnota’s.

64 Integendeel, in punt 56 van haar verweerschrift en in punt 58 van haar dupliek heeft CEVA uitdrukkelijk aangegeven dat „de debetnota’s van 12 maart 2009 uiteindelijk moeten worden geacht de verjaringstermijn van 10 jaar naar Belgisch recht in te leiden”.

65 Hieruit volgt dat het eerste onderdeel van dit middel, volgens hetwelk het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich voor de vaststelling van het beginpunt van de verjaringstermijn te baseren op de datum van uitgifte van de debetnota’s en niet op de einddatum van de overeenkomst, een nieuw middel vormt.

66 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het eerste onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening niet-ontvankelijk is.

Tweede onderdeel van het eerste middel

– Argumenten van partijen

67 CEVA betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 39 tot en met 44 van het bestreden arrest te oordelen dat een contractuele schuldvordering kon voortvloeien uit een debetnota.

68 In dit verband betoogt CEVA dat, overeenkomstig de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie, debetnota’s noch voor beroep vatbare administratieve besluiten, noch executoriale titels vormen en dat de Commissie in het kader van haar contractuele betrekkingen niet het recht heeft om eenzijdige handelingen met het karakter van een besluit vast te stellen ten aanzien van haar medecontractanten. CEVA leidt hieruit af dat de Commissie geen eenzijdige handeling tot invordering van een contractuele schuldvordering kon vaststellen zonder eerst het bestaan van een dergelijke schuldvordering door de bevoegde rechter te doen erkennen.

69 De Commissie antwoordt hierop dat het tweede onderdeel van het eerste middel van CEVA niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond moet worden verklaard.

– Beoordeling door het Hof

70 Vastgesteld moet worden dat rekwirante met dit onderdeel betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de verjaringstermijn van de litigieuze schuldvordering te laten ingaan op een latere datum dan 13 oktober 2004.

71 Zoals in de punten 63 en 64 van het onderhavige arrest is opgemerkt, heeft zij voor het Gerecht niet betwist, maar veeleer erkend dat het beginpunt van deze termijn overeenkwam met de datum van uitgifte van de debetnota’s, te weten 12 maart 2009.

72 Bijgevolg vormt het in dit tweede onderdeel aangevoerde middel dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te oordelen dat die termijn vóór die datum was ingegaan, een nieuw middel.

73 Bijgevolg moet ook het tweede onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Derde onderdeel van het eerste middel

– Argumenten van partijen

74 CEVA betoogt om te beginnen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te beslissen dat de verjaringstermijn van de litigieuze schuldvordering was gestuit door de indiening van de schuldvordering in het kader van de herstelprocedure.

75 In dit verband betwist CEVA het bestaan van de litigieuze schuldvordering, die de Commissie niet kan aantonen door louter debetnota’s over te leggen of een schuldvordering in te dienen. CEVA herinnert eraan dat deze schuldvordering is afgewezen bij de in punt 33 van het onderhavige arrest bedoelde beschikking van de rechter-commissaris van 11 september 2017 en stelt dat de Commissie haar schuldvordering niet heeft aangetoond voor de bevoegde rechter. Bovendien is deze indiening van een schuldvordering in het kader van een in Frankrijk geopende herstelprocedure volgens CEVA niet van invloed op de verjaring van de door het Belgische recht beheerste civiele vordering. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat verordening nr. 1346/2000 toestaat dat de verjaringstermijn van een schuldvordering die op het tijdstip van inleiding van de herstelprocedure niet opeisbaar was, wordt gestuit.

76 Overigens voert CEVA in haar repliek aan dat, ook al zou worden aanvaard dat de inleiding van een herstelprocedure de verjaringstermijn kan stuiten, de stuitingshandeling moet voortvloeien uit een formele aanmaning ten aanzien van de schuldeiser, die niet kan worden gevormd door debetnota’s, zoals in casu wel het geval is.

77 Bovendien is de herstelprocedure pas op 22 juni 2016 ingeleid, terwijl de schuldvordering van de Commissie in de loop van 2014 is verjaard. Hieruit volgt volgens CEVA dat de door de Commissie in het kader van die procedure ingediende schuldvordering de verjaringstermijn niet heeft kunnen stuiten, aangezien deze termijn op de datum van indiening was verstreken.

78 Voorts heeft het Gerecht volgens CEVA blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de verjaring was gestuit door een jegens haar uitgevaardigde dagvaarding om voor de Franse strafrechter te verschijnen, aangezien „het Belgische recht niet voorziet in de stuiting van de verjaringstermijnen, noch in de toepassing van de Belgische straftermijnen op procedures die in een andere staat zijn ingeleid”.

79 CEVA voert namelijk aan dat uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie (België) blijkt dat een stuiting door een dagvaarding slechts ten goede komt aan degene die de stuitingshandeling heeft verricht. In casu heeft niet de Commissie, maar het Franse openbaar ministerie zich tot de Franse strafrechter gewend. Voorts blijkt uit deze rechtspraak ook dat een dagvaarding de verjaringstermijn stuit „voor de daarmee ingestelde vordering en voor de vordering die virtueel in de dagvaarding is begrepen”, hetgeen vereist dat rekening wordt gehouden met het voorwerp van de vordering. In casu had de strafvervolging in Frankrijk betrekking op de tenlastelegging van oplichting en verduistering van overheidsmiddelen, terwijl het verzoek van de Commissie betrekking had op de terugbetaling van de aan CEVA toegekende subsidies.

80 Ten slotte voert CEVA aan dat de stuiting van de verjaringstermijn naar Belgisch recht hoe dan ook als non-existent wordt beschouwd indien rekwirantes vordering wordt afgewezen. De civiele vordering van de Commissie voor de Franse strafrechter is afgewezen.

81 De Commissie betoogt dat het derde onderdeel van het eerste middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond is.

82 In dit verband betwist zij de uitlegging die CEVA aan artikel L. 622‑25‑I van het Franse wetboek van koophandel heeft gegeven.

83 De Commissie betoogt dat het Gerecht terecht heeft vastgesteld dat de indiening van een schuldvordering in het kader van de herstelprocedure krachtens artikel 16 van verordening nr. 1346/2000 in alle lidstaten stuitende werking heeft. In elk geval stelt de Commissie dat het Belgische recht dezelfde stuitende werking toekent aan de indiening van een schuldvordering.

84 Met betrekking tot het argument van CEVA dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de dagvaarding die aan haar is betekend om voor de Franse strafrechters te verschijnen, de verjaringstermijn heeft gestuit, betoogt de Commissie dat dit niet-ontvankelijk is omdat het Gerecht daarover geen uitspraak heeft gedaan.

85 Subsidiair betoogt de Commissie dat de verjaring van de litigieuze schuldvordering is gestuit door de burgerlijke partijstelling van de Europese Unie voor de Franse strafrechter in 2011 en was geschorst tot 23 augustus 2017, de datum waarop de strafprocedure is beëindigd.

– Beoordeling door het Hof

86 Wat in de eerste plaats het betoog van CEVA betreft dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de verjaringstermijn was gestuit door de jegens haar uitgevaardigde dagvaarding om voor de Franse strafrechters te verschijnen, moet worden vastgesteld dat dit betoog berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

87 Na in de punten 52 tot en met 59 van het bestreden arrest te hebben vastgesteld dat de indiening van een schuldvordering van de Commissie in het kader van de herstelprocedure de verjaring van die schuldvordering had gestuit, heeft het Gerecht zich immers niet uitgesproken over de vraag of ook de dagvaarding jegens CEVA om voor de Franse rechterlijke instanties te verschijnen deze verjaring heeft gestuit.

88 Wat in de tweede plaats het betoog van CEVA betreft dat de verjaringstermijn was gestuit door de indiening van de schuldvordering van de Commissie in het kader van de herstelprocedure, moet worden opgemerkt dat het Gerecht om te beginnen in punt 52 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de tribunal de commerce de Saint-Brieuc op 22 juni 2016 een herstelprocedure tegen CEVA had ingeleid en dat de Commissie in het kader van die procedure haar schuldvordering op 15 september 2016 had ingediend.

89 Vervolgens heeft het Gerecht in punt 53 van het bestreden arrest vastgesteld dat uit artikel L. 622‑24 van het Franse wetboek van koophandel bleek dat alle schuldeisers wier schuldvordering is ontstaan vóór het vonnis tot inleiding van een herstelprocedure, met uitzondering van werknemers, vanaf de publicatie van het vonnis tot inleiding hun vorderingen moesten indienen bij de curator. Bovendien heeft het in punt 54 van dat arrest opgemerkt dat de indiening van een schuldvordering krachtens artikel L. 622‑25‑I van dat wetboek de verjaring stuit tot de beëindiging van de procedure, vrijstelling van elke ingebrekestelling verleent en geldt als daad van vervolging.

90 Ten slotte heeft het Gerecht in punt 55 van het bestreden arrest vastgesteld dat verordening nr. 1346/2000 rechtstreeks van toepassing was. Daarnaast heeft het Gerecht in punt 56 van dat arrest in wezen geoordeeld dat krachtens die verordening, ten eerste, het recht van de staat waar de procedure wordt geopend, de voorwaarden voor de opening, het verloop en de beëindiging van de insolventieprocedure bepaalt, ten tweede, elke door een rechter van een lidstaat genomen beslissing tot opening van een insolventieprocedure in alle andere lidstaten wordt erkend zodra zij rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de procedure is geopend, en ten derde, een beslissing tot opening van een insolventieprocedure zonder enige verdere formaliteit in elke andere lidstaat de gevolgen sorteert die daaraan worden toegekend door het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend.

91 Het Gerecht heeft daaruit in punt 57 van het bestreden arrest de conclusie getrokken dat de opening van de herstelprocedure in Frankrijk en de indiening van de schuldvordering door de Commissie naar Frans recht gevolgen hadden teweeggebracht naar Belgisch recht en, meer in het bijzonder, de verjaring van deze schuldvordering hadden gestuit.

92 Hiermee heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

93 Ten eerste vindt het betoog van CEVA dat de schuldvordering van de Commissie door een rechterlijke instantie moest worden vastgesteld om de verjaring te stuiten, immers geen steun in de bewoordingen van artikel L. 622‑25‑I van het Franse wetboek van koophandel, volgens welke louter een indiening van een schuldvordering in het kader van een herstelprocedure volstaat om de verjaring te stuiten.

94 Ten tweede kan het argument van CEVA dat verordening nr. 1346/2000 naar Belgisch recht geen gevolgen kan sorteren, niet slagen.

95 In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat een verordening volgens artikel 288 VWEU een algemene strekking heeft. Deze verordening is dus verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

96 In de derde en laatste plaats volgt met betrekking tot het betoog van rekwirante dat de schuldvordering is ingediend in het kader van de herstelprocedure in 2016, nadat die schuldvordering van de Unie op 13 oktober 2014 was verjaard, uit het antwoord op het eerste en het tweede onderdeel van het onderhavige middel dat deze grief niet-ontvankelijk is.

97 Derhalve moet het derde onderdeel van het eerste middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.

Vierde onderdeel van het eerste middel

– Argumenten van partijen

98 CEVA stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het bestaan van een schuldvordering van de Commissie vast te stellen en het bedrag ervan te bepalen. CEVA betoogt dat het Franse recht verbiedt dat alle schuldeisers van de entiteit waartegen een herstelprocedure loopt, na inleiding van die procedure individueel trachten de gerechtelijke inning van hun vorderingen te verkrijgen. CEVA leidt hieruit af dat „het [bestreden arrest] naar Frans insolventierecht door de Franse rechter niet in aanmerking kan worden genomen, aangezien de ingediende vordering van latere datum is”.

99 Volgens de Commissie is dit onderdeel ongegrond.

– Beoordeling door het Hof

100 Het volstaat vast te stellen dat het Gerecht CEVA niet in die zin heeft veroordeeld.

101 Uit punt 95 van het bestreden arrest en punt 1 van het dictum ervan blijkt immers dat het Gerecht zich ertoe heeft beperkt het bestaan van de litigieuze schuldvordering vast te stellen en het bedrag daarvan heeft bepaald op 168220,16 EUR als hoofdsom, vermeerderd met rente, zonder CEVA te veroordelen tot betaling van die schuldvordering. Het argument van CEVA berust dus op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

102 In die omstandigheden moet het vierde onderdeel van het eerste middel, en dus het eerste middel van de hogere voorziening in zijn geheel, worden afgewezen.

Tweede middel

103 Het tweede middel bevat vier onderdelen.

Eerste onderdeel van het tweede middel

– Argumenten van partijen

104 CEVA betoogt dat het Gerecht in de punten 70 tot en met 80 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat CEVA financiële onregelmatigheden had begaan bij de uitvoering van de Seapura-overeenkomst. CEVA voert in dit verband onder verwijzing naar een specifieke passage uit het OLAF-verslag aan dat uit dat verslag blijkt dat de grief inzake financiële onregelmatigheden ten aanzien van haar niet was aangetoond met betrekking tot het Seapura-project. Zij betoogt dat de conclusies van dit verslag betreffende dergelijke onregelmatigheden geen betrekking hadden op de Seapura-overeenkomst, maar op twee andere overeenkomsten, en dat de op grond daarvan toegekende subsidies aan de Commissie waren terugbetaald.

105 In repliek voegt CEVA daaraan toe dat uit geen enkel element van het dossier kan worden afgeleid dat de formulieren voor het beheer van de arbeidstijd van het personeel met betrekking tot het Seapura-project zijn vervalst. Voorts blijkt uit dat verslag ook dat CEVA, anders dan de Commissie haar verwijt, in het kader van de uitvoering van de Seapura-overeenkomst geen plagiaat heeft gepleegd met wetenschappelijke documenten.

106 De Commissie is van mening dat het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

107 Het Gerecht heeft er in de punten 70 en 71 van het bestreden arrest op gewezen dat het OLAF-verslag uit twee delen bestond, waarvan het eerste zag op de directe uitgaven en het tweede op de structurele middelen, en dat het betrekking had op twee soorten gedragingen, ten eerste vervalsing van de formulieren voor het beheer van de arbeidstijd van het personeel, en ten tweede plagiaat met betrekking tot wetenschappelijke documenten.

108 Het Gerecht heeft in de punten 74 en 75 van het bestreden arrest verduidelijkt dat hoewel in het OLAF-verslag niet was aangetoond dat er in het kader van het Seapura-project sprake was van plagiaat met betrekking tot wetenschappelijke documenten, in dat verslag niettemin was geconcludeerd dat CEVA de formulieren voor het beheer van de arbeidstijd van zijn personeel had vervalst, „met name voor Europese projecten […] om zo veel mogelijk van de voor elk project bestemde middelen los te krijgen”.

109 Op basis van de analyse van verschillende passages van het OLAF-verslag heeft het Gerecht geconcludeerd dat er sprake was van ernstige financiële onregelmatigheden met betrekking tot alle aan CEVA opgedragen projecten, waaronder het Seapura-project.

110 In dit verband moet worden vastgesteld dat het betoog van CEVA in het kader van het onderhavige onderdeel – voor zover het berust op de aangehaalde passage uit het OLAF-verslag – wat de Seapura-overeenkomst betreft, de decharge met betrekking tot de stelling van plagiaat verwart met een vermeende algemene decharge voor elke onregelmatigheid. In elk geval verzoekt CEVA het Hof met dit betoog in werkelijkheid om zijn eigen beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van die van het Gerecht.

111 Overeenkomstig artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de bewijzen te beoordelen. De beoordeling van die feiten en bewijzen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening [arrest van 10 september 2024, Google en Alphabet/Commissie (Google Shopping), C‑48/22 P, EU:C:2024:726, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

112 Aangezien niet is aangevoerd of aangetoond dat de feiten onjuist zijn opgevat, moet het eerste onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Tweede onderdeel van het tweede middel

113 Met het tweede onderdeel van zijn tweede middel voert CEVA aan dat het Gerecht het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde beginsel van een goede rechtsbedeling heeft geschonden door in punt 72 van het bestreden arrest te oordelen dat de „horizontale aard van het gebied waarop het door OLAF gevoerde onderzoek betrekking had, zich noodzakelijkerwijs [uitstrekte] tot de Seapura-overeenkomst”, terwijl het bovendien had erkend dat uit het OLAF-verslag bleek dat de stelling dat er plagiaat was gepleegd met betrekking tot wetenschappelijke documenten, niet was aangetoond voor die overeenkomst.

114 CEVA is dus van mening dat het Gerecht zich bij zijn toetsing van de beoordeling van het OLAF-verslag door de Commissie heeft beperkt tot een algemene lezing van dat verslag, zodat het Gerecht het beginsel van een goede rechtsbedeling, op grond waarvan het alle relevante elementen in casu zorgvuldig diende te onderzoeken, heeft geschonden, terwijl uit een juiste lezing van dat verslag zou blijken dat de vastgestelde onregelmatigheden geen verband hielden met de Seapura-overeenkomst.

115 De Commissie betoogt dat dit onderdeel niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

116 Met dit onderdeel verwijt CEVA het Gerecht dat het in de punten 70 tot en met 80 van het bestreden arrest het OLAF-verslag algemeen en dus onjuist heeft gelezen en heeft verzuimd alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig te onderzoeken. Met dit betoog beoogt deze partij in werkelijkheid te verkrijgen dat het Hof zijn eigen beoordeling van de feiten, zoals die blijkt uit het onderzoek van dat verslag, in de plaats stelt van die van het Gerecht.

117 Zoals in punt 111 van het onderhavige arrest is opgemerkt, levert de beoordeling van de feiten en bewijzen, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, hetgeen in casu niet wordt aangevoerd en hoe dan ook niet is aangetoond, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening.

118 Bijgevolg dient het tweede onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Derde onderdeel van het tweede middel

– Argumenten van partijen

119 CEVA betoogt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie schuldeiser was van een bedrag van 168220,16 EUR, zonder rekening te houden met het feit dat de Franse strafrechters haar hadden vrijgesproken van de tenlastelegging van oplichting en verduistering van overheidsmiddelen en de vorderingen van de Commissie als burgerlijke partij definitief hadden afgewezen. Deze beslissingen hebben gezag van gewijsde op nationaal niveau, zodat de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en rechtszekerheid zich ertegen verzetten dat dergelijke beslissingen op grond van het Unierecht ter discussie worden gesteld.

120 De Commissie is van mening dat dit onderdeel niet-ontvankelijk is, aangezien CEVA de daarin bedoelde punten van het bestreden arrest niet specificeert. Het is hoe dan ook niet ter zake dienend.

– Beoordeling door het Hof

121 Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de aangevoerde middelen en juridische argumenten nauwkeurig moeten aangeven tegen welke rechtsoverwegingen van de beslissing van het Gerecht zij gericht zijn. Zo moet, volgens vaste rechtspraak, een hogere voorziening op straffe van niet-ontvankelijkheid van de betreffende hogere voorziening of van het middel in kwestie duidelijk aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij gericht is, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven (arrest van 28 september 2023, Changmao Biochemical Engineering/Commissie, C‑123/21 P, EU:C:2023:708, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

122 Hoewel CEVA de door haar bekritiseerde punten van het bestreden arrest niet noemt, bevat dat arrest het kopje „Strafrechtelijke procedures bij de Franse rechterlijke instanties”, zodat duidelijk is dat dit betoog is gericht tegen de punten 85 tot en met 88 van dat arrest.

123 Dienaangaande heeft het Gerecht er om te beginnen in punt 85 van het bestreden arrest aan herinnerd dat bij een overeenkomst als de Seapura-overeenkomst de enkele vaststelling van fraude of ernstige financiële onregelmatigheden bij een audit volstond opdat de Commissie het recht had om terugbetaling van de door haar uitgekeerde bedragen te vorderen. Vervolgens heeft het Gerecht in het kader van zijn soevereine beoordeling van de feiten in punt 86 van dat arrest geoordeeld dat de vervalsing van de formulieren voor het beheer van de arbeidstijd van het personeel, zoals vastgesteld in het OLAF-verslag, op zijn minst een ernstige financiële onregelmatigheid vormde. Bovendien heeft het Gerecht in punt 87 van dat arrest in wezen geoordeeld dat artikel 3, lid 5, van bijlage II bij de Seapura-overeenkomst de Commissie het recht verleende om terugbetaling van de betrokken bijdrage van de Unie te vorderen louter op grond van de vaststelling dat er sprake was van fraude of ernstige financiële onregelmatigheden, zonder dat dit recht afhankelijk is gesteld van de voorwaarde dat dergelijke gedragingen bovendien het voorwerp zijn geweest van een veroordeling of als strafbaar feit zijn gekwalificeerd.

124 Ten slotte heeft het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest op basis van die beoordelingen geoordeeld dat de vrijspraak van CEVA door een nationale strafrechter ter zake van de tenlasteleggingen van oplichting en verduistering van overheidsmiddelen niet van invloed was op het recht van de Commissie om op grond van artikel 3, lid 5, van bijlage II bij de Seapura-overeenkomst terugbetaling van de betrokken subsidie te vorderen.

125 Een dergelijke redenering geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In het bijzonder hebben de Franse strafrechters, anders dan rekwirante impliciet stelt, zich niet uitgesproken over het bestaan van „ernstige financiële onregelmatigheden” in de zin van die bepaling, aangezien dit contractuele begrip niet samenvalt met de kwalificatie van oplichting of verduistering van overheidsmiddelen, waarmee de tenlasteleggingen waarvan zij is vrijgesproken overeenkwamen.

126 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.

Vierde onderdeel van het tweede middel

– Argumenten van partijen

127 CEVA betoogt dat het Gerecht het beginsel van procedurele autonomie heeft geschonden omdat justitiabelen bij de huidige stand van het Unierecht het recht van een lidstaat niet kunnen inroepen voor de rechterlijke instanties van een andere lidstaat. Het heeft dus ten onrechte het argument van CEVA afgewezen dat de Commissie zich niet kon beroepen op de in Frankrijk op grond van het Franse recht ingeleide procedures, terwijl de Seapura-overeenkomst voorziet in de toepassing van het Belgische recht en in de exclusieve bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie.

128 De Commissie is van mening dat CEVA niet aangeeft in welk opzicht het bestreden arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, zodat dit onderdeel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

129 Het vierde onderdeel van het tweede middel is haars inziens hoe dan ook ongegrond.

– Beoordeling door het Hof

130 Vooraf zij erop gewezen dat hoewel CEVA niet de punten van het bestreden arrest noemt waartegen zij opkomt, dat arrest het kopje „Beginsel van procedurele autonomie” bevat, zodat duidelijk is dat dit betoog is gericht tegen de punten 92 tot en met 95 van dat arrest.

131 Ten gronde zij opgemerkt dat, zoals in de punten 94 en 95 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, verordening nr. 1346/2000 volgens artikel 288 VWEU een algemene strekking heeft, verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat.

132 Voorts veronderstelt de toepassing van het beginsel van procedurele autonomie dat er geen Unieregelgeving ter zake bestaat (zie in die zin arrest van 25 maart 2021, Balgarska Narodna Banka, C‑501/18, EU:C:2021:249, punt 116 en aldaar aangehaalde rechtspraak), zodat in casu niet kan worden gesteld dat dit beginsel is geschonden.

133 Door in punt 93 van het bestreden arrest te oordelen dat de toepasselijkheid van het Belgische recht op de Seapura-overeenkomst de rechtstreekse toepasselijkheid van verordening nr. 1346/2000 – op grond waarvan een aantal bepalingen van het Franse wetboek van koophandel gevolgen sorteerden naar Belgisch recht – onverlet liet, heeft het Gerecht het beginsel van procedurele autonomie dus niet geschonden.

134 Bijgevolg moet het vierde onderdeel van het tweede middel, en dus het tweede middel van de hogere voorziening in zijn geheel, ongegrond worden verklaard.

135 Aangezien geen van de door CEVA ter ondersteuning van haar hogere voorziening aangevoerde middelen kan slagen, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.

Kosten

136 Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

137 Krachtens artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

138 Aangezien CEVA in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in haar eigen kosten van de onderhavige procedure en in die van de Commissie.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) Centre d’étude et de valorisation des algues SA (CEVA) wordt verwezen in haar eigen kosten van de onderhavige hogere voorziening alsmede in die van de Europese Commissie.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken