HvJ EU 29 april 2004, C-277/00, ECLI:EU:C:2004:238

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak C‑277/00

Bondsrepubliek Duitsland

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Beroep tot nietigverklaring – Staatssteun – Beschikking 2000/567/EG – Steunmaatregel verleend door Bondsrepubliek Duitsland aan System Microelectronic Innovation GmbH, Frankfurt/Oder (Brandenburg) – Artikel 88, lid 2, EG – Rechten van verdediging – Verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Artikel 87, lid 1, EG – Terugvordering van onwettige steun – Terugvordering van andere ondernemingen dan aanvankelijk begunstigde”

Samenvatting van het arrest

1. Steunmaatregelen van de staten – Verbod – Afwijkingen – Draagwijdte van afwijking – Strikte uitlegging – Werkzaamheden van Treuhandanstalt – Begrip privatisering

(Art. 87, lid 1, en lid 2, sub c, EG)

2. Steunmaatregelen van de staten – Onderzoek door Commissie – Beoordeling van wettigheid aan hand van gegevens die beschikbaar zijn op ogenblik van vaststelling van beschikking

(Art. 88 EG)

3. Steunmaatregelen van de staten – Verbod – Afwijkingen – Steun voor streken die nadeel ondervinden van deling van Duitsland – Draagwijdte van afwijking – Strikte uitlegging – Economische nadelen die hun oorzaak vinden in isolement ten gevolge van grens tussen twee zones

(Art. 87, lid 1, en lid 2, sub c, EG)

4. Steunmaatregelen van de staten – Terugvordering van onwettige steun – Verplichting voortvloeiend uit onwettigheid – Doel – Herstel van vroegere toestand

(Art. 88, lid 2, EG)

5. Steunmaatregelen van de staten – Terugvordering van onwettige steun – Bepaling van schuldenaar in geval van overdracht van activa – Verkrijger van concurrentievoordeel

(Art. 88, lid 2, EG)

1. De uitzonderingen op het in artikel 87, lid 1, EG neergelegde algemene beginsel van de onverenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt moeten restrictief worden uitgelegd. Voor de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.

De regeling die op de transacties van de Treuhandanstalt van toepassing is, zoals die door de Commissie is vastgesteld, bevat een aantal uitzonderingen op het in artikel 87, lid 1, EG neergelegde algemene beginsel van de onverenigbaarheid van steun met de gemeenschappelijke markt. Met deze uitzonderingen beoogde de Commissie de taak van de Treuhandanstalt, een orgaan dat uniek in zijn soort is, te vergemakkelijken: het herstructureren van de ondernemingen van de voormalige Duitse Democratische Republiek en de overgang van een planeconomie naar een markteconomie.

Het begrip „privatisering” in het kader van de Treuhandanstalt-regelingen, als voorwaarde voor de toepassing van een regeling die afwijkt van het in artikel 87, lid 1, EG neergelegde algemene beginsel van de onverenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt, moet restrictief worden uitgelegd. In het kader van een dergelijke uitlegging kan er van privatisering in de zin van de bedoelde regelingen in beginsel slechts sprake zijn indien een particuliere belegger een aandeel in het kapitaal verwerft dat hem de zeggenschap over de betrokken onderneming verleent.

Zo is het niet onmogelijk dat de verwerving van een minderheidsaandeel in het kapitaal van een openbare onderneming, samen met de overdracht van de effectieve controle over deze onderneming, als „privatisering” in de zin van de Treuhandanstalt-regelingen kan worden aangemerkt.

(cf. punten 20‑22, 24‑25)

2. De wettigheid van een beschikking inzake staatssteun moet worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie beschikte op het ogenblik waarop zij haar beschikking gaf. Bijgevolg kan een lidstaat de wettigheid van een dergelijke beschikking niet betwisten met een beroep op gegevens waarvan hij de Commissie niet gedurende de administratieve procedure in kennis heeft gesteld.

(cf. punt 39)

3. Artikel 87, lid 2, sub c, EG, volgens hetwelk „steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, voorzover deze steunmaatregelen noodzakelijk zijn om de door deze deling berokkende economische nadelen te compenseren”, met de gemeenschappelijke markt verenigbaar zijn, is na de hereniging van Duitsland niet afgeschaft, noch bij het Verdrag betreffende de Europese Unie, noch bij het Verdrag van Amsterdam.

Als uitzondering op het in artikel 87, lid 1, EG neergelegde algemene beginsel van de onverenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt, moet artikel 87, lid 2, sub c, EG, evenwel restrictief worden uitgelegd. Bovendien dient voor de uitlegging ervan niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan het deel uitmaakt.

Voorzover artikel 87, lid 2, sub c, EG na de hereniging van Duitsland van toepassing is op de nieuwe deelstaten, is deze toepassing slechts mogelijk onder dezelfde voorwaarden als die welke golden in de oude deelstaten in de periode vóór de hereniging.

Dienaangaande refereert de uitdrukking „deling van Duitsland” historisch aan de totstandkoming van de scheidingslijn tussen de twee bezette zones in 1948. Met de „door deze deling berokkende economische nadelen” kunnen derhalve alleen die economische nadelen worden bedoeld, die in bepaalde gebieden in Duitsland zijn veroorzaakt door het isolement dat de instelling van die materiële grens heeft teweeggebracht, zoals de onderbreking van verkeerswegen of het verlies van afzetmarkten door het afbreken van de handelsbetrekkingen tussen de twee delen van het Duitse grondgebied.

De opvatting dat artikel 87, lid 2, sub c, EG het mogelijk maakt de – stellig onbetwistbare – economische achterstand van de nieuwe deelstaten volledig te compenseren, gaat daarentegen zowel voorbij aan het uitzonderingskarakter van deze bepaling als aan de context en het doel ervan. De economische nadelen die de nieuwe deelstaten in het algemeen ondervinden, zijn immers niet rechtstreeks door de geografische deling van Duitsland in de zin van artikel 87, lid 2, sub c, EG veroorzaakt. Vaststaat dat de verschillen in ontwikkeling tussen de oude en de nieuwe deelstaten andere oorzaken hebben dan de geografische breuk die het gevolg is van de deling van Duitsland, met name de in elk van de twee delen van Duitsland ingevoerde verschillende politiek-economische systemen.

(cf. punten 45‑53)

4. De opheffing van onwettige staatssteun door terugvordering ervan is het logische gevolg van de vaststelling dat de staatssteun onwettig is, en beoogt het herstel in de vroegere toestand. Dit doel is bereikt zodra de betrokken steun, eventueel vermeerderd met vertragingsrente, is terugbetaald door de begunstigde, of, met andere woorden, door de ondernemingen die deze steun feitelijk hebben genoten. Door deze terugbetaling verliest de begunstigde immers het voordeel dat hij ten opzichte van zijn concurrenten op de markt genoot, en wordt de toestand van vóór de steunverlening hersteld.

Hieruit volgt dat het hoofddoel van de terugbetaling van de onwettig betaalde staatssteun erin bestaat de verstoring van de mededinging op te heffen welke voortkomt uit het concurrentievoordeel dat de onwettige steun verleende.

(cf. punten 74‑76)

5. Wanneer een onderneming die onwettige staatssteun heeft genoten, wordt gekocht tegen de marktprijs, dat wil zeggen tegen de hoogste prijs die een particuliere investeerder die onder normale mededingingsvoorwaarden handelt, bereid is te betalen voor deze vennootschap in de toestand waarin zij zich bevindt, met name na staatssteun te hebben genoten, is dit steunelement tegen de marktprijs geraamd en meegerekend in de aankoopprijs. In die omstandigheden kan de koper niet worden geacht een voordeel te hebben genoten ten opzichte van de andere marktdeelnemers.

Wanneer de onderneming waaraan onwettige steun is verleend, haar rechtspersoonlijkheid behoudt en de aldus gesubsidieerde activiteiten – voor eigen rekening – blijft uitoefenen, behoudt zij normalerwijs het aan de betrokken steun verbonden concurrentievoordeel, en moet zij bijgevolg worden verplicht een bedrag gelijk aan deze steun terug te betalen. Er kan dus niet aan de koper worden gevraagd dat hij een dergelijke steun terugbetaalt.

Wanneer de begunstigde onderneming evenwel failliet wordt verklaard, kunnen het herstel van de vorige toestand en de opheffing van de verstoring van de mededinging die uit de onwettig verleende steun voortvloeit, in beginsel geschieden door inschrijving van de vordering tot terugbetaling van de betrokken steun op de lijst van schuldvorderingen.

Het is zeker niet uitgesloten dat ingeval afgesplitste vennootschappen worden opgericht om een deel van de activiteiten van de begunstigde onderneming voort te zetten, wanneer deze laatste failliet is gegaan, deze vennootschappen in voorkomend geval eveneens gehouden kunnen zijn de betrokken steun terug te betalen, zodra is bewezen dat zij het concurrentievoordeel dat aan deze steun is verbonden, feitelijk blijven genieten. Dit zou namelijk het geval kunnen zijn indien de afgesplitste vennootschappen activa van de vennootschap in liquidatie aankopen zonder een prijs tegen de marktvoorwaarden te betalen, of wanneer is bewezen dat door de oprichting van dergelijke vennootschappen de verplichting tot terugbetaling van deze steun wordt omzeild.

Het feit alleen dat de installaties van de begunstigde onderneming gedurende een bepaalde periode door een dergelijke vennootschap werden gehuurd, vormt op zich evenwel geen voldoende bewijs dat laatstgenoemde een concurrentievoordeel heeft gehaald uit de steun die drie jaar vóór de oprichting van de huurder aan de verhuurder werd verleend.

(cf. punten 80‑81, 85‑86, 88)

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 29 april 2004(1)

„Beroep tot nietigverklaring – Steunmaatregelen – Beschikking 2000/567/EG – Steunmaatregel van de Bondsrepubliek Duitsland ten behoeve van System Microelectronic Innovation GmbH, Frankfurt/Oder (Brandenburg) – Artikel 88, lid 2, EG – Rechten van verdediging – Verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Artikel 87, lid 1, EG – Terugvordering van onrechtmatige steun – Terugvordering van andere ondernemingen dan aanvankelijk begunstigde”

verzoekster,

tegen

verweerster,

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 juni 2003,

het navolgende

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

Skouris Gulmann Puissochet

Schintgen Colneric

De griffier De president

R. Grass V. Skouris

1 – Procestaal: Duits.