HvJ EU 30 oktober 2025, C-2/23, ECLI:EU:C:2025:848
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
30 oktober 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Mededinging – Artikel 101 VWEU – Nuttig effect – Richtlijn 2014/104/EU – Regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie – Artikel 6, leden 6 en 7 – Artikel 7, lid 1 – Richtlijn 2019/1/EU – Toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt – Artikel 31, lid 3 – Toepassingsgebied – Mechanisme van administratieve en gerechtelijke onderlinge bijstand tussen nationale autoriteiten – Overdracht van het dossier van een mededingingsautoriteit aan een autoriteit die een strafrechtelijk onderzoek verricht – Toevoeging van clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking, alsmede de bijlagen daarbij, aan het dossier van het strafrechtelijk onderzoek – Toegang van verdachten en andere bij een dergelijke procedure betrokken partijen tot deze documenten”
In zaak C‑2/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberlandesgericht Wien (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaten Neder-Oostenrijk, Burgenland en Wenen, Oostenrijk) bij beslissing van 20 december 2022, ingekomen bij het Hof op 3 januari 2023, in de procedure
FL und KM Baugesellschaft m.b.H. & Co. KG,
S AG,
in tegenwoordigheid van:
Zentrale Staatsanwaltschaft zur Verfolgung von Wirtschaftsstrafsachen und Korruption,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend president van de Vijfde kamer, E. Regan en D. Gratsias, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: D. Dittert, hoofd van een administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 juni 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– FL und KM Baugesellschaft m.b.H. & Co. KG en S AG, vertegenwoordigd door S. Petsche-Demmel en A. Traugott, Rechtsanwälte,
– Zentrale Staatsanwaltschaft zur Verfolgung von Wirtschaftsstrafsachen und Korruption, vertegenwoordigd door A. Bernat als gemachtigde,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll als gemachtigde,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Baroutas en K. Boskovits als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili en A. Jacoangeli, avvocati dello Stato,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Ernst, A. Keidel en C. Zois als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 oktober 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, leden 6 en 7, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB 2014, L 349, blz. 1), alsook van artikel 31, lid 3, van richtlijn (EU) 2019/1 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt (PB 2019, L 11, blz. 3).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een bezwaarprocedure die door FL und KM Baugesellschaft m.b.H. & Co. KG en S AG is ingesteld als gevolg van het feit dat de door die ondernemingen afgelegde clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking alsook de bijlagen bij deze documenten zijn toegevoegd aan het dossier van een strafrechtelijk onderzoek dat is verricht door de Zentrale Staatsanwaltschaft zur Verfolgung von Wirtschaftsstrafsachen und Korruption (centrale eenheid van het openbaar ministerie voor van economische delicten en corruptie, Oostenrijk; hierna: „openbaar ministerie”).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2014/104
3 Overweging 26 van richtlijn 2014/104 luidt als volgt: „Clementieregelingen en schikkingsprocedures zijn belangrijke instrumenten voor de publieke handhaving van het mededingingsrecht van de Unie omdat deze bijdragen aan het opsporen, het efficiënt vervolgen en het bestraffen van de ernstigste inbreuken op het mededingingsrecht. Aangezien veel besluiten van mededingingsautoriteiten in kartelzaken gebaseerd zijn op een clementieverzoek en schadevorderingen in kartelzaken doorgaans deze besluiten opvolgen, zijn clementieregelingen evenzeer van belang voor de mate van doeltreffendheid van schadevorderingen in kartelzaken. Ondernemingen zouden kunnen worden afgeschrikt om met mededingingsautoriteiten in het kader van clementieregelingen en schikkingsprocedures samen te werken indien toegang wordt verleend tot zichzelf belastende verklaringen, zoals clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking, die louter in de optiek van die medewerking worden afgelegd. Het in die context verlenen van toegang kan ertoe leiden dat meewerkende ondernemingen of leidinggevend personeel van die ondernemingen in een slechtere positie komen te verkeren dan de inbreukplegers die niet met de mededingingsautoriteiten meewerken wanneer zij civielrechtelijk of strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld. Om ervoor te zorgen dat ondernemingen bereid blijven om mededingingsautoriteiten vrijwillig te benaderen met clementieverklaringen of verklaringen met het oog op een schikking, moeten dergelijke documenten worden uitgesloten van de toegangverlening tot bewijsmateriaal. Die uitzondering dient tevens van toepassing te zijn op woordelijk aangehaalde clementieverklaringen of verklaringen met het oog op een schikking die zijn opgenomen in andere documenten. Deze beperkingen op de toegang tot bewijsmateriaal mogen mededingingsautoriteiten niet beletten hun besluiten overeenkomstig het toepasselijke Unierecht of nationale recht te bekend te maken. Teneinde ervoor te zorgen dat die uitzondering het recht op schadevergoeding van de benadeelde partijen niet te sterk doorkruist, dient de uitzondering beperkt te blijven tot die vrijwillig afgelegde, voor de persoon zelf bezwarende clementieverklaringen of verklaringen met het oog op een schikking.”
4 Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Onderwerp en toepassingsgebied”, bepaalt: „1. Deze richtlijn stelt bepaalde regels vast die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat eenieder die schade heeft geleden ten gevolge van een door een onderneming of een ondernemersvereniging gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht effectief het recht kan uitoefenen volledige vergoeding van die schade te vorderen van die onderneming of ondernemersvereniging. [...] 2. In deze richtlijn worden de regels vastgesteld voor de coördinatie tussen de handhaving van de mededingingsregels door mededingingsautoriteiten en de handhaving van die regels in schadevorderingen voor de nationale rechterlijke instanties.”
5 Artikel 2 van die richtlijn bevat de volgende definities: „[...] 1. ‚inbreuk op het mededingingsrecht’: een inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU of op nationaal mededingingsrecht; [...] 3. ‚nationaal mededingingsrecht’: de bepalingen van nationaal recht die overwegend dezelfde doelstelling nastreven als de artikelen 101 en 102 VWEU en die in dezelfde zaak en parallel met het mededingingsrecht van de Unie worden toegepast overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 1/2003 [van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1)], met uitzondering van bepalingen van nationaal recht waarbij natuurlijke personen strafrechtelijke sancties worden opgelegd, behalve voor zover zulke strafrechtelijke sancties het middel zijn op grond waarvan de op ondernemingen toepasselijke mededingingsvoorschriften worden gehandhaafd; 4. ‚schadevordering’: een uit hoofde van het nationale recht ingestelde vordering waarbij een schadeclaim voor een nationale rechterlijke instantie wordt gebracht door een partij die beweert benadeeld te zijn of door iemand die optreedt namens een of meer partijen die beweren benadeeld te zijn, indien het Unierecht of het nationaal recht in deze mogelijkheid voorziet, of door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon op wie de rechten zijn overgegaan van de partij die beweert benadeeld te zijn, daaronder begrepen de persoon die de schadeclaim heeft verworven is; [...] 15. ‚clementieregeling’: een regeling met betrekking tot de toepassing van artikel 101 VWEU of een overeenkomstige bepaling in het nationale recht op basis waarvan een deelnemer aan een geheim kartel onafhankelijk van de andere bij het kartel betrokken ondernemingen meewerkt aan een onderzoek van de mededingingsautoriteit door vrijwillig informatie te verschaffen over de kennis die deze deelnemer heeft van het kartel en de rol die hij daarin speelt, in ruil waarvoor de deelnemer, op grond van een besluit of door de procedure stop te zetten, immuniteit wordt verleend tegen geldboeten voor betrokkenheid bij het kartel of een vermindering van deze boeten; 16. ‚clementieverklaring’: een vrijwillig door of namens een onderneming of een natuurlijke persoon ten overstaan van een mededingingsautoriteit afgelegde mondelinge of schriftelijke verklaring of een opname daarvan, waarin de onderneming of een natuurlijke persoon mededeelt wat zij of hij weet over een kartel en wat haar of zijn rol daarin was, en die speciaal ten behoeve van die autoriteit is opgesteld met het oog op het krijgen van vrijwaring of vermindering van de geldboeten in het kader van een clementieregeling; het betreft geen reeds bestaande informatie; 17. ‚reeds bestaande informatie’: bewijsmateriaal dat los van de procedure van een mededingingsautoriteit bestaat, ongeacht of deze informatie zich al dan niet in het dossier van een mededingingsautoriteit bevindt; 18. ‚verklaring met het oog op een schikking’: een vrijwillige verklaring ten overstaan van een mededingingsautoriteit, afgelegd door of namens een onderneming, waarin de onderneming haar deelname aan een inbreuk op het mededingingsrecht en haar aansprakelijkheid voor die inbreuk op het mededingingsrecht erkent of ervan afziet deze te betwisten, en die speciaal is opgesteld om de mededingingsautoriteit in staat te stellen een vereenvoudigde of spoedprocedure toe te passen; [...]”
6 Artikel 6 van richtlijn 2014/104, „Toegang tot bewijsmateriaal dat zich in het dossier van een mededingingsautoriteit bevindt”, bepaalt in de leden 6 en 7: „6. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale rechterlijke instantie met het oog op schadevorderingen op geen enkel moment een partij of een derde kan opdragen toegang te verlenen tot de volgende categorieën bewijsmateriaal: a) clementieverklaringen, en b) verklaringen met het oog op een schikking. 7. Een eiser kan een gemotiveerd verzoek indienen, waarin wordt verzocht dat een nationale rechterlijke instantie toegang krijgt tot bewijsmateriaal als bedoeld in lid 6, onder a) of onder b), uitsluitend om zich ervan te vergewissen dat de inhoud ervan voldoet aan de definities van artikel 2, punten 16 en 18. Voor deze beoordeling kunnen de nationale rechterlijke instanties enkel van de nationale mededingingsautoriteit bijstand vragen. De auteurs van het betrokken bewijsmateriaal kunnen ook de mogelijkheid krijgen gehoord te worden. In geen geval verleent de rechterlijke instantie aan andere partijen of derden toegang tot dit bewijsmateriaal.”
7 Artikel 7 van richtlijn 2014/104, „Beperkingen op het gebruik van bewijsmateriaal dat enkel via toegang tot het dossier van een mededingingsautoriteit werd verkregen”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten zorgen ervoor dat het bewijsmateriaal dat tot één van de in artikel 6, lid 6, vermelde categorieën behoort en dat door een natuurlijke persoon of rechtspersoon enkel via toegang tot het dossier van een mededingingsautoriteit werd verkregen, hetzij niet toelaatbaar is in schadevorderingen, hetzij anderszins krachtens de toepasselijke nationale voorschriften beschermd is, zulks teneinde te waarborgen dat de in artikel 6 opgenomen beperkingen op de toegang tot bewijsmateriaal hun volledige uitwerking hebben.”
Richtlijn 2019/1
8 In de overwegingen 11, 50 en 72 van richtlijn 2019/1 staat te lezen: „(11) [...] nadere bepalingen [zijn] vereist wat betreft de voorwaarden voor de toekenning van clementie voor geheime kartels. Ondernemingen zullen geheime kartels waaraan zij hebben deelgenomen enkel melden wanneer zij voldoende rechtszekerheid hebben dat zij immuniteit tegen geldboeten zullen genieten. De opvallende verschillen tussen de clementieregelingen in de lidstaten leiden tot rechtsonzekerheid bij mogelijke clementieverzoekers. Daardoor worden zij mogelijk minder gestimuleerd om clementie aan te vragen. Indien lidstaten voor clementie in de zin van deze richtlijn regels zouden kunnen implementeren of toepassen die duidelijker en geharmoniseerd zijn, dan zou dat niet alleen bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstelling om stimulansen voor verzoekers te behouden om geheime kartels te melden met het oog op een zo doeltreffende mogelijke handhaving van de mededinging in de [Europese] Unie, maar zou dat tevens een gelijk speelveld waarborgen voor ondernemingen die actief zijn op de interne markt. Dit mag lidstaten niet beletten om clementieregelingen toe te passen die niet alleen van toepassing zijn op geheime kartels, maar ook op andere inbreuken van artikel 101 VWEU en gelijkwaardige bepalingen uit het nationale mededingingsrecht, of om clementieverzoeken te aanvaarden van natuurlijke personen die in eigen naam handelen. Deze richtlijn mag evenmin afbreuk doen aan clementieregelingen die uitsluitend in vrijstelling van sancties voorzien in het kader van strafrechtelijke procedures met het oog op de handhaving van artikel 101 VWEU. [...] (50) Clementieregelingen zijn belangrijke instrumenten voor het opsporen van geheime kartels en dragen dus bij tot efficiënte vervolging en oplegging van sancties voor de ernstigste inbreuken op het mededingingsrecht. Op dit ogenblik zijn er echter opvallende verschillen tussen de clementieregelingen die in de lidstaten worden toegepast. Deze verschillen leiden bij de ondernemingen die inbreuken plegen tot rechtsonzekerheid met betrekking tot de voorwaarden voor hun clementieverzoek en tot onzekerheid met betrekking tot hun immuniteitsstatuut volgens de respectievelijke clementieregelingen. Door de onzekerheid kunnen potentiële clementieverzoekers minder gestimuleerd worden om clementie aan te vragen. Dat kan op zijn beurt dan weer leiden tot minder doeltreffende handhaving van de mededingingsregels in de Unie, aangezien er minder geheime kartels worden ontdekt. [...] (72) Ten gevolge van het risico dat voor de clementieverzoeker zelf bezwarend materiaal wordt bekendgemaakt buiten de context van het onderzoek waarvoor het werd verstrekt, kunnen potentiële clementieverzoekers zich minder gestimuleerd voelen om met mededingingsautoriteiten samen te werken. Bijgevolg mag informatie uit clementieverklaringen, ongeacht de vorm waarin die werden ingediend, die via toegang tot het dossier is verkregen, enkel worden gebruikt in een zeer beperkt aantal gevallen die rechtstreeks verband houden met de zaak waarvoor toegang tot het dossier is verleend, indien dit noodzakelijk is om de rechten van verdediging uit te oefenen in de procedure voor de nationale rechterlijke instanties. [...]”
9 In artikel 1 van deze richtlijn, „Onderwerp en toepassingsgebied”, is in de leden 1 en 2 ervan het volgende bepaald: „1. Deze richtlijn stelt bepaalde regels vast om ervoor te zorgen dat de onafhankelijkheid van de nationale mededingingsautoriteiten gewaarborgd is en zij beschikken over de middelen en de bevoegdheden voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten, met het oog op de doeltreffende toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU [...]. 2. Deze richtlijn heeft betrekking op de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU en de parallelle toepassing van nationaal mededingingsrecht op dezelfde zaak. Wat artikel 31, leden 3 en 4, van deze richtlijn betreft, heeft deze richtlijn ook betrekking op de toepassing van nationaal mededingingsrecht dat zelfstandig wordt toegepast.”
10 Artikel 2, lid 1, van die richtlijn bevat in de punten 6, 9 en 16 tot en met 18 de volgende definities: „6. ‚nationaal mededingingsrecht’: de bepalingen van nationaal recht die overwegend dezelfde doelstelling nastreven als de artikelen 101 en 102 VWEU en die in dezelfde zaak en parallel met het mededingingsrecht van de Unie worden toegepast overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening [...] nr. 1/2003, alsmede de bepalingen van nationaal recht die overwegend dezelfde doelstelling nastreven als de artikelen 101 en 102 VWEU en die met betrekking tot artikel 31, leden 3 en 4, van deze richtlijn zelfstandig worden toegepast, met uitzondering van bepalingen van nationaal recht waarbij natuurlijke personen strafrechtelijke sancties worden opgelegd; [...] 9. ‚handhavingsprocedure’: de procedure bij een mededingingsautoriteit voor de toepassing van artikel 101 of 102 VWEU, tot deze mededingingsautoriteit dergelijke procedure heeft afgesloten door een in artikel 10, artikel 12 of artikel 13 van deze richtlijn bedoeld besluit vast te stellen in het geval van een nationale mededingingsautoriteit, of door een in artikel 7, artikel 9 of artikel 10 van verordening [...] nr. 1/2003 bedoeld besluit vast te stellen in het geval van de [Europese] Commissie, of voor zolang als de mededingingsautoriteit niet tot de conclusie is gekomen dat er voor haar geen gronden zijn om verder op te treden; [...] 16. ‚clementieregeling’: een regeling met betrekking tot de toepassing van artikel 101 VWEU of een corresponderende bepaling in het nationale mededingingsrecht op basis waarvan een deelnemer aan een geheim kartel onafhankelijk van de andere bij het kartel betrokken ondernemingen meewerkt aan een onderzoek van de mededingingsautoriteit door vrijwillig informatie te verschaffen over de kennis die deze deelnemer heeft van het kartel en de rol die hij daarin speelt, in ruil waarvoor de deelnemer, op grond van een besluit of door de procedure stop te zetten, immuniteit wordt verleend tegen geldboeten voor betrokkenheid bij het kartel of een vermindering van deze geldboeten; 17. ‚clementieverklaring’: een vrijwillig door of namens een onderneming of een natuurlijke persoon ten overstaan van een mededingingsautoriteit afgelegde mondelinge of schriftelijke verklaring of een opname daarvan, waarin de onderneming of een natuurlijke persoon mededeelt wat zij of hij weet over een kartel en wat haar of zijn rol daarin was, en die speciaal ten behoeve van die autoriteit is opgesteld met het oog op het verkrijgen van immuniteit tegen of vermindering van de geldboeten in het kader van een clementieregeling, exclusief bewijsmateriaal dat los van de handhavingsprocedure bestaat, ongeacht of deze informatie zich al dan niet in het dossier van een mededingingsautoriteit bevindt, namelijk reeds bestaande informatie; 18. ‚verklaring met het oog op een schikking’: een vrijwillige door of namens een onderneming ten overstaan van een mededingingsautoriteit afgelegde verklaring, waarin de onderneming haar deelname aan een inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU of nationaal mededingingsrecht en haar aansprakelijkheid voor die inbreuk op het mededingingsrecht erkent of ervan afziet deze te betwisten, en die speciaal is opgesteld om de mededingingsautoriteit in staat te stellen een vereenvoudigde procedure of een versnelde procedure toe te passen”.
11 Artikel 13 van dezelfde richtlijn heeft als opschrift „Geldboeten opgelegd aan ondernemingen en ondernemersverenigingen” en bepaalt in lid 4 het volgende: „Dit artikel doet geen afbreuk aan het nationale recht dat voorziet in de oplegging van sancties in strafrechtelijke procedures, op voorwaarde dat de toepassing van dat recht de doeltreffende en uniforme handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU niet beïnvloedt.”
12 Artikel 31 van richtlijn 2019/1, „Toegang tot dossiers voor partijen en beperkingen op het gebruik van informatie”, bepaalt in de leden 3 en 4 het volgende: „3. De lidstaten zien erop toe dat toegang tot clementieverklaringen of verklaringen met het oog op een schikking uitsluitend wordt verleend aan partijen die het voorwerp zijn van de procedures in kwestie en uitsluitend voor de uitoefening van hun rechten van verdediging. 4. De lidstaten zien erop toe dat de partij die toegang heeft gekregen tot het dossier van de handhavingsprocedures van de nationale mededingingsautoriteiten de informatie uit clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking, uitsluitend mag gebruiken wanneer dat noodzakelijk is om haar rechten van verdediging uit te oefenen in procedures voor de nationale rechterlijke instanties in zaken die rechtstreeks verband houden met de zaak waarvoor toegang is verleend, en enkel wanneer dergelijke procedures betrekking hebben op: a) de verdeling van een door een nationale mededingingsautoriteit hoofdelijk opgelegde geldboete tussen deelnemers aan het kartel; of b) het beroep tegen een besluit van een nationale mededingingsautoriteit tot vaststelling van een inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU of op bepalingen van nationaal mededingingsrecht.”
Oostenrijks recht
Federale grondwet
13 Artikel 22 van het Bundesverfassungsgesetz (hierna: „federale grondwet”) bepaalt het volgende: „Alle organen van de federale overheid, de deelstaten, gemeenten en samenwerkingsverbanden van gemeenten [...] zijn verplicht om elkaar binnen hun werkterrein onderlinge bijstand te verlenen.”
Wetboek van strafrecht
14 § 168b van het Strafgesetzbuch (hierna: „wetboek van strafrecht”) bepaalt in lid 1 het volgende: „Eenieder die bij een aanbestedingsprocedure een verzoek tot deelneming doet, een inschrijving indient of onderhandelingen voert, die berusten op onrechtmatige afspraken die tot doel hebben de aanbestedende diensten ertoe aan te zetten een bepaalde inschrijving te aanvaarden, wordt gestraft met een vrijheidsstraf van ten hoogste drie jaar.”
Wetboek van strafvordering
15 § 49 van het Strafprozessordnung (hierna: „wetboek van strafvordering”) luidt als volgt: „(1) De verdachte heeft [...] het recht [...] 3. inzage te nemen in het dossier [...] [...] (2) De verdachte heeft er recht op dat slachtoffers, civiele partijen of particuliere aanklagers alleen toegang tot het dossier (§ 68) wordt verleend voor zover dat nodig is om hun belangen te beschermen.”
16 § 51 van dit wetboek bepaalt: „(1) De verdachte heeft het recht op inzage in de resultaten van het vooronderzoek en de behandeling ter zitting waarover de recherche, het openbaar ministerie en de rechterlijke instanties beschikken. [...] (2) In het geval van een risico als bedoeld in § 162 is het toegestaan om persoonsgegevens en andere elementen op grond waarvan conclusies kunnen worden getrokken over de identiteit of zeer persoonlijke levensomstandigheden van de verdachte, niet ter inzage te geven en kopieën af te geven waarin deze elementen zijn weggelaten. Bovendien mag de toegang tot het dossier alleen worden beperkt vóór het einde van het vooronderzoek en alleen voor zover er bijzondere omstandigheden zijn die doen vrezen dat onmiddellijke kennisneming van bepaalde documenten in het dossier het doel van het onderzoek in gevaar zou brengen. [...] [...]”
17 § 65 van dat wetboek bepaalt: „[...] 2. Onder ‚civiele partij’ wordt verstaan: elk slachtoffer dat verklaart deel te nemen aan de procedure teneinde vergoeding van de geleden schade te vorderen, [...]”
18 § 66 van het wetboek van strafvordering bepaalt: „(1) Slachtoffers hebben – ongeacht hun hoedanigheid van civiele partij – het recht: [...] 2. inzage te nemen in het dossier (§ 68), [...]”
19 § 68 van dit wetboek luidt als volgt: „(1) De civiele partij en de particuliere aanklager hebben recht op inzage van het dossier voor zover hun belangen zijn geraakt; [...] Voor het overige mag inzage van het dossier alleen worden geweigerd of beperkt voor zover die inzage het doel van het onderzoek of een onbeïnvloede verklaring als getuige in gevaar zou brengen. (2) Dit recht op inzage van het dossier wordt ook verleend aan slachtoffers die geen civiele partij zijn in de procedure. [...]”
20 § 76 van dat wetboek luidt: „(1) De recherche, het openbaar ministerie en de rechterlijke instanties kunnen bij de uitvoering van hun taken op grond van deze wet rechtstreeks een beroep doen op de bijstand van alle autoriteiten en openbare diensten van de federale staat, de deelstaten en de gemeenten en andere bij wet ingestelde publiekrechtelijke lichamen en organen. [...] (2) Verzoeken van rechercheautoriteiten, openbare ministeries en rechterlijke instanties met betrekking tot strafprocedures tegen een bepaalde persoon mogen alleen worden geweigerd op grond van wettelijke geheimhoudingsverplichtingen of het feit dat er sprake is van automatisch verwerkte persoonsgegevens indien deze verplichtingen ook uitdrukkelijk worden opgelegd aan strafrechtbanken of indien zwaarwegende openbare belangen zich verzetten tegen de inwilliging ervan, welke belangen nauwkeurig moeten worden uiteengezet en gerechtvaardigd. [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
21 Verzoeksters in het hoofdgeding zijn twee bouwondernemingen waartegen door het openbaar ministerie een strafrechtelijke onderzoeksprocedure is ingeleid. Die procedure is ook gericht tegen vele andere bedrijven en hun leidinggevenden. Deze worden ervan verdacht tussen 2006 en 2020 stelselmatig en herhaaldelijk verzoeken tot deelneming aan procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten te hebben gedaan, inschrijvingen te hebben ingediend of onderhandelingen te hebben gevoerd op basis van ongeoorloofde mededingingsregelingen die tot doel hadden de aanbestedende diensten ertoe aan te zetten een bepaalde inschrijving te aanvaarden.
22 Parallel aan deze strafrechtelijke onderzoeksprocedure heeft de federale mededingingsautoriteit tegen deze partijen een kartelprocedure ingeleid bij het Oberlandesgericht Wien (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaten Neder-Oostenrijk, Burgenland en Wenen, als bevoegd Oostenrijks kartelgerecht, Oostenrijk), teneinde hun geldboeten op te leggen. In het kader van deze kartelprocedure hebben verzoeksters in het hoofdgeding op 2 juli 2019 bij dat kartelgerecht een clementieverzoek ingediend overeenkomstig de nationale regeling inzake clementie op het gebied van mededinging. Als gevolg van hun deelname aan de clementieregeling heeft de federale mededingingsautoriteit op 14 juli 2021 bij dat nationale gerecht met betrekking tot verzoeksters in het hoofdgeding een verzoek ingediend tot verlaging van de geldboete. Dat gerecht heeft op 21 oktober 2021 overeenkomstig dit verzoek tot verlaging aan verzoeksters een verlaagde geldboete opgelegd.
23 Op 22 juli 2021 heeft het openbaar ministerie het bevoegde kartelgerecht in het kader van de onderlinge bijstand verzocht om een kopie van het dossier van de kartelprocedure. Dat gerecht heeft het verzoek van het openbaar ministerie ingewilligd en hem het dossier toegestuurd overeenkomstig artikel 22 van de federale grondwet en in overeenstemming met de rechtspraak van het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk). Volgens die rechtspraak was de bepaling van het Kartellgesetz (wet inzake mededingingsregelingen) die op de datum van de feiten in het hoofdgeding van kracht was en die de toegang van derden tot de dossiers van de in kartelzaken bevoegde Oostenrijkse rechter beperkte, niet van toepassing op het openbaar ministerie en bevatte die bepaling geen wettelijke geheimhoudingsplicht die ook voor de strafrechtelijke autoriteiten gold.
24 Op 7 oktober 2021 heeft het openbaar ministerie de federale mededingingsautoriteit tevens verzocht om in het kader van de administratieve onderlinge bijstand bepaalde documenten te verstrekken die verband houden met de administratieve procedure in de betrokken kartelzaak. Op 8 oktober 2021 heeft de federale mededingingsautoriteit gevolg gegeven aan dit verzoek onder verwijzing naar de door richtlijn 2019/1 gewaarborgde bescherming van de overgedragen documenten.
25 Het openbaar ministerie heeft de relevante documenten, met inbegrip van clementieverklaringen, verklaringen met het oog op een schikking en de bijlagen daarbij, in het dossier opgenomen. Op 23 december 2021 heeft het openbaar ministerie op basis van de aldus verkregen informatie de politie opdracht gegeven om verder onderzoek te verrichten.
26 Verzoeksters in het hoofdgeding hebben het openbaar ministerie verzocht deze documenten niet in het dossier op te nemen, deze niet te gebruiken en deze documenten in elk geval definitief uit te sluiten van de toegang tot het dossier ten aanzien van alle verdachten en benadeelden. Het openbaar ministerie heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven. Het heeft deze documenten in het dossier gelaten en geweigerd de toegang tot deze documenten definitief uit te sluiten. Het heeft evenwel voor een aantal delen van de overgedragen documenten, met name de clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking, voorlopig uitgesloten dat deze personen toegang zouden krijgen tot het dossier, dat wil zeggen, totdat de in kartelzaken bevoegde rechter zich definitief over de kwestie van de toegang tot deze documenten zou hebben uitgesproken.
27 Op 3 februari 2022 hebben verzoeksters in het hoofdgeding bij het openbaar ministerie bezwaar gemaakt tegen deze weigeringsbeslissing. Bij vonnis van 1 april 2022 heeft het Landesgericht für Strafsachen Wien (regionale strafrechter Wenen, Oostenrijk), optredend als rechter in eerste aanleg, dit bezwaar afgewezen en met name geoordeeld dat de opneming door het openbaar ministerie van de betrokken clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking, alsmede de bijlagen daarbij, in het dossier van het strafrechtelijk onderzoek, rechtmatig was. Die rechter oordeelde ook dat het op deze documenten gebaseerde verzoek aan de politie om verder onderzoek te verrichten en de door de officier van justitie genomen beslissing inzake de voorlopige beperking van de toegang tot het dossier ten aanzien van verdachten en benadeelden, rechtmatig waren.
28 Verzoeksters in het hoofdgeding hebben tegen de beslissing van die rechter hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Wien, de verwijzende rechter. Zij betogen voor die rechter dat de bescherming tegen openbaarmaking van clementieverklaringen, verklaringen met het oog op een schikking en de daaruit verkregen informatie ertoe strekt clementieverzoekers in schadevergoedingsprocedures en strafprocedures een privilege te verlenen. Dit privilege wordt zowel door de Uniewetgever als de nationale wetgever beschouwd als een noodzakelijke stimulans voor de goede werking van de clementieregeling. Artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1 legt het beginsel vast dat elke vorm van openbaarmaking van dergelijke documenten verboden is. Artikel 13, lid 4, van richtlijn 2019/1, dat ter waarborging van de doeltreffendheid van clementieregelingen op het gebied van mededinging de voorrang van het mededingingsrecht boven het nationale strafrecht vaststelt, pleit eveneens voor deze uitlegging. Dat potentieel benadeelden informatie verkrijgen in het kader van een strafprocedure zou afbreuk doen aan de absolute bescherming van die documenten en zou niet in overeenstemming zijn met het Unierecht, in het bijzonder de richtlijnen 2014/104 en 2019/1.
29 De verwijzende rechter geeft aan dat voor het verkrijgen van informatie die van belang is voor een onderzoek, kan worden teruggegrepen op administratieve en gerechtelijke onderlinge bijstand en dat alle overheidsinstanties in dit verband verplicht zijn om elkaar onderlinge bijstand te verlenen. Dergelijke bijstand kan ten aanzien van strafrechtelijke autoriteiten alleen worden geweigerd of beperkt als de wet uitdrukkelijk daarin voorziet. Bovendien is het openbaar ministerie verplicht om alle relevante documenten aan het dossier toe te voegen. In het Oostenrijkse rechtssysteem bestaan er geen uitdrukkelijke beperkingen op de administratieve en gerechtelijke onderlinge bijstand tussen een rechtbank bevoegd voor kartelzaken en de mededingingsautoriteiten, enerzijds, en het openbaar ministerie en de strafrechter, anderzijds.
30 Het wetboek van strafvordering bepaalt echter dat er voor de verschillende partijen in de strafprocedure een gedifferentieerd systeem van toegang tot het dossier van toepassing is. In principe heeft de verdachte, met het oog op zijn recht om te worden gehoord, toegang tot het volledige dossier. Een beperking van de toegang tot het dossier voor dergelijke personen is slechts mogelijk in uitzonderlijke, strikt noodzakelijke gevallen, die zich in casu echter niet voordoen.
31 De verwijzende rechter merkt op dat – naast verdachten – slachtoffers en civiele partijen in strafprocedures in beginsel ook toegang moeten hebben tot het dossier wanneer dit voor de verdediging van hun belangen noodzakelijk is. Alle partijen bij de betrokken strafrechtelijke onderzoeksprocedure hebben dus in beginsel de mogelijkheid om toegang te krijgen tot clementieverklaring of verklaringen met het oog op een schikking die in het kader van een kartelprocedure zijn afgelegd.
32 Het lijkt er zijns inziens dus op dat het openbaar ministerie de stukken van de kartelprocedure in het kader van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde administratieve en gerechtelijke onderlinge bijstand terecht aan het dossier heeft toegevoegd, met inbegrip van de door verzoeksters in het hoofdgeding afgelegde clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking.
33 Volgens de verwijzende rechter kan op basis van de respectieve bewoordingen van artikel 6, leden 6 en 7, van richtlijn 2014/104 en artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1 de uitlegging worden verdedigd dat de bescherming tegen de openbaarmaking van de clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking in de zin van die richtlijnen geldt ten aanzien van elke derde en dus ook ten aanzien van rechterlijke instanties of strafrechtelijke autoriteiten en partijen in de door hen gevoerde procedures. Deze uitlegging wordt ook door artikel 13, lid 4, van richtlijn 2019/1 ondersteund.
34 Volgens het nationale recht zijn de in kartelzaken bevoegde rechter en de federale mededingingsautoriteit echter verplicht om de dossiers waarover zij beschikken aan de strafrechtelijke autoriteiten over te dragen. Volgens de verwijzende rechter heeft dit voor clementieverzoekers aanzienlijke negatieve gevolgen in het kader van het mededingingsrecht en ondermijnt het de doelstelling van bescherming tegen openbaarmaking van de clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking. Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat het standpunt van verzoeksters in het hoofdgeding, dat het Unierecht voorziet in een absolute bescherming van clementieverklaringen, die ruimer is dan de eenvoudige bescherming in het kader van een mededingingsprocedure, ongegrond is. De in het Oostenrijkse recht vastgelegde mogelijkheid voor verdachten en slachtoffers om in een strafprocedure het dossier te raadplegen, staat echter in de weg aan een dergelijke absolute bescherming.
35 Derhalve dient in het hoofdgeding te worden geantwoord op de vraag of stukken uit het karteldossier aan het dossier van een strafrechtelijk onderzoek mogen worden toegevoegd en, zo ja, welke stukken aan dat dossier mogen worden toegevoegd en wie deze stukken mag raadplegen.
36 Bijgevolg strekt de eerste prejudiciële vraag ertoe vast te stellen of de door de richtlijnen 2014/104 en 2019/1 geboden bescherming van clementieverklaringen, van verklaringen met het oog op een schikking en van de daaruit verkregen informatie, aldus moet worden uitgelegd dat zij absoluut is en dus ook geldt ten aanzien van strafrechtelijke autoriteiten. Een positief antwoord op deze vraag zou tot gevolg hebben dat de autoriteiten deze documenten niet aan het dossier mogen toevoegen en geen opdracht mogen geven voor verder onderzoek op basis van deze documenten. Dit vloeit – bij gebreke van een volledige omzetting van deze richtlijnen in nationaal recht binnen de daartoe gestelde termijnen – voort uit de rechtstreekse toepasselijkheid van de desbetreffende bepalingen van die richtlijnen.
37 Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, strekt de tweede prejudiciële vraag ertoe te vernemen of deze eventuele absolute bescherming, behalve voor clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking, ook geldt voor documenten die de clementieverzoeker heeft overgelegd om de inhoud van die verklaringen uiteen te zetten, te concretiseren en te bewijzen.
38 Indien de eerste vraag daarentegen ontkennend wordt beantwoord, moet worden vastgesteld of de in de richtlijnen 2014/104 en 2019/1 geboden bescherming ten minste tot gevolg heeft dat andere verdachten en/of andere partijen in de strafprocedure, zoals benadeelden, definitief de toegang tot die verklaringen wordt ontzegd.
39 In die omstandigheden heeft het Oberlandesgericht Wien de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten de mededingingsrechtelijke bepalingen van het Unierecht – met name richtlijn [2014/104] en artikel 6, leden 6 en 7, en artikel 7, lid 1, daarvan alsook richtlijn [2019/1] en artikel 31, lid 3, daarvan – aldus worden uitgelegd dat de door die bepalingen geboden bescherming van clementieverklaringen, van verklaringen met het oog op een schikking en van de daaruit verkregen informatie absoluut is en ook geldt ten aanzien van de strafrechtelijke autoriteiten (openbare ministeries en strafrechters), zodat clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking in een strafprocedure niet aan het dossier mogen worden toegevoegd en niet als basis voor verder onderzoek mogen dienen? 2) Moeten de mededingingsrechtelijke bepalingen van het Unierecht – met name richtlijn [2014/104] en artikel 6, leden 6 en 7, en artikel 7, lid 1, daarvan alsook richtlijn [2019/1] en artikel 31, lid 3, daarvan – aldus worden uitgelegd dat de absolute bescherming van clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking (in de zin van de eerste vraag) ook betrekking heeft op documenten en daaruit verkregen informatie die degene die een dergelijke verklaring heeft afgelegd, heeft overgelegd om de inhoud van die verklaring uiteen te zetten, te concretiseren en te bewijzen? 3) Moeten de mededingingsrechtelijke bepalingen van het Unierecht – met name richtlijn [2014/104] en artikel 6, leden 6 en 7, en artikel 7, lid 1, daarvan alsook richtlijn [2019/1] en artikel 31, lid 3, daarvan – aldus worden uitgelegd dat de door die bepalingen geboden bescherming van clementieverklaringen, van verklaringen met het oog op een schikking (en documenten in de zin van de tweede vraag) en van daaruit verkregen informatie absoluut is en in strafprocedures zowel geldt ten aanzien van verdachten die degenen zijn die de betreffende clementieverklaring of verklaring met het oog op een schikking hebben afgelegd, als ten aanzien van andere partijen in de strafprocedure (in het bijzonder benadeelden, met het oog op civielrechtelijke vorderingen), zodat aan verdachten en benadeelden geen toegang mag worden verleend tot clementieverklaringen, verklaringen met het oog op een schikking en de in verband daarmee overgelegde documenten, noch tot de daaruit verkregen informatie?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Inleidende overwegingen
40 In herinnering dient te worden gebracht dat de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten een dialoog van rechter tot rechter tot stand brengt die tot doel heeft de eenvormige uitlegging alsook de coherentie, de volle werking en de autonomie van het Unierecht te verzekeren. Deze procedure fungeert dus als een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaft die deze voor de beslechting van de hun voorgelegde geschillen nodig hebben (arrest van 5 december 2017, M.A.S. en M.B., C‑42/17, EU:C:2017:936, punten 22 en 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 In dit verband zij beklemtoond dat het Hof bij de beantwoording van prejudiciële vragen – in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de Unierechters en de nationale rechters – dient uit te gaan van de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin die vragen moeten worden geplaatst (arrest van 5 december 2017, M.A.S. en M.B., C‑42/17, EU:C:2017:936, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Tevens dient het Hof daartoe de voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren. Het Hof heeft immers tot taak alle bepalingen van Unierecht uit te leggen die noodzakelijk zijn voor de beslechting van de bij de nationale rechter aanhangige gedingen, ook wanneer die bepalingen niet uitdrukkelijk worden genoemd in de door die rechter gestelde vragen (arrest van 28 april 2022, NovaText,C‑531/20, EU:C:2022:316, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Met zijn vragen in de onderhavige zaak verzoekt de verwijzende rechter om uitlegging over de draagwijdte van de bepalingen van het mededingingsrecht van de Unie, met name artikel 6, leden 6 en 7, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2014/104 alsook artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1.
44 De uitlegging van deze richtlijnen kan echter slechts relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding indien dit geding binnen de werkingssfeer ervan valt.
45 In dit verband moet in de eerste plaats met betrekking tot de werkingssfeer van richtlijn 2014/104 worden opgemerkt dat deze richtlijn, overeenkomstig artikel 1, lid 2, ervan, bepaalde regels vaststelt voor schadevorderingen die op nationaal niveau worden ingesteld wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Unie. Hieruit volgt dat de materiële werkingssfeer van deze richtlijn, met inbegrip van die van de artikelen 6 en 7 ervan, die respectievelijk de toegang tot bewijsmateriaal in het dossier van een mededingingsautoriteit en de beperkingen op het gebruik van bewijsmateriaal via toegang tot dat dossier regelen, beperkt is tot louter schadevorderingen die zijn ingesteld wegens inbreuken op de mededingingsregels en zich dus niet uitstrekt tot andere soorten vorderingen (zie in die zin arrest van 20 april 2023, Repsol Comercial de Productos Petrolíferos,C‑25/21, EU:C:2023:298, punten 30 en 31).
46 De richtlijn regelt dus noch de kwestie van de overdracht van het dossier van de ene mededingingsautoriteit aan de andere, noch de kwestie van de toegang tot dat dossier los van de bovengenoemde schadevorderingen. Wat dit laatste betreft, blijkt uit het antwoord van de verwijzende rechter op een verzoek van het Hof om verduidelijking dat het hoofdgeding geen betrekking heeft op een dergelijk beroep, maar op een bezwaar dat is ingediend in het kader van een strafrechtelijk onderzoek waarin de betrokken inbreuk – en bijgevolg de desbetreffende vorderingen van de benadeelden – niet het voorwerp vormt van een inbreuk op het mededingingsrecht. Hieruit volgt dat de uitlegging van richtlijn 2014/104 niet relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding, aangezien het hoofdgeding niet binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.
47 Wat in de tweede plaats de werkingssfeer van richtlijn 2019/1 betreft, blijkt uit artikel 1, lid 1, van deze richtlijn dat deze in wezen de doeltreffende toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU beoogt te waarborgen. Artikel 1, lid 2, bepaalt dat deze richtlijn betrekking heeft op, ten eerste, de parallelle toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU en van nationaal mededingingsrecht op een zaak, en ten tweede, wat de door artikel 31, leden 3 en 4, van die richtlijn geregelde aangelegenheden betreft, ook op de toepassing van nationaal mededingingsrecht dat zelfstandig wordt toegepast. Dit recht omvat overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt 6, van richtlijn 2019/1 de bepalingen van nationaal recht die overwegend dezelfde doelstellingen nastreven als de artikelen 101 en 102 VWEU.
48 In dit verband moet met betrekking tot de eerste vraag worden opgemerkt dat in het kader van een mechanisme van administratieve en gerechtelijke onderlinge bijstand zoals dat in het hoofdgeding, richtlijn 2019/1, net zomin als richtlijn 2014/104, de overdracht van het dossier van de ene mededingingsautoriteit aan de andere regelt. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 59 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vormen de toegang tot dossiers voor partijen – waaraan artikel 31 van eerstgenoemde richtlijn, volgens zijn opschrift, is gewijd – en een dergelijke administratieve onderlinge bijstand immers afzonderlijke juridische aspecten. Hieruit volgt dat richtlijn 2019/1 niet relevant is voor de beantwoording van de eerste vraag.
49 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking zijn echter opgesteld en bij de federale mededingingsautoriteit ingediend in het kader van de door die autoriteit gevoerde procedure, die, volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter, de toepassing beoogde van artikel 101 VWEU en het nationale mededingingsrecht dat dezelfde doelstellingen nastreeft als dat artikel.
50 Om de nuttige werking van artikel 101 VWEU te verzekeren, moet dus worden onderzocht of dit artikel zich verzet tegen een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin een mechanisme van administratieve onderlinge bijstand is opgenomen. Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag het Hof verzoekt om uitlegging van artikel 101 VWEU.
51 De tweede en de derde vraag hebben respectievelijk betrekking op de omvang van de bescherming die het mededingingsrecht van de Unie biedt aan de verschillende stukken van een dossier dat voor een nationale mededingingsautoriteit is opgesteld, en op het recht van verschillende partijen in een strafrechtelijke onderzoeksprocedure op toegang tot documenten en informatie die deel uitmaken van dat dossier.
52 In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1 de lidstaten erop toezien dat toegang tot clementieverklaringen of verklaringen met het oog op een schikking uitsluitend wordt verleend aan partijen die het voorwerp zijn van de procedures in kwestie en uitsluitend voor de uitoefening van hun rechten van verdediging.
53 Zoals blijkt uit punt 49 van het onderhavige arrest, zijn de in het hoofdgeding aan de orde zijnde clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking opgesteld overeenkomstig het mededingingsrecht van de Unie en het nationale mededingingsrecht dat dezelfde doelstellingen nastreeft als dat recht.
54 Aangezien, ten eerste, artikel 1, lid 2, van richtlijn 2019/1 bepaalt dat die richtlijn – wat artikel 31, leden 3 en 4, ervan betreft – betrekking heeft op de toepassing van nationaal mededingingsrecht dat zelfstandig wordt toegepast, en, ten tweede, dit artikel 31, lid 3, zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusies heeft aangegeven, aan dergelijke verklaringen een bescherming verleent die moet worden verzekerd ongeacht de context waarin die verklaringen en voorstellen worden gebruikt, is de uitlegging van laatstgenoemde bepaling relevant voor de beantwoording van de tweede en de derde vraag.
55 Voor deze overwegingen is, ten eerste, steun te vinden in het feit dat de Uniewetgever, zoals blijkt uit de overwegingen 50 en 72 van richtlijn 2019/1, het belang van clementieregelingen voor de doeltreffende toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU heeft herhaald, en heeft gewezen op de noodzaak dat het risico dat voor de clementieverzoeker zelf bezwarend materiaal wordt bekendgemaakt buiten het kader van het onderzoek waarvoor het werd verstrekt, dient te worden verminderd. Ten tweede is artikel 31, lid 3, van deze richtlijn, zoals blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden ervan, bedoeld als aanvulling op de bescherming die aan clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking wordt geboden door richtlijn 2014/104, die de bescherming van deze documenten in het kader van schadevorderingen bij de nationale rechterlijke instanties wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten of van de Unie had geharmoniseerd, maar die evenwel geen betrekking had op andere situaties, zoals het gebruik van deze documenten in andere civiele, administratieve of strafrechtelijke procedures of de toegang van het publiek tot die documenten, aangezien het niveau van de aan deze documenten verleende bescherming in die andere gevallen aanzienlijk verschilt van lidstaat tot lidstaat.
56 Gelet op hetgeen volgt uit de punten 49 en 53 van het onderhavige arrest en in het bijzonder uit het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking zijn opgesteld en bij de federale mededingingsautoriteit zijn ingediend op grond van met name artikel 101 VWEU en dus om het mededingingsrecht van de Unie ten uitvoer te brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), moet bovendien worden opgemerkt dat artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1 ook moet worden uitgelegd in het licht van de bepalingen van het Handvest.
Eerste vraag
57 Gelet op de voorgaande inleidende overwegingen moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 101 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de nationale mededingingsautoriteit en de voor kartelzaken bevoegde nationale rechterlijke instantie in het kader van het in die regeling vastgelegde mechanisme van administratieve bijstand, verplicht zijn om aan het openbaar ministerie, op diens verzoek, de dossiers van deze autoriteit en deze rechterlijke instantie, met inbegrip van de in die dossiers opgenomen clementieverklaringen, verklaringen met het oog op een schikking en de daaruit verkregen informatie, over te dragen.
58 Er zij aan herinnerd dat het Unierecht volgens vaste rechtspraak enerzijds verplichtingen ten laste van particulieren in het leven roept, maar anderzijds ook rechten schept die deze particulieren kunnen doen gelden. Deze rechten ontstaan niet alleen wanneer de Verdragen ze uitdrukkelijk toekennen, maar ook als weerslag van duidelijk bepaalde verplichtingen die de Verdragen zowel aan particulieren als aan de lidstaten en de instellingen van de Unie opleggen (arrest van 20 april 2023, Repsol Comercial de Productos Petrolíferos,C‑25/21, EU:C:2023:298, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 Voorts brengt artikel 101, lid 1, VWEU rechtstreekse gevolgen teweeg in de betrekkingen tussen particulieren en roept het rechten voor de justitiabelen in het leven die door de nationale rechter moeten worden gehandhaafd (zie in die zin arrest van 20 april 2023, Repsol Comercial de Productos Petrolíferos,C‑25/21, EU:C:2023:298, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 Zoals blijkt uit punt 49 van het onderhavige arrest, lijken de in het hoofdgeding aan de orde zijnde clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking in casu te zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 101 VWEU en een nationale bepaling die in wezen dezelfde doelstellingen als dat artikel nastreeft.
61 Een mechanisme voor administratieve bijstand, zoals dat waarin de betrokken nationale regeling voorziet, dat de overheidsinstanties verplicht om elkaar onderlinge bijstand te verlenen in het kader van hun respectieve bevoegdheidsgebieden en op grond waarvan de mededingingsautoriteit en de voor kartelzaken bevoegde nationale rechterlijke instantie verplicht zijn om aan het openbaar ministerie, op diens verzoek, de dossiers – met inbegrip van de in die dossiers opgenomen clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking – over te dragen, zelfs in het kader van strafprocedures die geen betrekking hebben op een schending van het mededingingsrecht, wordt als zodanig echter niet door het Unierecht geregeld.
62 In dit verband zij er evenwel aan herinnerd dat de lidstaten weliswaar bevoegd zijn om een dergelijk mechanisme voor administratieve bijstand vast te stellen, maar dat zij bij de uitoefening van deze bevoegdheid het Unierecht in acht moeten nemen, en zij, specifiek wanneer het mededingingsrecht kan worden aangetast, ervoor moeten zorgen dat de regels die zij vaststellen of toepassen, de doeltreffende toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU onverlet laten (zie in die zin arrest van 30 januari 2025, Caronte & Tourist, C‑511/23, EU:C:2025:42, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 Tevens zij eraan herinnerd dat clementieprogramma’s, zoals het Hof reeds heeft benadrukt, nuttige instrumenten zijn bij de doeltreffende bestrijding teneinde inbreuken op de mededingingsregels op te sporen en te beëindigen, en dus het doel van doeltreffende toepassing van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU dienen. De doeltreffendheid van deze programma’s kan echter worden aangetast indien degenen die bij schendingen van het mededingingsrecht zijn betrokken, ervan zouden worden weerhouden gebruik te maken van de door dergelijke programma’s geboden mogelijkheid, omdat documenten betreffende een clementieprocedure mogelijkerwijs worden meegedeeld aan andere rechtssubjecten dan degenen voor wie deze documenten zijn ingediend, zoals personen die een schadevordering wensen in te stellen (zie in die zin arresten van 14 juni 2011, Pfleiderer,C‑360/09, EU:C:2011:389, punten 25‑27, en 6 juni 2013, Donau Chemie e.a.,C‑536/11, EU:C:2013:366, punt 42).
64 Daarnaast kan, zoals de advocaat-generaal respectievelijk in de punten 66 en 69 van zijn conclusie heeft opgemerkt, ten eerste, de nuttige werking van artikel 101 VWEU ook worden ondermijnd door procedures die niet tot doel hebben dit artikel van het Unierecht ten uitvoer te brengen en zijn, ten tweede, de richtlijnen 2014/104 en 2019/1 weliswaar niet van toepassing op een mechanisme van administratieve bijstand tussen de nationale autoriteiten van één lidstaat zoals die in het hoofdgeding, maar doen de in deze richtlijnen in verband met de openbaarmaking van zelfincriminerende documenten vastgestelde risico’s – waardoor potentiële clementieverzoekers zich minder gestimuleerd kunnen voelen om met de nationale mededingingsautoriteiten samen te werken – zich ook voor in het kader van dergelijke bijstand.
65 Vastgesteld moet dus worden dat een dergelijk mechanisme van administratieve bijstand zodanig moet worden ingericht dat de nuttige werking van artikel 101 VWEU wordt gewaarborgd, met name door te voorkomen dat de door het Unierecht geboden bescherming wordt uitgehold als gevolg van de toegang tot clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking.
66 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 101 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de nationale mededingingsautoriteit en de voor kartelzaken bevoegde nationale rechterlijke instantie verplicht zijn om, in het kader van het in die regeling vastgelegde mechanisme van administratieve bijstand, aan het openbaar ministerie, op diens verzoek, de dossiers van deze autoriteit en van deze rechterlijke instantie, met inbegrip van de in die dossiers opgenomen clementieverklaringen, verklaringen met het oog op een schikking en de daaruit verkregen informatie, over te dragen.
Tweede vraag
67 Gelet op de inleidende overwegingen in punt 40 tot en met 56 van het onderhavige arrest moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1 aldus moet worden uitgelegd dat de door die bepaling aan clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking geboden bescherming zich ook uitstrekt tot documenten en inlichtingen die zijn verstrekt om de inhoud van die verklaringen uiteen te zetten, te concretiseren en te bewijzen.
68 Artikel 2, lid 1, punt 17, van richtlijn 2019/1 definieert het begrip „clementieverklaring” in dit verband als een vrijwillig door of namens een onderneming of een natuurlijke persoon ten overstaan van een nationale mededingingsautoriteit afgelegde mondelinge of schriftelijke verklaring of een opname daarvan, waarin de onderneming of een natuurlijke persoon mededeelt wat zij of hij weet over een kartel en wat haar of zijn rol daarin was, en die speciaal ten behoeve van die autoriteit is opgesteld met het oog op het verkrijgen van immuniteit tegen of vermindering van de geldboeten in het kader van een clementieregeling. Het begrip „verklaring met het oog op een schikking” is in dat artikel 2, lid 1, punt 18, gedefinieerd als een vrijwillige verklaring ten overstaan van een mededingingsautoriteit, afgelegd door of namens een onderneming, waarin de onderneming haar deelname aan een inbreuk op het mededingingsrecht en haar aansprakelijkheid voor die inbreuk op het mededingingsrecht erkent of ervan afziet deze te betwisten, en die speciaal is opgesteld om de mededingingsautoriteit in staat te stellen een vereenvoudigde procedure of een versnelde procedure toe te passen.
69 Hieruit volgt dat artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1 documenten beschermt waarvan de inhoud, het doel en de voorwaarden voor de opstelling overeenkomen met de definities die in het voorgaande punt van dit arrest zijn vermeld.
70 Volgens die definities omvatten clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking geen reeds bestaande informatie, die volgens artikel 2, lid 1, punt 17, van richtlijn 2019/1 overeenkomt met bewijsmateriaal dat los van de handhavingsprocedure bestaat, ongeacht of deze informatie zich al dan niet in het dossier van een mededingingsautoriteit bevindt, zoals documenten die dateren uit de periode van de betrokken inbreuk.
71 Bovendien zij erop gewezen dat artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1, dat betrekking heeft op de toegang tot het dossier van een mededingingsautoriteit, uitdrukkelijk betrekking heeft op clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking, en de toegang daartoe beperkt tot partijen die het voorwerp zijn van de procedures in kwestie en uitsluitend voor de uitoefening van hun rechten van verdediging.
72 Vastgesteld moet dus worden dat deze bepaling geen betrekking heeft op de toegang tot de andere stukken van dat dossier, zoals de bijlagen en de inlichtingen die aan deze verklaringen zijn ontleend om de inhoud ervan uiteen te zetten, te concretiseren en te bewijzen.
73 Deze vaststelling vindt steun in de vaste rechtspraak volgens welke eenieder vergoeding kan vorderen voor de schade die hem door een mededingingsverstorende gedraging zou zijn berokkend. Een dergelijk recht maakt de mededingingsregels van de Unie immers gemakkelijker toepasbaar, waardoor – vaak verborgen – overeenkomsten of praktijken die de mededinging kunnen beperken of vervalsen, minder aantrekkelijk worden. In zoverre kunnen bij de nationale rechter ingediende schadevorderingen wezenlijk bijdragen tot de handhaving van een daadwerkelijke mededinging in de Unie (arrest van 14 juni 2011, Pfleiderer,C‑360/09, EU:C:2011:389, punten 28 en 29).
74 Voorts worden geschillen over inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie en op het nationale mededingingsrecht in beginsel gekenmerkt door een informatieasymmetrie ten nadele van degene die schade heeft geleden. Daardoor wordt het voor diegene moeilijker gemaakt om de informatie te verkrijgen die noodzakelijk is om een schadevordering in te stellen dan voor de mededingingsautoriteiten om de informatie te verkrijgen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun bevoegdheid om het mededingingsrecht toe te passen (arrest van 22 juni 2022, Volvo en DAF Trucks, C‑267/20, EU:C:2022:494, punt 55).
75 Daarnaast heeft het Hof geoordeeld dat de bekendmaking, in de vorm van letterlijke citaten, van een verklaring die met het oog op clementie is afgelegd, nooit wordt toegestaan, terwijl de bekendmaking van informatie uit documenten die een onderneming heeft overgelegd ter ondersteuning van een dergelijke verklaring, wel wordt toegestaan, met eerbiediging van met name de aan de zakengeheimen, het beroepsgeheim of de andere vertrouwelijke informatie toekomende bescherming (zie in die zin arrest van 14 maart 2017, Evonik Degussa/Commissie,C‑162/15 P, EU:C:2017:205, punt 87).
76 Daaruit volgt dat het beschermingsniveau van de documenten die zijn opgesteld op basis van clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking, of die als bijlage bij die verklaringen zijn gevoegd, alsmede de daaruit verkregen informatie, niet hetzelfde is als het beschermingsniveau dat door het mededingingsrecht van de Unie aan die verklaringen wordt toegekend.
77 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1 aldus moet worden uitgelegd dat de door die bepaling aan clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking geboden bescherming zich niet uitstrekt tot documenten en inlichtingen die zijn verstrekt om de inhoud van die verklaringen uiteen te zetten, te concretiseren en te bewijzen.
Derde vraag
78 Gelet op de inleidende overwegingen in de punten 40 tot en met 56 van het onderhavige arrest moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn derde vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1, gelezen in het licht van artikel 47, eerste en tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan, in het kader van een strafprocedure die geen betrekking heeft op een inbreuk op het mededingingsrecht, aan verdachten die niet degenen zijn die de betrokken clementieverklaring of verklaring met het oog op een schikking hebben afgelegd, alsook aan andere partijen in de strafprocedure, met name degenen die door de betrokken inbreuk op het mededingingsrecht zijn benadeeld en die in deze procedure vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade vorderen, toegang wordt verleend tot deze verklaringen, die zijn afgelegd ten behoeve van een procedure bij een nationale mededingingsautoriteit en die aan de nationale strafrechtelijke autoriteiten zijn overgedragen.
79 Zoals de advocaat-generaal in punt 96 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dient de bescherming van clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking twee intrinsiek met elkaar verbonden doelen, te weten het doel om de betrokkenen te beschermen tegen de risico’s die gepaard gaan met de openbaarmaking van zelfincriminerende documenten en het doel om ervoor te zorgen dat de toegang tot die documenten geen schade toebrengt aan openbare belangen, zoals een doeltreffend beleid van bestraffing van schendingen van het mededingingsrecht, voor zover een algemene toegang tot die documenten personen die bij een schending van de artikelen 101 en 102 VWEU betrokken zijn, ervan zou kunnen weerhouden samen te werken met de nationale mededingingsautoriteiten.
80 In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat volgens de op het hoofdgeding toepasselijke nationale regeling zowel de partijen die in het kader van een strafrechtelijke onderzoeksprocedure in verdenking zijn gesteld als andere partijen in deze procedure, zoals degenen die zijn benadeeld door een inbreuk op het mededingingsrecht en die vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade vorderen, recht hebben op toegang tot clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking die aan het dossier van die procedure zijn toegevoegd.
81 Zoals blijkt uit de punten 49, 53, 56 en 60 van het onderhavige arrest, zijn de in het hoofdgeding aan de orde zijnde clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking opgesteld overeenkomstig het mededingingsrecht van de Unie en moet de bescherming die daaraan wordt verleend door artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1 worden verzekerd ongeacht de context waarin die verklaringen worden gebruikt. Bijgevolg moet worden onderzocht of deze bepaling zich verzet tegen een nationale regeling als bedoeld in het vorige punt van het onderhavige arrest.
82 Wat in de eerste plaats de toegang tot clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking betreft voor verdachten die niet degenen zijn die dergelijke documenten hebben opgesteld, zij eraan herinnerd dat artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1 volgens een algemeen uitleggingsbeginsel zo veel mogelijk aldus moet worden uitgelegd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de geldigheid ervan en dat deze bepaling in overeenstemming is met het primaire Unierecht in zijn geheel, en met name met de bepalingen van het Handvest [zie in die zin arrest van 16 november 2023, Ligue des droits humains (Controle door de toezichthoudende autoriteit op de gegevensverwerking),C‑333/22, EU:C:2023:874, punt 57], in casu artikel 47 van het Handvest, waarin het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht is verankerd, en artikel 48, lid 2, ervan, dat beoogt de eerbiediging van de rechten van de verdediging te garanderen.
83 Bovendien hebben overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest de daarin vervatte rechten dezelfde inhoud en reikwijdte als de daarmee corresponderende rechten die zijn gegarandeerd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), hetgeen niet verhindert dat het Unierecht een ruimere bescherming biedt. Bij de uitlegging van de door artikel 47, eerste en tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest gewaarborgde rechten moet het Hof dus rekening houden met de daarmee corresponderende rechten die worden gewaarborgd door de artikelen 6 en 13 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), als minimumbeschermingsniveau [arrest van 22 juni 2023, K.B. en F.S. (Ambtshalve vaststelling in strafzaken),C‑660/21, EU:C:2023:498, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
84 In dit verband heeft het EHRM met betrekking tot de door artikel 6, lid 1, EVRM gewaarborgde rechten van de verdediging geoordeeld dat deze bepaling in beginsel vereist dat de strafrechtelijke autoriteiten verdachten toegang verlenen tot alle relevante belastende of ontlastende bewijsstukken in hun bezit. Deze toegang betreft zowel bewijsmateriaal dat rechtstreeks verband houdt met de feiten van een zaak als de elementen die betrekking hebben op de ontvankelijkheid, de betrouwbaarheid en de volledigheid van die bewijzen. Het EHRM heeft er evenwel op gewezen dat dit recht op toegang tot het strafdossier niet absoluut is en dat het in sommige gevallen noodzakelijk kan zijn om aan de verdediging bepaald bewijsmateriaal te onthouden teneinde de fundamentele rechten van een andere persoon te beschermen of een belangrijk algemeen belang te waarborgen. Volgens het EHRM worden maatregelen die de rechten van de verdediging beperken, echter uitsluitend legitiem geacht in het licht van het EVRM indien zij absoluut noodzakelijk zijn (zie in die zin EHRM, Yakuba tegen Oekraïne, 12 februari 2019 (CE:ECHR:2019:0212JUD000145209, §§ 43 en 44).
85 Voorts heeft het EHRM geoordeeld dat een procedure waarin de toegang tot bewijsmateriaal werd geweigerd op grond van de aard van de litigieuze documenten, en niet op grond van een analyse van hun inhoud, als gevolg daarvan ernstige gebreken vertoonde (zie in die zin EHRM, Mirilashvili tegen Rusland, 11 december 2008 (CE:ECHR:2008:1211JUD000629304, §§ 206‑208).
86 Hieruit volgt dat artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1, ter waarborging van de in artikel 47, eerste en tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest verankerde bescherming van de rechten van verdachten tegen wie een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld, niet aldus kan worden uitgelegd dat het zich er op absolute wijze tegen verzet dat deze verdachten, met het oog op de uitoefening van hun rechten van verdediging, toegang hebben tot clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking die aan het dossier van die procedure zijn toegevoegd, in het bijzonder wanneer tegen die verdachten verwijten zijn ingebracht die op het bewijsmateriaal in dit dossier zijn gebaseerd. Uit de bewoordingen zelf van die bepaling blijkt immers dat de partijen die het voorwerp zijn van de procedures in kwestie juist voor de uitoefening van hun rechten van verdediging een recht op toegang tot die verklaringen hebben. Deze toegang kan dus niet louter op grond van de aard van die verklaringen worden geweigerd, aangezien de niet-openbaarmaking ervan aan die verdachten alleen kan worden gerechtvaardigd om redenen die verband houden met de bescherming van een bepaald openbaar belang, met name de vertrouwelijkheid van de in die documenten vervatte informatie en de nuttige werking van het mededingingsrecht van de Unie, na een onderzoek per geval.
87 Wat in de tweede plaats de toegang tot clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking betreft voor andere partijen bij de strafrechtelijke onderzoeksprocedure dan verdachten, zij eraan herinnerd dat – zoals in punt 63 van het onderhavige arrest is opgemerkt – de clementieprogramma’s nuttige instrumenten zijn voor de doeltreffende bestrijding van inbreuken op mededingingsregels en ertoe bijdragen dat de doeltreffende toepassing van artikel 101 VWEU wordt gewaarborgd. Zoals ook blijkt uit de in dat punt aangehaalde rechtspraak en uit de overwegingen 50 en 72 van richtlijn 2019/1, zouden degenen die bij schendingen van het mededingingsrecht betrokken zijn, ervan worden weerhouden gebruik te maken van de door dergelijke programma’s geboden mogelijkheid en zou afbreuk kunnen worden gedaan aan die doeltreffende toepassing wanneer de documenten betreffende een clementieprocedure zouden kunnen worden meegedeeld, met name aan personen die een schadevordering wensen in te stellen.
88 In dit verband blijkt uit artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1 dat het mededingingsrecht van de Unie toegang tot clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking die zijn opgesteld in het kader van een handhavingsprocedure van de nationale mededingingsautoriteit, uitsluitend verleent aan partijen die het voorwerp zijn van deze procedure en uitsluitend voor de uitoefening van hun rechten van verdediging. De uitdrukking „partijen die het voorwerp zijn van de procedures in kwestie” in die bepaling kan echter niet aldus worden opgevat dat zij ook ziet op benadeelde personen die een schadevordering kunnen instellen.
89 Zo zou die bepaling worden uitgehold indien het nationale recht aan clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking, nadat deze verklaringen in het kader van de door de strafrechtelijke autoriteiten gevoerde strafrechtelijke onderzoeksprocedure ingevolge een mechanisme van administratieve onderlinge bijstand aan die autoriteiten zijn overgedragen, geen bescherming zou bieden die gelijkwaardig is aan de bescherming die door het mededingingsrecht van de Unie wordt verzekerd, en, met name, indien iedere partij in die procedure, daaronder begrepen benadeelden die een schadevordering kunnen instellen, toegang zou hebben tot die verklaringen.
90 Derhalve moet worden vastgesteld dat deze toegang afbreuk kan doen aan het nuttig effect van artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1 en dus niet kan worden verleend aan andere partijen in de strafrechtelijke onderzoeksprocedure dan de verdachten, en in het bijzonder niet aan degenen die zijn benadeeld door de betrokken inbreuk op het mededingingsrecht en die in deze procedure vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade vorderen.
91 Voor zover uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat volgens het toepasselijke nationale recht andere personen dan verdachten in het kader van een strafrechtelijke onderzoeksprocedure recht hebben op toegang tot clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking die zich in het dossier van dat onderzoek bevinden, moet hieraan worden toegevoegd dat, teneinde de doeltreffendheid van alle Unierechtelijke bepalingen te waarborgen, het voorrangsbeginsel de nationale rechterlijke instanties ertoe verplicht om hun nationale recht zo veel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen. Wanneer die rechterlijke instanties het nationale recht toepassen, moeten zij dat recht dus zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de relevante Unierechtelijke bepalingen, en daarbij het gehele interne recht in aanmerking nemen en toepassing geven aan de daarin erkende uitleggingsmethoden, teneinde de volle werking van die bepalingen te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (zie in die zin arrest van 30 januari 2025, Caronte & Tourist, C‑511/23, EU:C:2025:42, punten 78 en 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
92 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1, gelezen in het licht van artikel 47, eerste en tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan, in het kader van een strafprocedure die geen betrekking heeft op een inbreuk op het mededingingsrecht, aan verdachten die niet degenen zijn die de betrokken verklaringen hebben afgelegd, toegang wordt verleend tot clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking die zijn afgelegd ten behoeve van een procedure bij een nationale mededingingsautoriteit en zijn overgedragen aan de nationale strafrechtelijke autoriteiten, maar zich wel verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een dergelijke toegang wordt verleend aan andere partijen in deze strafprocedure, met name degenen die door de betrokken inbreuk op het mededingingsrecht zijn benadeeld en die vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade vorderen.
Kosten
93 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 101 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de nationale mededingingsautoriteit en de voor kartelzaken bevoegde nationale rechterlijke instantie verplicht zijn om, in het kader van het in die regeling vastgelegde mechanisme van administratieve bijstand, aan het openbaar ministerie, op diens verzoek, de dossiers van deze autoriteit en van deze rechterlijke instantie, met inbegrip van de in die dossiers opgenomen clementieverklaringen, verklaringen met het oog op een schikking en de daaruit verkregen informatie, over te dragen.
2) Artikel 31, lid 3, van richtlijn (EU) 2019/1 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt moet aldus worden uitgelegd dat de door die bepaling aan clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking geboden bescherming zich niet uitstrekt tot documenten en inlichtingen die zijn verstrekt om de inhoud van die verklaringen uiteen te zetten, te concretiseren en te bewijzen.
3) Artikel 31, lid 3, van richtlijn 2019/1, gelezen in het licht van artikel 47, eerste en tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan, in het kader van een strafprocedure die geen betrekking heeft op een inbreuk op het mededingingsrecht, aan verdachten die niet degenen zijn die de betrokken verklaringen hebben afgelegd, toegang wordt verleend tot clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking die zijn afgelegd ten behoeve van een procedure bij een nationale mededingingsautoriteit en zijn overgedragen aan de nationale strafrechtelijke autoriteiten, maar zich wel verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een dergelijke toegang wordt verleend aan andere partijen in deze strafprocedure, met name degenen die door de betrokken inbreuk op het mededingingsrecht zijn benadeeld en die in deze procedure vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade vorderen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 30 januari 2025, C-511/23, ECLI:EU:C:2025:42
- HvJ EU 16 november 2023, C-333/22, ECLI:EU:C:2023:874
- HvJ EU 22 juni 2023, C-660/21, ECLI:EU:C:2023:498
- HvJ EU 20 april 2023, C-25/21, ECLI:EU:C:2023:298
- HvJ EU 22 juni 2022, C-267/20, ECLI:EU:C:2022:494
- HvJ EU 28 april 2022, C-531/20, ECLI:EU:C:2022:316
- HvJ EU 5 december 2017, C-42/17, ECLI:EU:C:2017:936
- HvJ EU 14 maart 2017, C-162/15, ECLI:EU:C:2017:205
- HvJ EU 6 juni 2013, C-536/11, ECLI:EU:C:2013:366
- HvJ EU 14 juni 2011, C-360/09, ECLI:EU:C:2011:389