Gerecht EU 24 september 2019, T-121/15, ECLI:EU:T:2019:684
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)
24 september 2019 ( *1 )
„Staatssteun – Chemische industrie – Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard – Begrip ‚staatssteun’ – Staatsmiddelen – Voordeel – Terugvordering – Economische continuïteit – Beginsel van behoorlijk bestuur – Motiveringsplicht”
In zaak T‑121/15,
Fortischem a.s., gevestigd te Nováky (Slowakije), vertegenwoordigd door C. Arhold, P. Hodál en M. Staroň, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Armati en G. Conte als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
AlzChem AG, gevestigd te Trostberg (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door P. Alexiadis, solicitor, A. Borsos en I. Georgiopoulos, advocaten, vervolgens door P. Alexiadis, A. Borsos en V. Dolka, advocaten,
interveniënte,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de artikelen 1 en 3 tot en met 5 van besluit (EU) 2015/1826 van de Commissie van 15 oktober 2014 betreffende de staatssteun SA.33797 (2013/C) (ex 2013/NN) (ex 2011/CP) ten uitvoer gelegd door Slowakije ten gunste van NCHZ (PB 2015, L 269, blz. 71),
wijst
HET GERECHT (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. Berardis, president, S. Papasavvas en O. Spineanu‑Matei (rapporteur), rechters,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 april 2019,
het navolgende
Arrest
I. Voorgeschiedenis van het geding
1 Novácké chemické závody, a.s. v konkurze (hierna: „NCHZ”) was een chemieproducent in handen van privaat kapitaal en bestond uit drie divisies. Deze onderneming exploiteerde een chemiefabriek in de regio Trenčín (Slowakije). Zij hield zich hoofdzakelijk bezig met de productie van calciumcarbide en technische gassen, polyvinylchloride en bijproducten daarvan, alsook in toenemende mate met de productie van chemische basisproducten en hoogwaardige chemische producten met beperkte tonnage.
2 Op 8 oktober 2009 was NCHZ, die toen in handen was van Disor Holdings Ltd, het voorwerp van een faillissementsprocedure omdat zij naar eigen zeggen haar activiteiten niet langer kon handhaven en het faillissement had aangevraagd.
3 Op 5 november 2009 heeft de Slowaakse Republiek zákon č. 493/2009 Z.z. o niektorých opatreniach týkajúcich sa strategických spoločností a o zmene a doplnení niektorých zákonov (wet nr. 493/2009 betreffende bepaalde maatregelen voor strategische ondernemingen en tot wijziging van bepaalde wetten; hierna: „wet strategisch belangrijke ondernemingen”) vastgesteld. Deze wet, die op 1 december 2009 in werking is getreden, verleende de Staat een recht van voorkoop ten aanzien van strategische ondernemingen die het voorwerp waren van een faillissementsprocedure, en vereiste de aanstelling van een curator om ervoor te zorgen dat de strategische onderneming tijdens die procedure haar activiteiten voortzette. Op 2 december 2009 is NCHZ door de Slowaakse autoriteiten aangemerkt als „strategische onderneming” in de zin van die wet. Zij heeft die status behouden totdat de wet op 31 december 2010 verviel (hierna: „eerste faillissementsperiode”). NCHZ is de enige onderneming waarop deze wet is toegepast, en de curator was op grond van deze wet verplicht de activiteiten van de onderneming in stand te houden en ongerechtvaardigd collectief ontslag te voorkomen.
4 Op 28 december 2009 is de „bevoegde commissie”, in de zin van artikel 82 van de zákon č 7/2005 Z.z. o konkurze a reštrukturalizácii a o zmene a doplnení niektorých zákonov (wet nr. 7/2005 inzake faillissementen en herstructureringen en tot wijziging van bepaalde wetten; hierna: „faillissementswet”) (hierna: „bevoegde commissie”), gevormd. Deze commissie was overeenkomstig die wet samengesteld uit de commissie van schuldeisers die de concurrente schuldeisers vertegenwoordigden die op de ingangsdatum van de faillissementsprocedure vorderingen hadden waarvoor ten overstaan van de failliete onderneming geen zekerheid was gesteld en die hun vorderingen hadden laten opnemen als „prefaillissementsvorderingen” (hierna: „commissie van schuldeisers”) – de bevoorrechte schuldeisers, namelijk de schuldeisers met vorderingen die waren gedekt door bepaalde zekerheden, en de súd v Trenčíne (rechter in eerste aanleg Trenčín, Slowakije).
5 Op 29 december 2009 is de eerste curator om persoonlijke redenen vervangen door een nieuwe curator (hierna: „curator”).
6 Op 17 juni 2010 heeft de súd v Trenčíne de curator gelast NCHZ als „going concern” te verkopen overeenkomstig de door deze rechter uiteengezette procedurestappen. Na de aankondiging van de aanbestedingsprocedure op 12 augustus 2010 (hierna: „aanbestedingsprocedure van 2010”) heeft de bevoegde commissie op 24 november 2010 het enige ingediende bod afgewezen. Op 3 december 2010 heeft de súd v Trenčíne de curator gelast een gedetailleerde analyse van de economische situatie van NCHZ te verrichten. Naargelang van de resultaten van die analyse moest de curator het enige ingediende bod aanvaarden dan wel afwijzen. De analyse is op 8 december 2010 uitgevoerd en de curator heeft bekendgemaakt dat het bod zou worden afgewezen.
7 Na 31 december 2010 is de faillissementswet toegepast op NCHZ (hierna: „tweede faillissementsperiode”). Tijdens de gezamenlijke vergadering van 26 januari 2011 tussen enerzijds de schuldeisers die verenigd waren in de commissie van schuldeisers en anderzijds de bevoorrechte schuldeisers, heeft de curator die schuldeisers ervan op de hoogte gebracht dat de operationele kosten die de activiteiten van NCHZ met zich meebrachten, hoger waren dan de inkomsten uit deze activiteiten. Daarnaast heeft hij hun kennisgegeven van zijn economische analyse van 23 december 2010, die werd aangevuld met een presentatie van het bestuur. De bovenvermelde schuldeisers hebben besloten de activiteiten van NCHZ voort te zetten (hierna: „besluit van 26 januari 2011”). Aangezien dit besluit op 17 februari 2011 bij beslissing van de súd v Trenčíne was goedgekeurd, heeft de curator die activiteiten voortgezet.
8 Op 7 juni 2011 heeft de súd v Trenčíne een executoire beschikking gegeven waarbij de curator werd verplicht NCHZ overeenkomstig de door die rechter georganiseerde aanbestedingsprocedure te verkopen (hierna: „aanbestedingsprocedure van 2011”). Na de aankondiging van de aanbestedingsprocedure op 12 juli 2011 (hierna: „aanbestedingsprocedure van 2011”) hebben op 29 november 2011 twee partijen een bod ingediend.
9 Op 13 oktober 2011 heeft de Commissie een klacht ontvangen van AlzChem AG over onrechtmatige steun die de Slowaakse Republiek zou hebben verleend aan NCHZ. AlzChem is een in Duitsland gevestigde vennootschap die actief is op verschillende markten voor hoogwaardige chemicaliën in een aantal lidstaten van de Europese Unie, waaronder de Slowaakse Republiek. Deze klacht is aangevuld op 14 juni 2012.
10 Op 17 oktober 2011 heeft de Commissie de ontvangen klacht doorgezonden naar de Slowaakse autoriteiten, met het verzoek om inlichtingen. Op 22 maart en 21 juni 2012 heeft de Commissie deze autoriteiten opnieuw om inlichtingen verzocht. De Slowaakse autoriteiten hebben op al deze verzoeken geantwoord.
11 Op 7 december 2011 heeft de curator de súd v Trenčíne op de hoogte gesteld van de uitkomst van de aanbestedingsprocedure van 2011 en van de stemming van de schuldeisers binnen de bevoegde commissie. Op 14 december 2011 heeft de súd v Trenčíne de curator verzocht nog een bod te beoordelen. Op 15 december 2011 heeft de curator een analyse uitgevoerd waaruit bleek dat dat bod niet in het belang was van de schuldeisers omdat het slechts betrekking had op een deel van de activa van NCHZ. Op 29 december 2011 heeft de súd v Trenčíne een executoire beschikking gegeven waarbij hij de curator verzocht Via Chem Slovakia a.s. als overnamekandidaat aan te wijzen. Nadat de overnameovereenkomst tussen deze onderneming en NCHZ op 16 januari 2012 was gesloten, werd de verkoop op 19 juli 2012 door de Protimonopolný úrad SR (Slowaakse mededingingsautoriteit) goedgekeurd en op 31 juli 2012 afgewikkeld.
12 Op 1 augustus 2012 heeft Via Chem Slovakia de chemische divisie van NCHZ, met uitzondering van de onroerende goederen (gebouwen en terreinen), verkocht aan verzoekster, Fortischem a.s., die zich bezighoudt met de productie van chemische producten. Verzoekster is in handen van Energochemica SE en is, zoals zij in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting heeft aangegeven, in mei 2012 opgericht. De voor de chemische productie noodzakelijke onroerende goederen zijn krachtens een huurovereenkomst aan verzoekster beschikbaar gesteld.
13 Op 24 januari 2013 is er op verzoek van Alzchem een bijeenkomst gehouden tussen de Commissie en AlzChem, die bij e‑mails van 8 en 22 maart 2013 aanvullende informatie heeft gestuurd.
14 Bij brief van 2 juli 2013 heeft de Commissie de Slowaakse autoriteiten in kennis gesteld van haar besluit om de formele onderzoeksprocedure overeenkomstig artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden (PB 2013, C 297, blz. 85) met betrekking tot, ten eerste, de door de Staat op grond van de wet strategisch belangrijke ondernemingen verleende toestemming om de activiteiten van NCHZ tussen december 2009 en december 2010 voort te zetten en, ten tweede, het besluit van 26 januari 2011 om de activiteiten van NCHZ voort te zetten nadat de wet strategisch belangrijke ondernemingen was vervallen. De Commissie heeft voorts twijfels geuit of de aanbestedingsprocedure van 2011 op basis waarvan NCHZ werd verkocht, onvoorwaardelijk was, en heeft aangegeven dat er sterke aanwijzingen waren dat de economische continuïteit tussen NCHZ en de nieuwe onderneming niet was onderbroken.
15 Na het besluit van 2 juli 2013 heeft de Commissie opmerkingen ontvangen van de Slowaakse autoriteiten alsook van AlzChem en een andere belanghebbende partij. De opmerkingen van deze derden-belanghebbenden zijn, samen met nieuwe vragen, naar de Slowaakse autoriteiten gezonden, die hun opmerkingen op 14 januari 2014 hebben ingediend.
16 Op 7 oktober 2013 en 17 februari 2014 hebben op verzoek van de Slowaakse autoriteiten bijeenkomsten plaatsgevonden tussen deze autoriteiten en de diensten van de Commissie. Op 20 maart 2014 heeft de Commissie een aanvullend verzoek om verduidelijking gestuurd naar een van de derden-belanghebbenden, die daarop op 6 mei 2014 heeft geantwoord. Op 2 mei 2014 heeft de Commissie de Slowaakse autoriteiten nieuwe vragen gesteld, waarop die autoriteiten op 14 en 30 mei 2014 hebben geantwoord.
II. Bestreden besluit
17 Op 15 oktober 2014 heeft de Commissie besluit (EU) 2015/1826 betreffende de staatssteun SA.33797 (2013/C) (ex 2013/NN) (ex 2011/CP) ten uitvoer gelegd door Slowakije ten gunste van NCHZ (PB 2015, L 269, blz. 71; hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld.
18 De Commissie heeft zich op het standpunt gesteld dat de toekenning aan NCHZ van de status van strategische onderneming (hierna: „eerste maatregel”), een selectief voordeel voor die onderneming vormde dat kon worden toegerekend aan de Staat, had geleid tot het gebruik van staatsmiddelen, en de mededinging op een voor handel tussen lidstaten open markt had verstoord. Zij heeft hieruit afgeleid dat die maatregel staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormde, alsmede dat deze steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt was (overwegingen 110 en 114‑124 van het bestreden besluit). Na de staatssteun te hebben geraamd op 4783424,10 EUR, heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de steun moest worden teruggevorderd van NCHZ en dat het bevel tot terugvordering moest worden uitgebreid tot verzoekster, omdat deze een economische-continuïteitsverband met NCHZ had (overwegingen 101 en 174 van het bestreden besluit).
19 Daarentegen vond de Commissie dat de voortzetting van de activiteiten van NCHZ op grond van het besluit van 26 januari 2011 geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormde, aangezien aan ten minste twee van de cumulatieve voorwaarden om van staatssteun te kunnen spreken, te weten de toerekenbaarheid van de maatregel in kwestie aan de Staat en het bestaan van een economisch voordeel, niet was voldaan (overweging 113 van het bestreden besluit).
20 In het dispositief van het bestreden besluit staat te lezen: „Artikel 1 De staatssteun van 4783424,10 EUR die aan NCHZ werd toegekend door haar een strategische onderneming te verklaren in overeenstemming met de wet inzake strategisch belangrijke ondernemingen, en haar daardoor te beschermen tegen de normale toepassing van de faillissementswetgeving, werd door [de Slowaakse Republiek] onwettig uitgevoerd in strijd met artikel 108, lid 3, [VWEU] en is onverenigbaar met de interne markt. […] Artikel 3 1. [De Slowaakse Republiek] vordert de in artikel 1 bedoelde steun van NCHZ terug. 2. Gezien de economische continuïteit tussen NCHZ en [verzoekster], wordt de verplichting tot het terugbetalen van de steun ook uitgebreid tot [verzoekster]. 3. De terug te vorderen steun omvat rente vanaf de datum dat deze ter beschikking van NCHZ werd gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan. 4. De rente wordt op samengestelde grondslag berekend overeenkomstig hoofdstuk V van verordening (EG) nr. 794/2004 […] en verordening (EG) nr. 271/2008 […] tot wijziging van verordening (EG) nr. 794/2004. Artikel 4 1. De terugvordering van de in artikel 1 bedoelde steun geschiedt onverwijld en daadwerkelijk. 2. [De Slowaakse Republiek] zorgt ervoor dat onderhavig besluit binnen vier maanden vanaf de datum van kennisgeving ervan ten uitvoer wordt gelegd. Artikel 5 1. Binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van dit besluit verstrekt [de Slowaakse Republiek] de volgende informatie: a) het totale bedrag (hoofdvordering plus terugvorderingsrente) dat van de begunstigden moet worden teruggevorderd; b) een gedetailleerde beschrijving van de reeds genomen of de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen; c) documenten waaruit blijkt dat de begunstigde werd gelast de steun terug te betalen. 2. [De Slowaakse Republiek] houdt de Commissie op de hoogte van de stand van uitvoering van de nationale maatregelen die [zij] heeft genomen om dit besluit ten uitvoer te leggen, en dit tot de in artikel 1 bedoelde steun volledig is terugbetaald. Indien de Commissie hierom verzoekt, deelt [de Slowaakse Republiek] onverwijld mee welke maatregelen zij reeds heeft genomen of heeft voorgenomen te nemen om aan dit besluit te voldoen. [Zij] verstrekt eveneens gedetailleerde inlichtingen over de reeds van de begunstigden teruggevorderde steunbedragen en terugvorderingsrente. Artikel 6 Dit besluit is gericht tot [de Slowaakse Republiek].”
III. Procedure
21 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 maart 2015, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
22 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 juli 2015, heeft AlzChem verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Commissie.
23 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 augustus 2015, heeft verzoekster verzocht om bepaalde elementen in het verzoekschrift en de bijlagen daarbij alsook in de repliek en een bijlage daarbij vertrouwelijk te behandelen ten aanzien van AlzChem, indien deze tot interventie wordt toegelaten. Zij heeft een niet-vertrouwelijke versie van die documenten bij haar verzoek gevoegd.
24 Bij beschikking van de president van de Negende kamer van 22 september 2015 is AlzChem toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie. Aan interveniënte zijn door verzoekster voorbereide niet-vertrouwelijke versies van het verzoekschrift, de repliek, en de bijlagen daarbij meegedeeld. Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 8 oktober 2015, heeft interveniënte het verzoek om vertrouwelijke behandeling betwist.
25 Op 8 oktober 2015 is de onderhavige zaak toegewezen aan een nieuwe rechter-rapporteur, die lid is van de Negende kamer. Bij beslissing van de president van het Gerecht van 3 oktober 2016 is de onderhavige zaak toegewezen aan een nieuwe rechter-rapporteur. Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op grond van artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Zesde kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.
26 Op 6 februari 2017 heeft het Gerecht (Zesde kamer) schriftelijk een aantal vragen gesteld aan verzoekster met betrekking tot haar verzoek om vertrouwelijke behandeling. Verzoekster heeft binnen de gestelde termijn op deze vragen geantwoord.
27 Bij beschikking van 13 september 2017, Fortischem/Commissie (T‑121/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:648), heeft de president van de Zesde kamer van het Gerecht het verzoek om vertrouwelijke behandeling van bepaalde in het verzoekschrift opgenomen inlichtingen alsook van bepaalde in meerdere bijlagen bij het verzoekschrift en de repliek opgenomen gegevens toegewezen en het verzoek om vertrouwelijke behandeling voor het overige afgewezen. De beslissing omtrent de kosten is aangehouden. Op 26 oktober 2017 is een door verzoekster voorbereide niet-vertrouwelijke versie van de in de punten 1 en 2 van het dictum van de beschikking van 13 september 2017, Fortischem/Commissie (T‑121/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:648), genoemde stukken aan interveniënte meegedeeld.
28 Op 5 januari 2018 heeft interveniënte haar memorie van interventie neergelegd ter griffie van het Gerecht.
29 Op respectievelijk 5 en 7 februari 2018 hebben de Commissie en verzoekster hun opmerkingen over de memorie van interventie ingediend ter griffie van het Gerecht.
30 Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Zesde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het partijen bij wege van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering schriftelijk een aantal vragen gesteld en hen verzocht een document over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn op deze vragen geantwoord en het gevraagde document overgelegd.
31 Ter terechtzitting van 10 april 2019 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.
IV. Conclusies van partijen
32 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de artikelen 1 en 3 tot en met 5 van het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
33 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
34 Interveniënte verzoekt in wezen het beroep te verwerpen.
V. In rechte
35 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 107, lid 1, VWEU. Het tweede middel is ontleend aan niet-nakoming van de verplichting om een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek te verrichten en aan niet-nakoming van de samenwerkingsplicht van de Commissie. Het derde middel is ontleend aan schending van artikel 296, tweede alinea, VWEU met betrekking tot de conclusie van de Commissie ten aanzien van de vraag of er sprake was van aan NCHZ toegekende staatssteun. Het vierde middel is ontleend aan schending van artikel 107, lid 1, en artikel 108, lid 2, VWEU en van artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 [VWEU] (PB 1999, L 83, blz. 1) vanwege de uitbreiding van de verplichting tot terugbetaling van de gestelde staatssteun tot verzoekster. Het vijfde middel, dat subsidiair wordt aangevoerd, is ontleend aan schending van artikel 107, lid 1, en artikel 108, lid 2, VWEU, en van artikel 14, lid 1, van verordening nr. 659/1999, vanwege het feit dat de uitbreiding van de verplichting tot terugbetaling van de gestelde staatsteun tot verzoekster niet is beperkt tot 60 % van het bedrag van die steun. Het zesde middel is ontleend aan schending van artikel 296 VWEU met betrekking tot de conclusie van de Commissie dat er sprake was van economische continuïteit.
36 Het Gerecht acht het aangewezen om achtereenvolgens het derde middel, het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel, het tweede middel, het derde onderdeel van het eerste middel, het zesde middel, het vierde middel en ten slotte het vijfde middel te onderzoeken.
A. Derde middel, ontleend aan schending van artikel 296, tweede alinea, VWEU met betrekking tot de conclusie van de Commissie ten aanzien van de vraag of er sprake is van aan NCHZ toegekende staatssteun
37 Volgens verzoekster is de Commissie overeenkomstig de rechtspraak gehouden voldoende duidelijk uiteen te zetten waarom de door haar verzamelde gegevens feitelijk en rechtens aantonen dat er sprake is van staatsteun. De Commissie moet derhalve eveneens toelichten waarom de door de betrokken Staat aangevoerde feitelijke en juridische argumenten niet hebben kunnen ontkrachten dat van een dergelijke steun sprake is. Verzoekster stelt dat het bestreden besluit op meerdere punten onvoldoende is gemotiveerd. Ten eerste is dat besluit ontoereikend gemotiveerd wat betreft de conclusie van de Commissie dat de wet strategisch belangrijke ondernemingen NCHZ een economisch voordeel heeft verschaft dat deze onderneming in een normale faillissementsprocedure niet zou hebben gehad. Hoewel de Slowaakse autoriteiten volgens verzoekster uitgebreide feitelijke argumenten hebben aangevoerd die aantonen dat de schuldeisers zouden hebben gekozen voor de voortzetting van de activiteiten van NCHZ, heeft de Commissie de inhoud van deze aanwijzingen desondanks niet onderzocht, maar in plaats daarvan louter algemene en arbitraire twijfels geuit. Ten tweede is het bestreden besluit ontoereikend gemotiveerd voor zover is geoordeeld dat de wet strategisch belangrijke ondernemingen niet voldeed aan het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie.
38 De Commissie, daarin ondersteund door interveniënte, betwist de gegrondheid van verzoeksters betoog.
39 Zoals volgt uit vaste rechtspraak, moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde Unierechter zijn toezicht kan uitoefenen [zie arrest van 13 december 2018, AlzChem/Commissie, T‑284/15, EU:T:2018:950, punt 70 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].
40 De motiveringsplicht moet aan de hand van de omstandigheden van het geval worden beoordeeld, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die door de handeling worden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, bij een toelichting kunnen hebben [arrest van 13 december 2018, AlzChem/Commissie, T‑284/15, EU:T:2018:950, punt 71 (niet gepubliceerd)].
41 Het is niet vereist dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. In het bijzonder is de Commissie niet verplicht een standpunt in te nemen ten aanzien van alle argumenten die de belanghebbenden voor haar hebben aangevoerd, maar kan zij volstaan met een uiteenzetting van de feiten en de juridische overwegingen die in het bestek van haar besluit van wezenlijk belang zijn [zie arrest van 13 december 2018, AlzChem/Commissie, T‑284/15, EU:T:2018:950, punt 72 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42 Ten slotte moet het middel inzake schending van artikel 296, tweede alinea, VWEU worden onderscheiden van het middel inzake schending van artikel 107, lid 1, VWEU. Het eerste middel, dat zich tegen het ontbreken of de ontoereikendheid van de motivering richt, betreft schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 263 VWEU en moet als middel van openbare orde door de Unierechter ambtshalve worden onderzocht, terwijl het tweede middel, dat verband houdt met de wettigheid ten gronde van een besluit, schending betreft van een op de uitvoering van het VWEU betrekking hebbende rechtsregel in de zin van artikel 263 VWEU en door de Unierechter slechts kan worden onderzocht indien het door verzoekster is aangevoerd. Er dient dus onderscheid te worden gemaakt tussen de motiveringsplicht en de gegrondheid van de motivering van de bestreden handeling (zie in die zin arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67).
43 De vraag of het bestreden besluit niet of ontoereikend is gemotiveerd in de zin van artikel 296 VWEU moet worden onderzocht in het licht van de in de punten 39 tot en met 42 genoemde overwegingen.
44 In het bestreden besluit heeft de Commissie geconstateerd dat de schulden van NCHZ bij diverse overheidsinstanties waren aangegaan omdat de voortzetting van de activiteiten verlieslatend was. Zij heeft gemeend dat de curator in functie, in strijd met het gemeen faillissementsrecht, geen analyse had uitgevoerd en geen enkele schuldeisersvergadering had kunnen beslissen over de toekomst van NCHZ. De Commissie heeft opgemerkt dat de curator in functie had erkend dat hij op grond van de wet strategisch belangrijke ondernemingen verplicht was om de activiteiten van NCHZ voort te zetten, zonder dat hij andere oplossingen kon onderzoeken (overwegingen 79 en 80 van het bestreden besluit).
45 Dienaangaande heeft de Commissie overwogen dat het besluit om de wet strategisch belangrijke ondernemingen toe te passen op NCHZ niet was gebaseerd op mogelijke overwegingen van de schuldeisers van die onderneming, maar op andere overwegingen van overheidsbeleid, aangezien de tekst van het besluit van de Slowaakse regering uitsluitend het verlies van banen en van concurrentievermogen van de Slowaakse chemische industrie noemt, en dus van de Slowaakse economie in haar geheel. Volgens de Commissie was het besluit van de Staat om die wet toe te passen op NCHZ dan ook duidelijk niet gerechtvaardigd op basis van het beginsel van crediteur in een markteconomie (overweging 82 van het bestreden besluit).
46 In antwoord op het door de Slowaakse autoriteiten aangevoerde betoog dat de schuldeisers ook zonder de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen op NCHZ waarschijnlijk zouden hebben beslist de activiteiten van NCHZ voort te zetten, heeft de Commissie er onder meer op gewezen dat de door de Slowaakse autoriteiten aangevoerde analyse van 26 oktober 2009 van de eerste curator (hierna: „analyse van 26 oktober 2009”) geen betrouwbare beoordeling bevatte van mogelijke andere oplossingen, dat er geen grondigere beoordeling was uitgevoerd en dat de economische situatie van de schuldeisers anders was toen het besluit om de activiteiten van NCHZ voort te zetten bij aanvang van de tweede faillissementsperiode werd genomen (overwegingen 82‑84 van het bestreden besluit). De analyse van de curator van maart 2014 (hierna: „analyse van maart 2014”), die was gebaseerd op de methode die voor de analyse van de situatie in die tweede periode werd gebruikt, was volgens de Commissie erg kort en hypothetisch en pas achteraf door de curator uitgevoerd (overweging 87 van het bestreden besluit). Zij kwam tot de slotsom dat de Slowaakse autoriteiten niet hadden aangetoond dat, als de wet strategisch belangrijke ondernemingen niet van toepassing was geweest op NCHZ, de voortzetting van de activiteiten van NCHZ zou zijn goedgekeurd bij aanvang van de faillissementsperiode of in de loop van 2010, op basis van een passende, grondige analyse en bespreking met alle belanghebbenden (overweging 88 van het bestreden besluit).
47 Bovendien heeft de Commissie benadrukt dat de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen de onzekerheid wegnam die inherent is aan de besluitvorming in het kader van het gemeen faillissementsrecht, aangezien was verzekerd dat alle activiteiten van NCHZ ten minste tot de vervaldatum van die wet, met name eind 2010, zouden worden voortgezet. Volgens de Commissie was dat een „sterk signaal” in een sector als de chemische industrie, waarin de leveringszekerheid een zeer belangrijk element is voor klanten. Zij heeft erop gewezen dat NCHZ in 2009 en 2010 enkele klanten heeft verloren, zoals blijkt uit de economische analyse van de curator na de vervaldatum van de wet strategisch belangrijke ondernemingen. Zonder de toepassing van de wet zou het risico op het verliezen van nog meer omzet volgens de Commissie dan ook aanzienlijk hoger zijn geweest als gevolg van de onzekerheden die een faillissementsprocedure met zich meebrengt. Dit zou ook het risico hebben verhoogd dat de schuldeisers de voortzetting van de activiteiten van NCHZ beschouwen als een beslissing die geen economische betekenis meer heeft en beslissen om de activiteiten van NCHZ stop te zetten (overwegingen 85, 86, 88 en 89 van het bestreden besluit).
48 De Commissie heeft geconcludeerd dat de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen aan NCHZ een economisch voordeel heeft verleend, aangezien de onderneming werd beschermd tegen het normale verloop van een faillissementsprocedure volgens de faillissementswetgeving, en de curator in functie, de schuldeisers en de rechtbank van het faillissement de mogelijkheid is ontnomen om de activiteiten van NCHZ stop te zetten of sterk te snoeien in het personeelsbestand, hetzij bij aanvang van de faillissementsprocedure, hetzij in de loop van 2010, gezien de economische situatie van NCHZ. Volgens de Commissie kregen NCHZ en derden, zoals klanten en leveranciers, door de eerste maatregel ook de zekerheid dat de activiteiten van NCHZ werden voortgezet, terwijl die voortzetting onder normale faillissementsvoorwaarden nooit is gegarandeerd, waardoor NCHZ dus een voorkeursbehandeling kreeg ten opzichte van haar mededingers in een gelijksoortige situatie (overwegingen 78, 85, 89 en 90 van het bestreden besluit).
49 Uit deze overwegingen van de Commissie in het bestreden besluit vloeit voort dat zij, anders dan verzoekster stelt, heeft aangegeven om welke redenen zij heeft geoordeeld dat de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen op NCHZ aan die onderneming een economisch voordeel heeft verleend dat zij in het gemeen faillissementsrecht niet zou hebben gehad. Zo heeft zij een beschrijving gegeven van haar analyse van de gevolgen van de toepassing van die wet, namelijk dat de activiteiten van NCHZ automatisch zouden worden voortgezet en collectieve ontslagen zouden worden belemmerd, ongeacht de ontwikkeling van de economische situatie van die onderneming en ondanks het feit dat NCHZ niet in staat was om haar schulden bij met name diverse overheidsinstanties terug te betalen. Ook heeft de Commissie melding gemaakt van haar beoordeling dat de automatische voortzetting van de activiteiten van NCHZ aan haar klanten en leveranciers een waarborg had verschaft die in het gebruikelijke kader van een faillissement nooit is gegarandeerd.
50 Bovendien heeft de Commissie, anders dan verzoekster stelt, aangegeven om welke redenen zij van oordeel was dat de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen niet voldeed aan het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie en heeft zij „haar redenering niet louter gebaseerd op de constatering dat de toepassing van die wet op overwegingen van overheidsbeleid berustte, waarmee een particuliere schuldeiser geen rekening zou hebben gehouden”. Nadat de Commissie dit oordeel had gegeven, is zij namelijk, anders dan verzoekster stelt, eveneens ingegaan op de argumenten van de Slowaakse autoriteiten met betrekking tot de standpunten van de eerste curator en de curator. Dienaangaande heeft de Commissie uiteengezet om welke redenen zij de analyses van 26 oktober 2009 en van maart 2014 heeft verworpen en van oordeel was dat niet was aangetoond dat de bevoegde commissie de voortzetting van de activiteiten van NCHZ in de eerste faillissementsperiode zou hebben goedgekeurd. Zo heeft zij aangegeven dat haars inziens de analyse van maart 2014, die was gebaseerd op de methode die voor de analyse van die periode werd gebruikt, erg kort en hypothetisch was en pas achteraf was uitgevoerd, waarbij zij heeft verwezen naar verschillende punten van drie arresten van de Unierechter, waarin is geoordeeld dat voor de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder alleen relevantie toekomt aan de gegevens die beschikbaar zijn en de ontwikkelingen die voorzienbaar waren op het moment waarop het betrokken overheidsbesluit was genomen. Voorts heeft de Commissie aangegeven dat zij van oordeel was dat de Slowaakse autoriteiten niet hadden aangetoond dat de voortzetting van de activiteiten van NCHZ bij aanvang van de faillissementsprocedure of in de loop van 2010 daadwerkelijk zou zijn goedgekeurd op basis van een passende, grondige analyse en bespreking met alle belanghebbenden. Ten slotte heeft zij gewezen op het feit dat de economische situatie van de schuldeisers anders was toen de beslissing bij aanvang van de tweede periode werd genomen.
51 Bovendien richt verzoeksters argument dat de Commissie niet heeft toegelicht waarom de bevoegde commissie zich tegen de voortzetting van de activiteiten van NCHZ zou hebben uitgesproken, zich niet op de toereikendheid van de motivering van het bestreden besluit, maar op de gegrondheid van de argumentatie van de Commissie bij haar analyse en conclusies, in die zin dat verzoekster betwist dat niet is aangetoond wat de beslissing van de bevoegde commissie zou zijn geweest. Er moet echter onderscheid worden gemaakt tussen de nakoming van de motiveringsplicht en de gegrondheid van de motivering van de bestreden handeling, overeenkomstig de in punt 42 hierboven aangehaalde rechtspraak.
52 Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd wat betreft de conclusie van de Commissie ten aanzien van de vraag of er sprake is van aan NCHZ toegekende staatssteun. Het derde middel moet dan ook worden afgewezen.
B. Eerste en tweede onderdeel van het eerste middel, ontleend aan het feit dat er geen sprake is van overdracht van staatsmiddelen respectievelijk dat er geen economisch voordeel is toegekend aan NCHZ
53 Het eerste middel, dat is ontleend aan schending van artikel 107, lid 1, VWEU, bestaat uit drie onderdelen. Met het eerste onderdeel betwist verzoekster dat de kwalificatie van NCHZ als „strategische onderneming” heeft geleid tot een overdracht van staatsmiddelen. Met het tweede onderdeel stelt zij dat deze kwalificatie geen economisch voordeel aan NCHZ heeft toegekend. Met het derde onderdeel voert verzoekster aan dat, ook al had de Commissie terecht kunnen oordelen dat de eerste maatregel als staatssteun ten gunste van NCHZ moeten worden aangemerkt, zij een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij de berekening van het bedrag van de staatsteun.
54 Het Gerecht acht het opportuun om eerst de eerste twee onderdelen van het eerste middel te onderzoeken, die betrekking hebben op de kwalificatie van de betrokken maatregel als staatssteun. Het derde onderdeel, dat betrekking heeft op de berekening van het bedrag van die steun, zal na de analyse van het tweede middel worden onderzocht.
55 Met het eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoekster aan dat de beoordeling van de Commissie in de overwegingen 75 tot en met 77 van het bestreden besluit niet aantoont dat de kwalificatie van NCHZ als „strategische onderneming” heeft geleid tot een overdracht van staatsmiddelen. In de eerste plaats stelt zij dat de kwalificatie van NCHZ als strategische onderneming niet heeft geleid tot een dergelijke overdracht, aangezien er geen aanvullende lasten voor de Slowaakse Staat zijn ontstaan in vergelijking met de lasten die zouden zijn ontstaan bij toepassing van de standaard faillissementsprocedure. Volgens verzoekster volgt uit de rechtspraak dat er voor een overdracht van staatsmiddelen meer vereist is dan enkel een abstract risico op verhoging van de overheidsschulden als gevolg van de voortzetting van de activiteiten van een onderneming tijdens de faillissementsprocedure, aangezien de verhoging van de overheidsschulden een inherent gevolg is van de toepassing van de betrokken faillissementswet. Verzoekster verwijst dienaangaande naar het arrest van 1 december 1998, Ecotrade (C‑200/97, EU:C:1998:579, punten 36, 41 en 43). In de tweede plaats stelt verzoekster in haar opmerkingen over de memorie in interventie dat de natuurlijke gevolgen van de voortzetting van de activiteiten tijdens de faillissementsprocedure niet kunnen worden aangemerkt als een „feitelijke kwijtschelding van overheidsvorderingen”. Indien een dergelijke redenering zou worden gevolgd, zou elke voortzetting van activiteiten tijdens de faillissementsprocedure die gepaard gaat met een verhoging van de schulden bij publieke schuldeisers volgens verzoekster als overdracht van staatsmiddelen kunnen worden aangemerkt. In de derde plaats geeft verzoekster in de repliek aan dat het in het arrest van 1 december 1998, Ecotrade (C‑200/97, EU:C:1998:579), vastgestelde criterium om vast te stellen of er sprake is van overdracht van staatsmiddelen niet veel verschilt van het criterium om vast te stellen of er sprake is van toekenning van een economisch voordeel.
56 Met het tweede onderdeel van het eerste middel voert verzoekster aan dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat de kwalificatie van NCHZ als „strategische onderneming” heeft geleid tot toekenning van een economisch voordeel aan NCHZ. In de eerste plaats heeft NCHZ geen enkel voordeel genoten dat zij niet zou hebben gehad bij toepassing van het gemeen faillissementsrecht, aangezien haar schuldeisers hoe dan ook voor de voortzetting van haar activiteiten zouden hebben gekozen en het tijdelijke verbod op collectieve ontslagen enkel ten gunste was gekomen van de Slowaakse Staat, en niet van NCHZ. In de tweede plaats voldoet de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen aan het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie, omdat zij economisch gezien gunstig was voor de publieke schuldeisers.
57 De Commissie, daarin ondersteund door interveniënte, betwist verzoeksters argumenten.
1. Rechtspraak
58 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat een maatregel slechts als staatssteun kan worden aangemerkt, indien is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU. Zo moet het in de eerste plaats gaan om een maatregel van de staat of een met staatsmiddelen bekostigde maatregel. In de tweede plaats moet die maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. In de derde plaats moet hij de begunstigde een selectief voordeel verschaffen. In de vierde plaats moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen [zie arrest van 13 december 2018, AlzChem/Commissie, T‑284/15, EU:T:2018:950, punt 59 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].
59 Volgens vaste rechtspraak worden alleen de voordelen die rechtstreeks of indirect met staatsmiddelen worden bekostigd of die een extra last voor de staat uitmaken, als steunmaatregelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU beschouwd. Uit de tekst van deze bepaling en uit de procedureregels van artikel 108 VWEU blijkt namelijk dat de met andere dan staatsmiddelen bekostigde voordelen niet binnen de werkingssfeer van de desbetreffende bepalingen vallen (zie in die zin arresten van 17 maart 1993, Sloman Neptun, C‑72/91 en C‑73/91, EU:C:1993:97, punt 19; van 1 december 1998, Ecotrade, C‑200/97, EU:C:1998:579, punt 35, en 13 maart 2001, PreussenElektra, C‑379/98, EU:C:2001:160, punt 58).
60 Volgens vaste rechtspraak hoeft echter niet in alle gevallen te worden aangetoond dat staatsmiddelen zijn overgedragen om het aan een of meer ondernemingen verleende voordeel als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te kunnen aanmerken (arrest van 28 maart 2019, Duitsland/Commissie, C‑405/16 P, EU:C:2019:268, punt 55; zie in die zin ook arresten van 15 maart 1994, Banco Exterior de España, C‑387/92, EU:C:1994:100, punt 14, en 19 mei 1999, Italië/Commissie, C‑6/97, EU:C:1999:251, punt 16).
61 Het begrip „steun” omvat dus niet enkel positieve prestaties, zoals subsidies, maar eveneens maatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor – zonder subsidies in de strikte zin van het woord te zijn – van gelijke aard zijn en identieke gevolgen hebben (zie arrest van 21 maart 2013, Commissie/Buczek Automotive, C‑405/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:186, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 19 maart 2013, Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie e.a. en Commissie/Frankrijk e.a., C‑399/10 P en C‑401/10 P, EU:C:2013:175, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Voorts is het begrip „staatssteun”, zoals omschreven in het Verdrag, volgens de rechtspraak een juridisch begrip dat moet worden uitgelegd op basis van objectieve elementen. Om deze reden moet de rechter van de Unie in beginsel en gelet op zowel de concrete gegevens van het hem voorgelegde geschil als het technische of ingewikkelde karakter van de door de Commissie gemaakte beoordelingen, volledig toetsen of een maatregel al dan niet binnen de werkingssfeer van artikel 107, lid 1, VWEU valt (arrest van 22 december 2008, British Aggregates/Commissie, C‑487/06 P, EU:C:2008:757, punt 111).
63 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat wanneer de Unierechter de complexe economische beoordelingen van de Commissie in steunaangelegenheden toetst, deze rechter zijn economische beoordeling niet in de plaats kan stellen van die van de Commissie (arresten van 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie, C‑73/11 P, EU:C:2013:32, punt 75, en 21 maart 2013, Commissie/Buczek Automotive, C‑405/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:186, punt 49).
64 De Unierechter moet echter met name niet enkel de materiële juistheid, de betrouwbaarheid en de samenhang van de aangevoerde bewijselementen controleren, maar hij moet ook nagaan of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (arresten van 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie, C‑73/11 P, EU:C:2013:32, punt 76, en 21 maart 2013, Commissie/Buczek Automotive, C‑405/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:186, punt 50).
2. Bestreden besluit
65 De in het bestreden besluit opgenomen overwegingen van de Commissie met betrekking tot het feit dat de kwalificatie van NCHZ als „strategische onderneming” heeft geleid tot de toekenning van een economisch voordeel aan NCHZ, zijn weergegeven in de punten 44 tot en met 48 hierboven.
66 Met betrekking tot het gebruik van staatsmiddelen ten gevolge van de eerste maatregel, heeft de Commissie gesteld dat, „[NCHZ op grond van het feit dat zij een strategische onderneming was verklaard, haar activiteiten bleef uitvoeren], ook al was er een duidelijk risico (dat bewaarheid werd) dat de inkomsten onvoldoende zouden zijn om de operationele kosten van het bedrijf tijdens de faillissementsprocedure, met inbegrip van de socialezekerheidsbijdragen en andere schulden bij de staat, te dekken” (overweging 74 van het bestreden besluit). De Commissie heeft daaraan toegevoegd dat „de voortzetting van de activiteiten en de toename van de schulden als gevolg van de wet [strategisch belangrijke ondernemingen] ervoor [zorgden] dat het voor de bestaande schuldeisers van NCHZ moeilijker was hun bestaande vorderingen te innen” (overweging 76 van het bestreden besluit). Zij heeft geconcludeerd dat het verklaren van NCHZ als strategische onderneming heeft geleid tot een overdracht van staatsmiddelen in de vorm van gederfde inkomsten uit overheidsvorderingen die NCHZ in de eerste faillissementsperiode niet had betaald (overweging 77 van het bestreden besluit).
3. Kwalificatie door de Commissie van de eerste maatregel als staatssteun
67 Allereerst moet worden geconstateerd dat verzoekster met betrekking tot de voorwaarden die moeten zijn vervuld om een maatregel als staatsteun te kunnen aanmerken, overeenkomstig de in punt 58 hierboven vermelde rechtspraak, niet betwist dat de eerste maatregel een selectief karakter heeft, noch dat die maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden.
68 Bovendien moet worden opgemerkt dat verzoekster met haar betoog ter ondersteuning van dit onderdeel van het eerste middel weliswaar niet betwist dat de eerste maatregel toerekenbaar is aan de Staat, maar zij bestrijdt dat die maatregel door staatsmiddelen is bekostigd in de vorm van een extra last voor de Staat of voor overheidsinstanties en wil aantonen dat NCHZ zich in dezelfde situatie zou hebben bevonden indien de faillissementswetgeving op haar zou zijn toegepast. Vastgesteld zij echter dat verzoekster met dat betoog in wezen betwist dat er sprake is van een economisch voordeel. In het punt van het verzoekschrift betreffende haar analyse van de voorwaarde voor het bestaan van een voordeel verwijst zij overigens naar „eerder naar voren gebrachte elementen”, namelijk die elementen die zij met betrekking tot het begrip „overdracht van staatsmiddelen” naar voren heeft gebracht, waarbij zij aangeeft dat uit die elementen duidelijk blijkt dat NCHZ geen enkel voordeel heeft genoten dat zij bij toepassing van de gemene faillissementswetgeving niet zou hebben ontvangen. Derhalve moet dit betoog van verzoekster worden verbonden aan het onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste middel en moeten de eerste twee onderdelen van dit middel samen worden onderzocht.
69 Voor de beoordeling van het bestaan van een aan NCHZ toegekend economisch voordeel als gevolg van de eerste maatregel, en van de rechtmatigheid van het bestreden besluit op dit punt, moet worden vastgesteld dat verzoekster en de Commissie, ondersteund door interveniënte, het weliswaar eens zijn over het belang in het onderhavige geval van het arrest van 1 december 1998, Ecotrade (C‑200/97, EU:C:1998:579), maar daaruit verschillende lessen trekken.
70 Verzoekster stelt dat in twee fasen moet worden beoordeeld of de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen NCHZ een economisch voordeel heeft verschaft. In de eerste plaats moet worden vastgesteld of die wet NCHZ een economisch voordeel heeft verschaft dat die onderneming bij toepassing van de faillissementswetgeving niet zou hebben genoten en moet het „alternatieve scenario” worden onderzocht, wat een hypothetische analyse a posteriori vereist. Indien deze eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, kan het bestaan van een economisch voordeel worden uitgesloten, aangezien NCHZ dan in feite niet meer is begunstigd dan zij bij toepassing van het gemeen faillissementsrecht zou zijn geweest. In de tweede plaats kan, indien deze eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, het bestaan van een economisch voordeel terzijde worden geschoven indien, bij toepassing op NCHZ van de wet strategisch belangrijke ondernemingen, de Slowaakse Staat heeft gehandeld als een marktdeelnemer in een markteconomie, en de toepassing van die wet derhalve in overeenstemming was met de economisch belangen van die Staat.
71 De Commissie stelt daarentegen dat het standpunt van verzoekster de rechtspraak betreffende het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie uitholt.
72 Opgemerkt moet worden dat de toepassing op een onderneming van regels die afwijken van het gemene faillissementsrecht, overeenkomstig de arresten van 1 december 1998, Ecotrade (C‑200/97, EU:C:1998:579, punt 45), en 17 juni 1999, Piaggio (C‑295/97, EU:C:1999:313, punt 43), in twee situaties moet worden beschouwd als toekenning van staatssteun. In de eerste situatie staat in wezen vast dat die onderneming toestemming heeft gekregen om haar economische activiteiten voort te zetten in omstandigheden waarin dit zou zijn uitgesloten als het gemene faillissementsrecht zou zijn toegepast. In de tweede situatie staat in wezen vast dat die onderneming een of meerdere voordelen heeft genoten, zoals een staatsgarantie, een verlaagd belastingtarief, vrijstelling van de verplichting tot betaling van geldboeten en andere financiële sancties of een feitelijke algehele of gedeeltelijke kwijtschelding van vorderingen van de overheid, waarop een andere insolvabele onderneming in het kader van de toepassing van het gemene faillissementsrecht geen aanspraak had kunnen maken.
73 In het licht van deze overwegingen moet worden nagegaan of de Commissie bij de beoordeling van de eerste maatregel in het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat NCHZ door die maatregel staatssteun is toegekend.
74 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden onderzocht onder welke voorwaarden toestemming is gegeven voor de voortzetting van de activiteiten van NCHZ op grond van de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen en wat de gevolgen zijn van die toepassing. In de tweede plaats moet de stelling van verzoekster worden onderzocht dat het besluit van de Slowaakse Staat om de wet strategisch belangrijke ondernemingen op NCHZ toe te passen voldeed aan het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie. In de derde plaats moeten de stellingen van verzoekster worden onderzocht met betrekking tot de aard van de situatie waarin NCHZ zich zou hebben bevonden indien het gemene faillissementsrecht op haar zou zijn toegepast.
a) Voorwaarden voor de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen op NCHZ vanwege de kwalificatie van die onderneming als „strategische onderneming” en de gevolgen van die toepassing
75 Vast staat dat de eerste curator vanwege de kwalificatie van NCHZ als „strategische onderneming” in casu geen andere keus had dan de activiteiten van NCHZ voort te zetten, waartoe hij op basis van de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen verplicht was (overweging 80 van het bestreden besluit). Derhalve moest NCHZ haar activiteiten tijdens de eerste faillissementsperiode, toen die wet op NCHZ van toepassing was, voortzetten, ongeacht haar economische situatie en los van iedere overweging in het belang van haar schuldeisers, en dus zelfs terwijl haar schulden opliepen en hoger waren dan haar inkomsten (overwegingen 78, 80 en 81 van het bestreden besluit).
76 In deze omstandigheden, en terwijl de activiteiten van NCHZ aan het einde van 2009 verlieslatend waren, wat in de analyse van 26 oktober 2009 is aangegeven, zijn de publieke schuldeisers van voor het faillissement die na het faillissement beschikten over vorderingen, in de situatie komen te verkeren waarin zij gedurende een onverkortbare periode moesten rekenen met een zeer waarschijnlijke toename van hun onbetaalde schulden.
77 Dienaangaande zorgde het feit dat de automatische voortzetting van de activiteiten van NCHZ in het kader van de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen gepaard ging met een belemmering van een collectief ontslag voor een nog groter risico op verhoging van de schulden van NCHZ, in het bijzonder aan de publieke schuldeisers, waaronder Sociálna poisťovňa, a.s. (socialeverzekeringsmaatschappij, Slowakije) en Všeobecná zdravotná poisťovňa, a.s. (zorgverzekeraar, Slowakije). Vanwege die belemmering konden de operationele kosten van NCHZ immers niet worden beperkt door middel van een personeelsinkrimping. NCHZ moest in het kader van de automatische voortzetting van haar activiteiten haar leveranciers betalen en kon, gezien haar financiële situatie, niet tegelijkertijd alle sociale lasten ten aanzien van de twee bovengenoemde publieke schuldeisers voldoen. Opgemerkt moet worden dat die belemmering haar wel de mogelijkheid gaf haar personeel te behouden ten behoeve van de voortzetting van haar activiteiten.
78 Bovendien heeft de eerste maatregel de klanten de zekerheid verschaft dat de activiteiten van NCHZ tijdens de gehele eerste faillissementsperiode zouden worden voortgezet, zoals de Commissie in het bestreden besluit heeft uiteengezet (overwegingen 85 en 86 van het bestreden besluit).
79 Derhalve heeft de Commissie geen fout gemaakt bij de vermelding van de gevolgen van de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen op NCHZ.
b) Stelling van verzoekster dat het besluit van de Slowaakse Staat om NCHZ als „strategische onderneming” aan te merken, voldeed aan het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie
80 Volgens verzoekster voldeed de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen aan het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie, omdat die toepassing voor de publieke schuldeisers economisch voordelig was. In de eerste plaats is het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie volgens verzoekster niet enkel van toepassing op de maatregelen die theoretisch door private marktdeelnemers kunnen worden genomen, maar ook op de maatregelen die onder de soevereiniteit van de staat vallen en dus enkel door de staat kunnen worden genomen, zoals wetgevingshandelingen. Bovendien sluiten de overwegingen van overheidsbeleid niet uit dat is voldaan aan het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie, aangezien artikel 107, lid 1, VWEU geen onderscheid maakt tussen de verschillende doelstellingen of de oorzaken van de maatregelen, maar deze maatregelen enkel naargelang van de gevolgen daarvan definieert.
81 In de tweede plaats is het criterium van de particuliere schuldeiser volgens verzoekster niet alleen van toepassing op privaatrechtelijke vorderingen van de overheid, maar ook op haar publiekrechtelijke vorderingen, zoals vorderingen met betrekking tot de betaling van socialezekerheidsbijdragen. Volgens verzoekster is in casu aan dit criterium voldaan, omdat de voortzetting van de activiteiten van NCHZ moet worden beschouwd als het economisch gezien verreweg meest gunstige scenario voor de publieke schuldeisers. Voor deze vergelijking moeten alle relevante gegevens die op het moment van de vaststelling van de eerste maatregel bekend waren in aanmerking worden genomen.
82 Ten eerste hadden alle publieke concurrerende en bevoorrechte schuldeisers van vóór het faillissement volgens verzoekster een duidelijk belang bij de voortzetting van de activiteiten van NCHZ, aangezien die voortzetting de enige manier was om in ieder geval een gedeeltelijke betaling van hun vorderingen van voor het faillissement te verkrijgen en zij geen enkel risico liepen dat hun financiële last zou oplopen. Uit het besluit van de Slowaakse Staat om NCHZ aan te merken als „strategische onderneming” blijkt duidelijk dat deze Staat wist dat de situatie van die schuldeisers slechter zou zijn in het geval de onderneming volledig zou worden geliquideerd.
83 Ten tweede hebben de Slowaakse autoriteiten tijdens de formele onderzoeksprocedure gedetailleerde informatie verschaft waaruit blijkt dat de voortzetting van de activiteiten van NCHZ op het moment van de vaststelling van de eerste maatregel ook de economisch gezien beste optie was wanneer rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de onbetaalde schuld tijdens de voortzetting van de activiteiten zou toenemen. Zo is aangetoond dat de situatie van de socialeverzekeringsmaatschappij, die de belangrijkste publieke schuldeiser van na het faillissement was, duidelijk slechter zou zijn geweest in het geval van een onmiddellijke liquidatie van NCHZ. In het bestreden besluit heeft de Commissie deze argumenten echter zelfs niet vermeld. In haar repliek voegt verzoekster hieraan toe dat het onnodig restrictief zou zijn om een onderscheid te maken tussen de kosten die de socialeverzekeringsmaatschappij zou hebben moeten dragen in enerzijds het geval van een voortzetting van de activiteiten van NCHZ en anderzijds het geval van een onmiddellijke liquidatie van NCHZ.
84 Ten derde voert verzoekster aan dat de Commissie noch in het bestreden besluit noch voor het Gerecht de juistheid van de overgelegde cijfers betwist.
85 Volgens de rechtspraak veronderstelt het criterium van de particuliere schuldeiser dat de handelwijze van een publieke schuldeiser wordt vergeleken met die van een particuliere schuldeiser wiens situatie die van de publieke schuldeiser het dichtst benadert. Hierbij kunnen elementen worden verlangd waaruit blijkt dat het besluit van de staat is gebaseerd op economische analyses die vergelijkbaar zijn met die welke een particuliere schuldeiser zou hebben doen uitvoeren (zie in die zin arrest van 18 mei 2017, Fondul Proprietatea, C‑150/16, EU:C:2017:388, punten 25 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86 Evenwel kan niet worden aangenomen dat het criterium van de particuliere schuldeiser op het onderhavige geval van toepassing is. De Slowaakse Staat heeft tijdens de administratieve procedure immers niets aangevoerd waaruit blijkt dat deze Staat het besluit om NCHZ als „strategische onderneming” aan te merken heeft vastgesteld in het kader van een economische handeling en in zijn hoedanigheid als schuldeiser, en niet als een overheid (zie in die zin en naar analogie arrest van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C‑124/10 P, EU:C:2012:318, punten 81 en 82).
87 Verondersteld dat de Commissie had moeten twijfelen of dat criterium van toepassing is, staat het volgens de rechtspraak hoe dan ook aan de Commissie om een globale beoordeling te verrichten, waarbij zij niet alleen rekening houdt met de door deze lidstaat verstrekte gegevens maar ook met alle andere relevante gegevens van de zaak op basis waarvan zij kan uitmaken of de lidstaat de betrokken maatregel heeft genomen in zijn hoedanigheid van marktdeelnemer dan wel als overheid. In dit verband kunnen met name de aard en het voorwerp van deze maatregel, de context waarin hij is genomen, alsmede de daarmee nagestreefde doelstelling en regels waaraan deze maatregel is onderworpen, relevant zijn. Daarentegen kunnen economische ramingen die na de vaststelling van de maatregel zijn gemaakt, de vaststelling achteraf dat de door de betrokken lidstaat vastgestelde maatregel daadwerkelijk winstgevend is geweest of naderhand aangevoerde rechtvaardigingen voor de keuze van de gevolgde handelwijze niet volstaan als bewijs dat deze lidstaat vóór of tegelijk met die vaststelling een dergelijke beslissing in zijn hoedanigheid als marktdeelnemer heeft genomen (zie in die zin en naar analogie arrest van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C‑124/10 P, EU:C:2012:318, punten 85 en 86).
88 Uit de wet strategisch belangrijke ondernemingen en het besluit van de Slowaakse regering om NCHZ de status van strategische onderneming toe te kennen blijkt dat de Slowaakse Staat uitsluitend ten doel had te voorkomen dat de staking van de activiteiten van NCHZ negatieve gevolgen zou hebben voor de werking en het concurrentievermogen van de gehele Slowaakse chemische industrie alsmede voor de werkgelegenheid in de betrokken regio, waardoor de Slowaakse economie in gevaar zou komen. Anders dan verzoekster stelt, blijkt echter niet uit het besluit van de Slowaakse Staat om NCHZ als „strategische onderneming” aan te merken dat deze Staat wist dat de situatie van de publieke schuldeisers van vóór het faillissement slechter zou zijn in het geval van liquidatie van die onderneming.
89 Zoals de Commissie betoogt, paste de belemmering van collectieve ontslagen in de logica van de voornaamste doelstelling van de wet strategisch belangrijke ondernemingen, namelijk de voortzetting van de activiteiten van dergelijke ondernemingen, hetgeen zonder twijfel ten minste zou zijn bemoeilijkt, zo niet verhinderd indien de maatregelen die de curator in functie voor NHCZ had vastgesteld hadden kunnen leiden tot een forse inkrimping van het personeel.
90 Voorts veronderstelt verzoeksters betoog in de eerste plaats dat de staat kan worden beschouwd als enige publieke schuldeiser. Een dergelijke benadering is evenwel verworpen in het arrest van 13 december 2018, AlzChem/Commissie [T‑284/15, EU:T:2018:950, punten 184‑196 (niet gepubliceerd)].
91 Zoals de Commissie in wezen in het bestreden besluit heeft opgemerkt (de overwegingen 81, 83, 87 en 88 van het bestreden besluit), bestaat er bovendien geen enkele genoegzame en recente studie van de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen op NCHZ waarin de voortzetting van de activiteiten van deze onderneming in het licht van de belangen van de publieke schuldeisers is onderzocht, terwijl voor de toepasselijkheid en de toepassing van het criterium van de particuliere schuldeisers alleen relevantie toekomt aan de gegevens die beschikbaar en de ontwikkelingen die voorzienbaar waren op het moment waarop het betrokken besluit is genomen (zie in die zin en naar analogie arrest van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C‑124/10 P, EU:C:2012:318, punt 105). Verzoekster wijst er overigens op dat zij „niet kan nagaan of dergelijke diepgaande analyses [betreffende het feit dat de situatie van de publieke schuldeisers van vóór het faillissement slechter zou zijn geweest in het geval van een liquidatie van NCHZ] zijn uitgevoerd voorafgaand aan de vaststelling van het besluit [om NCHZ aan te merken als ,strategische onderneming’]”. Ook geeft zij aan dat de curator in functie als gevolg van deze kwalificatie op dat moment geen diepgaande analyse kon uitvoeren aangezien, zoals zij ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht heeft opgemerkt, die analyse vanwege de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen niet noodzakelijk was.
92 In de tweede plaats kan verzoeksters betoog zelfs niet slagen indien enkel rekening wordt gehouden met de situatie van de socialeverzekeringsmaatschappij, zoals de Slowaakse autoriteiten eveneens in hun tweede antwoord aan de Commissie van 29 november 2013 hebben betoogd. Hoewel zij aanvoert dat die maatschappij, die de belangrijkste publieke schuldeiser van na het faillissement was, in geval van onmiddellijke liquidatie een vordering van meer dan 3 miljoen EUR zou hebben gehad, vermeldt zij niet het bedrag van de vordering van die maatschappij in geval van voortzetting van de activiteiten van NCHZ, welk bedrag had moeten worden geschat op het moment dat deze maatschappij werd aangemerkt als „strategische onderneming”, zoals de in punt 91 hierboven genoemde rechtspraak vereist.
93 Bovendien faalt het door verzoekster in haar repliek aangevoerde argument dat de Slowaakse Staat rekening heeft gehouden met het feit dat deze Staat in het geval van liquidatie van NCHZ via de socialeverzekeringsmaatschappij werkloosheidsuitkeringen had moeten betalen. In dit verband voert verzoekster aan dat er werkloosheidsuitkeringen hadden moeten worden betaald voor de voormalige werknemers van NCHZ en de andere rechtstreeks door de liquidatie geraakte ondernemingen en dat het totale bedrag van deze uitkeringen veel hoger zou zijn geweest dan het bedrag van de gestelde steunmaatregel. Indien dergelijke uitkeringen hadden moeten worden betaald, zouden die echter niet aan NCHZ zijn betaald, maar aan de werknemers, van wie sommigen bij andere ondernemingen dan NCHZ werkzaam waren. Derhalve kan bij de analyse van de handelwijze van de Slowaakse Staat als schuldeiser van NCHZ geen rekening worden gehouden met het feit dat de Slowaakse Staat schuldenaar had kunnen worden van voormalige werknemers van NCHZ of van andere ondernemingen. Zoals de Commissie aanvoert, stelt verzoekster dat de Slowaakse Staat dan ook een voordeel had kunnen verkrijgen als overheid die voor de werkloosheidsuitkeringen van de voormalige werknemers verantwoordelijk is, maar niet als schuldeiser van NCHZ, waardoor de door verzoekster overgelegde cijfers, gesteld dat die correct zijn, niet langer relevant zijn. Dienaangaande moet namelijk worden geconstateerd dat verzoeksters betoog berust op veronderstellingen, zowel ten aanzien van het aantal werknemers dat had kunnen worden geraakt als ten aanzien van de gemaakte kostenberekening.
94 Bijgevolg moet de stelling van verzoekster dat de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen op NCHZ voldoet aan het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie, gesteld dat dat criterium in de onderhavige zaak van toepassing is, worden verworpen.
c) Beweringen van verzoekster ten aanzien van de aard van de situatie indien het standaard faillissementsrecht op NCHZ zou zijn toegepast
95 Op basis van een aantal feitelijke gegevens voert verzoekster aan dat de toepassing van de faillissementswet op NCHZ tot dezelfde situatie zou hebben geleid als die welke door de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen op NCHZ is ontstaan: deze onderneming zou dus geen enkel extra voordeel hebben genoten in het kader van de door de wet strategisch belangrijke ondernemingen voorgeschreven voortzetting van haar activiteiten.
1) Stelling dat de eerste curator zich voorafgaand aan de vaststelling van de wet strategisch belangrijke ondernemingen voor de voortzetting van de activiteiten van NCHZ heeft uitgesproken
96 In de eerste plaats heeft de eerste curator volgens verzoekster op 14 oktober 2009, en dus vóór de vaststelling van de wet strategisch belangrijke ondernemingen, aangegeven voorstander te zijn van de voortzetting van de activiteiten van NCHZ. Ter ondersteuning van deze bewering verwijst verzoekster naar een door een persbureau overgenomen verklaring. Evenwel moet worden vastgesteld dat het veeleer ging om een intentieverklaring dan om een besluit waaraan de eerste curator was gebonden, aangezien hij heeft aangegeven dat hij „[zich] tot het uiterste [zou] inzettten om de activiteiten van de onderneming voort te zetten”. Bovendien werd hierin vermeld dat die curator nog een economische analyse van de voortzetting van de activiteiten van NCHZ moest overleggen aan de betrokken Slowaakse minister, wat op 26 oktober 2009 is gebeurd.
97 In de tweede plaats stelt verzoekster dat de eerste curator van oordeel was dat aan de wettelijke voorwaarden voor de voortzetting van de activiteiten van NCHZ was voldaan, zoals hij in zijn toespraak tot de werknemers van NCHZ tijdens een vergadering op 20 oktober 2009 heeft toegelicht. Verzoekster haalt echter slechts een gedeelte van die toespraak aan. De eerste curator heeft in die toespraak inderdaad opgemerkt dat hij op grond van de eerste beoordeling had geconcludeerd dat de waarde van NCHZ als „going concern” veel hoger was dan wanneer de activa op een andere wijze zouden worden verkocht. Hij heeft daar echter eveneens aan toegevoegd dat een andere en niet minder relevante reden voor zijn besluit om de activiteiten voort te zetten, was gelegen in de economische en maatschappelijke betekenis van de insolvente onderneming voor de gehele betrokken regio, en niet alleen voor het „kleine aantal” werknemers van NCHZ, maar ook voor hun gezinnen. Deze twee redenen, namelijk de economische waarde van NCHZ en de maatschappelijke impact, worden bovendien verderop in zijn toespraak opnieuw genoemd. Bovendien sluit de tweede genoemde reden aan bij de reden die is aangevoerd in het kader van de vaststelling van de wet strategisch belangrijke ondernemingen. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat het besluit van de eerste curator enkel verband houdt met de analyse van de economische situatie van NCHZ.
98 In de derde plaats voert verzoekster de analyse van 26 oktober 2009 aan. Vooraf moet worden vastgesteld dat hetgeen verzoekster als analyse bestempelt een presentatie is die bestaat uit grafieken, lijsten van beknopte overwegingen met betrekking tot de economische resultaten voor de periode van januari tot en met november 2009, de economische maatregelen van de eerste curator voor het vierde kwartaal van 2009, het economische plan voor 2010 en een conclusie van drie punten.
99 Ten eerste stelt verzoekster weliswaar dat het merendeel van de in de analyse van 26 oktober 2009 vermelde maatregelen gebaseerd was op marktontwikkelingen of onderhandelingen met private partijen, maar dit blijkt geenszins uit het overgelegde document. Bovendien moet worden opgemerkt dat, zoals de Commissie stelt, voor bepaalde maatregelen, zoals financiële lastenverlichtingen, de tussenkomst van de overheid werd verondersteld.
100 Ten tweede heeft de eerste curator in de analyse van 26 oktober 2009 inderdaad, zoals verzoekster stelt, geconcludeerd dat de activiteiten van NCHZ moesten worden voortgezet om haar als „going concern” te verkopen en zodoende zoveel mogelijk in het belang van de schuldeisers van NCHZ te handelen. Hij heeft daar evenwel aan toegevoegd dat hij „enkel [zou] handelen om te garanderen dat er tijdens de exploitatie van [NCHZ] geen nieuwe schulden [zouden] ontstaan als gevolg van de exploitatie van de onderneming”. Hoewel de eerste curator in oktober 2009 heeft geoordeeld dat het besluit om de activiteiten van NCHZ voort te zetten dus de beste oplossing was, betekent dat bijgevolg niet dat dat besluit niet zou worden gewijzigd in het licht van de ontwikkeling van de economische situatie van NCHZ in 2010.
101 Ten derde voert verzoekster weliswaar aan dat de analyse van 26 oktober 2009 werd gestaafd door de productiecijfers en de nieuwe bestellingen die tussen september en november 2009 waren geplaatst, waaruit bleek dat NCHZ operationeel zou blijven, aangezien deze resultaten niet ver afweken van de in de eerste acht maanden van 2009 geboekte resultaten en er alle aanleiding was om te denken dat de activiteiten van de onderneming investeerders zou kunnen aantrekken, maar er moet worden opgemerkt dat het belang dat moet worden toegekend aan het behoud van het aantal geplaatste bestellingen beperkt is vanwege de aankondiging in oktober 2009 van de vaststelling van een wet inzake strategisch belangrijke ondernemingen. Bovendien blijkt uit het tweede antwoord van de Slowaakse autoriteiten aan de Commissie van 29 november 2013 dat er destijds veeleer een neerwaartse trend bestond van zowel de inkomsten uit verkoop als de nieuwe bestellingen. Voorts berust verzoeksters betoog op loutere veronderstellingen ten aanzien van het bestaan van toekomstige investeerders.
102 Hieruit volgt dat zelfs indien moest worden geoordeeld dat de eerste curator niet louter een intentieverklaring heeft afgegeven, maar tevens heeft aangegeven voorstander te zijn van de voortzetting van de activiteiten van NCHZ voordat de wet strategisch belangrijke ondernemingen werd vastgesteld, wat de Commissie bereid lijkt te zijn te erkennen, dit feit in geen geval zou kunnen impliceren dat deze curator tijdens de gehele eerste faillissementsperiode bij dit standpunt is gebleven, noch dat de curator dit standpunt heeft gevolgd.
2) Stelling dat het eerste besluit van de eerste curator zou zijn goedgekeurd door de bevoegde commissie
103 Volgens verzoekster wijst niets erop dat de bevoegde commissie het eerste besluit van de eerste curator niet zou hebben goedgekeurd. Zij voert aan dat het reeds duidelijk was dat de schuldeisers van vóór het faillissement in het geval van liquidatie van NCHZ geen enkele betaling zouden ontvangen en dus niets te verliezen hadden door voor de voortzetting van de activiteiten van die onderneming te stemmen, en dat zowel de bevoorrechte schuldeisers als de commissie van schuldeisers en de rechtbank van het faillissement zich voor de voortzetting van de activiteiten van NCHZ zouden hebben uitgesproken. Ter staving van haar betoog verwijst zij naar de analyse van maart 2014, die volgens verzoekster op uitdrukkelijk verzoek van de Commissie achteraf is uitgevoerd. Volgens verzoekster was het evident dat de sanering van de locatie miljoenen euro’s zou kosten en voorrang zou hebben op de vorderingen van vóór het faillissement. Daarnaast stelt zij dat de economische cijfers van 2009 zeker beter waren dan die van 2010 en dat de werkelijke ontwikkeling van NCHZ weliswaar negatief is beïnvloed door bepaalde marktontwikkelingen in 2010, maar dat deze ontwikkelingen aan het eind van 2009 niet vielen te voorzien. Bovendien betoogt zij dat de voortzetting van de activiteiten van NCHZ weliswaar niet in het belang was geweest van de publieke concurrente schuldeisers van na het faillissement, maar dat deze schuldeisers zich daar niet tegen hadden kunnen verzetten.
104 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat verzoeksters betoog berust op veronderstellingen en beweringen, aangezien zij zich baseert op de analyse van 26 oktober 2009, die niet als genoegzaam kan worden beschouwd (zie de punten 98‑101 hierboven), en geen enkele analyse noemt die tijdens de eerste faillissementsperiode is uitgevoerd. Dat een dergelijke analyse niet voorhanden is, is niet verrassend, aangezien, zoals verzoekster zelf heeft aangegeven (zie punt 91 hierboven), de activiteiten van NCHZ ongeacht de inhoud en de conclusies van een dergelijke analyse hoe dan ook moesten worden voortgezet (overweging 80 van het bestreden besluit). Bovendien hadden de Slowaakse autoriteiten in hun derde antwoord aan de Commissie van 13 januari 2014 aangegeven dat de daarna genomen besluiten volgens hen er weliswaar duidelijk op konden wijzen dat de bevoegde commissie zich voor de voortzetting van de activiteiten van NCHZ zou hebben uitgesproken, maar dat zij niet wisten wat die commissie in december 2009 uiteindelijk zou hebben kunnen besluiten.
105 In de tweede plaats hadden de curator in functie en de bevoegde commissie rekening moeten houden met het feit dat de prijzen van de voornaamste grondstoffen en van bepaalde producten zich negatief konden ontwikkelen, zoals ook is gebeurd, wat verzoekster in haar repliek aangeeft. Hoewel verzoekster aanvoert dat deze ontwikkelingen niet voorzienbaar waren op het moment dat de eerste curator besloot de activiteiten van NCHZ voort te zetten en zelfs aan het eind van 2009 niet bekend waren, moet evenwel worden opgemerkt dat de stijging van de energieprijzen en de daling van de prijzen van de producten in de analyse van 26 oktober 2009 werden genoemd als redenen voor de negatieve resultaten in juni en juli 2009 en dat in ieder geval de prijs van strategische grondstoffen was vermeld als een risicofactor voor het financiële beheer in het vierde kwartaal van 2009.
106 In de derde plaats blijft het, ook al was het bekend dat de saneringskosten in het geval van stopzetting van de activiteiten van NCHZ aanzienlijk zouden zijn geweest, de vraag of de curator in functie en de bevoegde commissie, waaronder de súd v Trenčíne, daadwerkelijk zouden hebben geoordeeld dat moest worden gekozen voor de oplossing om de activiteiten van NCHZ voort te zetten. Dienaangaande berust verzoeksters betoog louter op veronderstellingen.
107 Ten eerste is het niet bekend welke besluiten van de leden van de bevoegde commissie overeenkomstig de faillissementswet ter vaststelling aan de súd v Trenčíne hadden moeten worden doorgestuurd, namelijk de besluiten van de bevoorrechte schuldeisers en van de commissie van schuldeisers.
108 Het feit dat, volgens verzoekster, het Fond národného majetku Slovenskej Republiky (nationaal eigendomsfonds van de Slowaakse Republiek), dat een publieke concurrente en tegelijk bevoorrechte schuldeiser van vóór het faillissement was, in een bij het eerste antwoord van de Slowaakse autoriteiten aan de Commissie van 2 september 2013 gevoegde verklaring heeft aangegeven dat dit fonds voor de voortzetting van de activiteiten van NCHZ zou hebben gestemd, is namelijk niet van belang. De verklaring van dit fonds dateert van juli 2013, en dus van na de eerste faillissementsperiode.
109 Hoewel verzoekster voorts betoogt dat de schuldeisers van vóór het faillissement geen enkel risico liepen, gaat zij echter voorbij aan het feit dat uit het dossier blijkt dat de vorderingen van de bevoorrechte schuldeisers tijdens de eerste faillissementsperiode zijn gestegen. Zij wijst voorts op de cijfers van de stijging van de vorderingen van de gemeente Nováky (Slowakije) en van het Environmentálny fond (Milieufonds, Slowakije), die reeds aan het eind van 2009 plaatsvond, welke cijfers eveneens uit het dossier blijken. Het zou derhalve niet juist zijn zonder een grondigere analyse te oordelen dat de situatie van die schuldeisers zo duidelijk was dat zij enkel voor de voortzetting van de activiteiten van NCHZ konden stemmen.
110 Bovendien stelt verzoekster dat de commissie van schuldeisers was samengesteld uit vijf particuliere schuldeisers – allen concurrente en op dat moment particuliere schuldeisers – die op 11 januari 2010 hadden gestemd voor de voortzetting van de activiteiten van NCHZ. Echter, er moet worden vastgesteld dat een dergelijk besluit op 11 januari 2010 niet van betekenis kon zijn, aangezien NCHZ op dat moment reeds was onderworpen aan de bepalingen van de wet strategisch belangrijke ondernemingen. Derhalve kon deze stemming niet alleen van louter symbolische waarde zijn, maar kon zij bovendien zijn beïnvloed door het feit dat de genoemde wet van toepassing was. Daarenboven bestaat er geen enkele zekerheid, of zelfs aanwijzing, dat die stemming op dezelfde wijze zou zijn verlopen toen de economische situatie van NCHZ tijdens de eerste faillissementsperiode, in 2010, is verslechterd.
111 Ten tweede bestaat er, gezien het feit dat de súd v Trenčíne zich na de commissie van schuldeisers en de bevoorrechte schuldeisers moest uitspreken, geen enkele zekerheid ten aanzien van diens beslissing. Verzoekster stelt in antwoord op een argument van de Commissie enkel dat die rechter de voortzetting van de activiteiten zou hebben bevolen, zoals hij in 2011 heeft gedaan.
112 Ten derde betoogt verzoekster dat, ook al was de voortzetting van de activiteiten van NCHZ niet in het belang geweest van de publieke schuldeisers van na het faillissement, waaronder de socialeverzekeringsmaatschappij en de zorgverzekeraar, die ongeveer 83 % van de na het faillissement ontstane onbetaalde vorderingen van de publieke schuldeisers hadden uitstaan, die schuldeisers zich niet tegen die voortzetting zouden hebben kunnen verzetten. Verzoekster voegt daaraan toe dat zelfs indien al deze schuldeisers het recht zouden hebben gehad hun standpunt ten aanzien van de voortzetting van de activiteiten van NCHZ kenbaar te maken – quod non – hun tegenstand het uiteindelijke besluit niet zou hebben kunnen beïnvloeden, aangezien de na het faillissement ontstane schulden aan het eind van 2009 8,5 miljoen EUR bedroegen en de vorderingen van de publieke schuldeisers minder dan 9 % van dat bedrag uitmaakten.
113 Het is juist dat uit de bepalingen van de faillissementswet, en in het bijzonder artikel 83, lid 4, van die wet, niet volgt dat de socialeverzekeringsmaatschappij in de omstandigheden van het onderhavige geval voor de súd v Trenčíne had kunnen interveniëren in de beslissing om de activiteiten van NCHZ voort te zetten [zie in die zin arrest van 13 december 2018, AlzChem/Commissie, T‑284/15, EU:T:2018:950, punt 151 (niet gepubliceerd)].
114 Uitgaande van de juistheid van de door verzoekster aangevoerde cijfers moet evenwel worden opgemerkt dat de curator in functie de verantwoordelijkheid had om de vorderingen van na het faillissement te betalen. Het feit dat deze curator heeft toegelaten dat de schulden van NCHZ tijdens de eerste faillissementsperiode zijn toegenomen strookt niet met deze verplichting. Net als de Commissie doet, moet worden benadrukt dat een insolvente onderneming weliswaar daadwerkelijk kan worden geëxploiteerd ook al is zij verlieslatend, maar dat de eerste curator uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij zo zou handelen dat deze situatie zich niet zou voordoen (zie punt 100 hierboven).
115 Bovendien berust verzoeksters stelling op de aanname dat de bevoegde commissie de eind 2009 denkbare vooruitzichten van een stijging van de overheidsvorderingen in 2010, indien tot de voortzetting van de activiteiten van NCHZ zou worden besloten, niet zou hebben onderzocht of als irrelevant zou hebben aangemerkt. Tijdens de terechtzitting heeft verzoekster in antwoord op een vraag van het Gerecht toegegeven dat de schuldeisers van vóór het faillissement, in het geval van zeer hoge schulden van na het faillissement als gevolg van de voortzetting van de activiteiten, de eersten zouden zijn geweest die de curator zouden hebben verzocht de activiteiten stop te zetten, om zodoende iedere mogelijke kans op invordering van hun vorderingen te behouden.
116 In de vierde plaats faalt verzoeksters argument waarmee zij opkomt tegen het feit dat de Commissie de analyse van maart 2014 niet als bewijs heeft toegelaten met de bewering dat die erg kort en hypothetisch was en pas achteraf was uitgevoerd (overweging 87 van het bestreden besluit), hoewel de Commissie de juistheid van die analyse niet ter discussie heeft gesteld en zelf de Slowaakse autoriteiten heeft verzocht die analyse te overleggen.
117 Anders dan verzoekster stelt, is de analyse van maart 2014 op zijn minst onvolledig. Het was namelijk van belang te weten wat de potentiële kosten van de voortzetting van de activiteiten van NCHZ waren voor de schuldeisers van vóór het faillissement die eveneens in het bezit konden zijn van vorderingen van na het faillissement (zie punt 109 hierboven). In de analyse is daarover echter niets opgenomen.
118 Voorts faalt verzoeksters argument waarmee zij opkomt tegen het oordeel van de Commissie dat de analyse van maart 2014 hypothetisch is en een achteraf uitgevoerde analyse geen relevantie toekomt.
119 In dit verband betwist verzoekster het feit dat de Commissie in het bestreden besluit voorbij gaat aan de bewijsstukken met het argument dat die pas achteraf tot stand zijn gekomen, zonder duidelijke toelichting, behalve dan wellicht een verwijzing naar rechtspraak in een losstaande voetnoot, terwijl die rechtspraak het argument van de Commissie inzake de irrelevantie van de achteraf uitgevoerde analyse niet ondersteunt. Volgens verzoekster was de analyse van maart 2014 zeer betrouwbaar, aangezien de voornaamste kosten als gevolg van de liquidatie van NCHZ waren verbonden aan de aard van de activiteiten van die onderneming en de verplichtingen van de chemische industrie en niet hadden kunnen worden beïnvloed door een bepaalde ontwikkeling van de economische situatie van NCHZ tijdens het faillissement. Volgens verzoekster heeft de Commissie de betrokken feiten en cijfers niet betwist. Bovendien zou een achteraf uitgevoerde analyse in een dergelijke situatie zijn toegestaan (zie in die zin arrest van 29 maart 2007, Scott/Commissie, T‑366/00, EU:T:2007:99, punten 136‑138). Bovendien had de curator in functie destijds geen uitvoerige analyse kunnen uitvoeren vanwege de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen, waardoor de situatie van NCHZ anders is dan de situaties die aanleiding hebben gegeven tot de door de Commissie in voetnoot 14 van het bestreden besluit genoemde rechtspraak. Volgens verzoekster moet in het bijzonder onderscheid worden gemaakt tussen het in het arrest van 1 december 1998, Ecotrade (C‑200/97, EU:C:1998:579), vastgestelde criterium, en dat van de marktdeelnemer in een markteconomie. Terwijl het bij het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie in bepaalde omstandigheden is toegestaan te twijfelen aan de relevantie van een achteraf uitgevoerde analyse, moet de door dat arrest vereiste analyse, waarin moet worden vastgesteld of NCHZ haar activiteiten ook zou hebben voortgezet indien het gemene faillissementsrecht op haar zou zijn toegepast, per definitie achteraf worden uitgevoerd. Op grond van het in dat arrest vastgestelde criterium moet worden beoordeeld welke situatie naar alle waarschijnlijkheid zou zijn ontstaan indien de wet strategisch belangrijke ondernemingen niet zou hebben bestaan.
120 Opgemerkt zij dat, anders dan verzoekster stelt, punt 36 van het arrest van 1 december 1998, Ecotrade (C‑200/97, EU:C:1998:579), geen vereiste van een „hypothetische analyse van het nulscenario” bevat, maar is bedoeld als antwoord op het in de zaak die aanleiding gaf tot dat arrest aangevoerde argument van de Commissie dat de afname van de winst als gevolg van de litigieuze maatregel kon leiden tot door de staat gederfde belastinginkomsten, wat een overdracht van staatsmiddelen als gevolg van die maatregel impliceerde. Bovendien bevat geen enkel ander punt van dat arrest het vereiste van een „hypothetische analyse van het nulscenario”.
121 Wat betreft het oordeel van de Commissie dat de analyse van maart 2014 pas achteraf is uitgevoerd en geen relevantie toekomt, staat het buiten kijf dat, indien de wet strategisch belangrijke ondernemingen niet op NCHZ was toegepast, ten eerste de belemmering van een collectiefontslag niet zou zijn opgelegd en ten tweede de bevoegde commissie over de voortzetting van de activiteiten van NCHZ zou hebben moeten beslissen en die activiteiten niet automatisch zouden zijn voortgezet. In dit verband kan, anders dan verzoekster stelt, de vergelijking van de situatie die is ontstaan als gevolg van de toepassing op NCHZ van de wet strategisch belangrijke ondernemingen en de situatie die zou zijn ontstaan indien het gemeen faillissementsrecht op NCHZ zou zijn toegepast, uitsluitend gegrond zijn op een analyse die is gebaseerd op kennis van de situatie en de gegevens die er waren op het moment dat het besluit over de mogelijke voortzetting van de activiteiten van NCHZ moest worden genomen en terwijl deze onderneming werd aangemerkt als „strategische onderneming” (zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Fennelly in de zaak Ecotrade, C‑200/97, EU:C:1998:378, punt 31).
122 Verzoekster stelt echter niet dat de analyse van maart 2014 is uitgevoerd op basis van gegevens die bekend waren op het moment dat NCHZ als „strategische onderneming” werd aangemerkt. Voorts blijkt uit die, door verzoekster overgelegde, analyse dat de curator zich bij die analyse niet heeft gebaseerd op de in 2009 beschikbare gegevens, maar gegevens van december 2010 heeft gebruikt om na te gaan of die gegevens van toepassing konden zijn in december 2009, en die gegevens niet verder heeft onderzocht, maar louter heeft geoordeeld dat een aantal van die gegevens niet tijdgebonden waren. De curator heeft daarbij overigens benadrukt dat het moeilijk was om de gegevens te verzamelen die dateerden van december 2009.
123 Derhalve kan niet met zekerheid worden gesteld dat de analyse van maart 2014 gelijk is aan de analyse van de situatie van NCHZ die had kunnen worden uitgevoerd indien die onderneming niet als „strategische onderneming” was aangemerkt. De Commissie heeft in het bestreden besluit dan ook terecht geoordeeld dat de analyse van maart 2014 niet relevant was, aangezien die hypothetisch was en pas achteraf was uitgevoerd.
124 In de vijfde plaats stelt verzoekster dat er geen bewijsmateriaal is dat aantoont dat een onmiddellijke liquidatie van NCHZ van belang had kunnen zijn. Ter onderbouwing van dit argument voert zij aan dat de Commissie in het bestreden besluit de inhoud van het tijdens de formele onderzoeksprocedure overgelegde bewijsmateriaal niet heeft onderzocht, maar daar louter algemene en willekeurige vraagtekens bij heeft gezet (overwegingen 83, 84 en 87 van het bestreden besluit), zonder enig bewijs aan te voeren ter staving van haar mening dat de bevoegde commissie niet zou hebben aanvaard dat de activiteiten van NCHZ zouden worden voortgezet. Volgens verzoekster heeft de Commissie de door de Slowaakse autoriteiten overgelegde cijfers en gegevens niet ter discussie gesteld, en zodoende de juistheid daarvan duidelijk toegegeven.
125 Anders dan verzoekster beweert, moet in dit verband worden geoordeeld dat het aan de betrokken lidstaat, in casu de Slowaakse Republiek, en niet aan de Commissie stond om aan te tonen dat dezelfde situatie zou zijn ontstaan indien het gemene faillissementsrecht, en niet de wet strategisch belangrijke ondernemingen, op NCHZ zou zijn toegepast. In het bestreden besluit heeft de Commissie de redenen weergegeven waarom zij niet is uitgegaan van de in dit verband overgelegde gegevens (zie de punten 98‑101 en 116‑123 hierboven) en er moet worden vastgesteld dat, anders dan verzoekster beweert, de Commissie niet heeft toegegeven dat de door de Slowaakse regering overgelegde cijfers en gegevens juist waren. Bijgevolg moet verzoeksters argument dat er geen bewijsmateriaal is waaruit blijkt dat een onmiddellijke liquidatie van belang had kunnen zijn, worden afgewezen.
126 In het licht van de in punt 91 hierboven aangehaalde rechtspraak biedt voorts het feit dat er geen genoegzame en recente studie was van de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen op NCHZ waarbij de voortzetting van de activiteiten van die onderneming in het licht van de belangen van de publieke schuldeisers is onderzocht, een rechtvaardiging voor het feit dat de Commissie, anders dan verzoekster beweert, in het bestreden besluit niet hoefde in te gaan op de argumenten van de Slowaakse Staat met betrekking tot de kosten van de liquidatie van NCHZ voor de socialeverzekeringsmaatschappij, die gebaseerd waren op de analyse van maart 2014.
127 Anders dan verzoekster beweert, kan derhalve niet worden geoordeeld dat uit niets bleek dat de bevoegde commissie het eerste besluit van de eerste curator niet zou hebben goedgekeurd.
128 Bovendien moet de door verzoekster in antwoord op een argument van de Commissie aangevoerde redenering dat het besluit om de activiteiten van NCHZ voort te zetten hoe dan ook zou zijn genomen en niet in strijd is met het besluit van de Slowaakse regering om de wet strategisch belangrijke ondernemingen op NCHZ toe te passen, worden afgewezen. Volgens verzoekster moet dat laatste besluit worden gezien tegen de achtergrond van het feit dat de economische en financiële crisis op dat moment zijn hoogtepunt had bereikt en rekening houdend met het feit dat de Slowaakse regering, door angst en wellicht met het oog op de opkomende verkiezingen van 2010, proactief heeft gehandeld, zonder over concrete informatie te beschikken over de werkelijke situatie van NCHZ en zonder dat de eerste curator om een dergelijke interventie van de Slowaakse Staat had verzocht.
129 Dit betoog van verzoekster is niet overtuigend, aangezien het berust op de veronderstelling dat de Slowaakse Staat een wet heeft vastgesteld en heeft besloten die wet op één onderneming toe te passen, zonder over concrete informatie over de situatie van die onderneming te beschikken. Er zij aan herinnerd dat de eerste curator de Slowaakse autoriteiten informatie moest verschaffen, wat hij met de analyse van 26 oktober 2009 heeft gedaan (zie punt 96 hierboven). Indien de inhoud van het besluit dat de bevoegde commissie zou nemen op dat moment zo zeker was als verzoekster stelt, zouden de Slowaakse autoriteiten geen enkele reden hebben gehad om te twijfelen aan het feit dat de activiteiten van NCHZ zouden worden voortgezet. Het door verzoekster aangevoerde argument van het bestaan van vrees met het oog op de verkiezingen wijst er daarentegen op dat de bevoegde commissie, gelet op de economische situatie van NCHZ en haar ontwikkelingsperspectieven, anders had kunnen besluiten, namelijk tot liquidatie van NCHZ.
130 Gelet op een en ander faalt verzoeksters betoog dat, indien het gemene faillissementsrecht op NCHZ zou zijn toegepast, het besluit van de curator in functie zou zijn bekrachtigd door de bevoegde commissie, die dan zou hebben besloten de activiteiten van NCHZ voort te zetten.
3) Stelling dat een besluit van de bevoegde commissie de klanten en leveranciers dezelfde zekerheid zou hebben verschaft als de wet strategisch belangrijke ondernemingen
131 In de eerste plaats zou een besluit van de bevoegde commissie de klanten en leveranciers volgens verzoekster dezelfde zekerheid verschaffen als de wet strategisch belangrijke ondernemingen, anders dan de Commissie beweert (overweging 88 van het bestreden besluit). Verzoekster stelt dat, zelfs indien die bewering juist zou zijn – wat niet het geval is – die zekerheid uitsluitend van invloed zou zijn geweest op de mate van waarschijnlijkheid en het bedrag van de (gedeeltelijke) uitstaande schulden van NCHZ in het geval van voortzetting van de activiteiten van de onderneming, en niet in het geval van een onmiddellijke liquidatie daarvan. Bovendien betwist verzoekster het oordeel van de Commissie dat uit het feit dat NCHZ, ondanks de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen, in 2009 en 2010 klanten heeft verloren, blijkt dat er als gevolg van de toepassing van die wet voor de klanten en leveranciers een stevige waarborg bestond dat de activiteiten van NCHZ ten minste tot de vervaldatum van die wet zouden worden voortgezet (overwegingen 85 en 86 van het bestreden besluit).
132 In het bestreden besluit heeft de Commissie geoordeeld dat de eerste maatregel NCHZ en derden, met name haar klanten en leveranciers, de zekerheid heeft verschaft dat de activiteiten van die onderneming zouden worden voortgezet, terwijl de voortzetting van de activiteiten van een insolvente onderneming onder normale faillissementsvoorwaarden nooit zou zijn gewaarborgd, waardoor NCHZ dan ook een voorkeursbehandeling heeft gekregen ten opzichte van haar mededingers in een gelijksoortige situatie (overwegingen 78, 85, 89 en 90 van het bestreden besluit). Zij heeft opgemerkt dat NCHZ, ondanks de bescherming door de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen, in 2009 en 2010 enkele klanten had verloren, zoals was gebleken uit de economische analyse van de curator na de vervaldatum van die wet (overweging 86 van het bestreden besluit). Zij heeft geoordeeld dat, „indien [die] wet niet van toepassing zou zijn geweest op NCHZ, […] de onderneming te maken [zou] hebben gehad met aanvullende negatieve gevolgen (zoals klanten die overstappen op veiligere leveranciers), waardoor de schuldeisers meer waarschijnlijk hadden beslist om de activiteiten [van de onderneming] in die fase stop te zetten” (overweging 88 van het bestreden besluit).
133 Uit het bestreden besluit blijkt dus duidelijk dat de Commissie niet alleen rekening heeft gehouden met de situatie op het moment dat NCHZ werd onderworpen aan de wet strategisch belangrijke ondernemingen, maar ook heeft willen aangeven dat het besluit om de activiteiten van NCHZ stop te zetten in de loop van 2010 had kunnen worden genomen, hoewel die wet voor de gehele eerste faillissementsperiode, te weten iets meer dan een jaar, gevolgen heeft gesorteerd, en de situatie voor die periode heeft bevroren. Verzoekster wijst er zelf op dat, wanneer is gebleken dat de strategie van de curator faalt, de bevoegde commissie bijeen moet worden geroepen, overeenkomstig artikel 88, lid 2, van de faillissementswet.
134 Verzoekster houdt bij haar betoog geen rekening met het feit dat de vorderingen van na het faillissement van de – met name publieke – schuldeisers van vóór het faillissement tijdens de voortzetting van de activiteiten van NCHZ in de eerste faillissementsperiode konden toenemen, en dat het in geval van voortzetting van de activiteiten van NCHZ dan ook in hun belang zou zijn dat NCHZ winst kon maken zodat hun vorderingen van na het faillissement zouden worden betaald. Anders zou het een bijkomend verlies zijn, bovenop het verlies van de vorderingen van voor het faillissement. Zoals de Commissie heeft aangegeven (overweging 86 van het bestreden besluit), zouden deze schuldeisers, in een situatie waarin klanten en leveranciers overstapten, hun standpunt in de loop van 2010 hebben kunnen herzien indien het gemene faillissementsrecht op NCHZ zou zijn toegepast. Bovendien zouden zelfs de schuldeisers met louter vorderingen van vóór het faillissement de stopzetting van de activiteiten van NCHZ hebben kunnen voorstaan (zie punt 115 hierboven).
135 Hoewel, zoals verzoekster stelt, de toepassing van de wet strategisch belangrijke ondernemingen niet garandeerde dat de leveringen daadwerkelijk plaatsvonden, garandeerde die toepassing vanwege het verbod op collectief ontslag wel dat het personeel in dienst zou blijven, en gaf zij met name de klanten en leveranciers de zekerheid dat de activiteiten van NCHZ in ieder geval tot de vervaldatum van die wet zouden worden voortgezet, ongeacht de niet-betaalde vorderingen, met name die van de overheid.
136 Verzoekster draagt geen gegevens aan om aan te tonen op welke wijze een besluit van de bevoegde commissie aan derden dezelfde zekerheid zou hebben geboden, en wel door te vereisen dat de activiteiten van NCHZ zouden worden voortgezet voor eenzelfde duur als waarvoor de wet strategisch belangrijke ondernemingen van toepassing was. In het bijzonder wordt niet gesteld dat de bevoegde commissie krachtens de faillissementswet had kunnen bepalen, of dit zelfs had kunnen overwegen, dat de activiteiten van NCHZ voor een dergelijke vaste duur zouden worden voortgezet. Verzoekster stelt namelijk louter dat, gelet op de duur van de voortzetting van de activiteiten van NCHZ gedurende de tweede faillissementsperiode, kan worden verondersteld dat de bevoegde commissie zou hebben besloten de activiteiten van NCHZ in het laatste kwartaal van 2009 voor een gelijkwaardige duur voort te zetten.
137 Wat betreft het door de Commissie in overweging 86 van het bestreden besluit genoemde verlies van klanten in 2009 en 2010, wijst verzoekster bovendien louter op de stabiliteit aan het eind van 2009. Uit het dossier blijkt dat er destijds veeleer een neerwaartse trend was van zowel de inkomsten uit verkoop als de nieuwe bestellingen (zie punt 101 hierboven). Derhalve was het niet zeker dat de door verzoekster aangevoerde beweerdelijke stabiliteit tijdens de eerste faillissementsperiode kon voortduren bij toepassing van het gemene faillissementsrecht.
138 In de tweede plaats stelt verzoekster in antwoord op het argument van de Commissie dat de situatie van NCHZ in de periode tussen de faillietverklaring en de vaststelling van de wet strategisch belangrijke ondernemingen en de daaropvolgende toepassing daarvan op NCHZ, enigszins vertekend was door publiekelijk beschikbare informatie waaruit duidelijk bleek dat een wettelijke oplossing in de maak was, dat de Commissie weliswaar naar meerdere verklaringen verwijst, maar dat al die verklaringen op dezelfde dag, 26 oktober 2009, tijdens een bezoek van de Slowaakse minister van Economische Zaken bij NCHZ zijn afgegeven. Aangezien die publieke verklaringen slechts tien dagen voor de vaststelling van de wet strategisch belangrijke ondernemingen zijn afgegeven, waren de effecten ervan volgens verzoekster beperkt tot de periode vóór de vaststelling van die wet, terwijl de eerste twee maanden nadat NCHZ faillissement had aangevraagd bepalend waren geweest voor het succes van de voortzetting van haar activiteiten tijdens de faillissementsprocedure, aangezien het bestuur van NCHZ en de eerste curator vele onderhandelingen moesten voeren met de voornaamste klanten en leveranciers. De bovengenoemde verklaringen zijn volgens verzoekster eerder een stevig bewijs van de financiële slagkracht van NCHZ tijdens de faillissementsprocedure.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 28 maart 2019, C-405/16, ECLI:EU:C:2019:268
- Gerecht EU 13 december 2018, T-284/15, ECLI:EU:T:2018:950
- HvJ EU 7 maart 2018, C-127/16, ECLI:EU:C:2018:165
- HvJ EU 18 mei 2017, C-150/16, ECLI:EU:C:2017:388
- Gerecht EU 17 december 2015, T-242/12, ECLI:EU:T:2015:1003
- HvJ EU 11 september 2014, C-527/12, ECLI:EU:C:2014:2193
- HvJ EU 3 april 2014, C-559/12, ECLI:EU:C:2014:217
- HvJ EU 13 februari 2014, C-69/13, ECLI:EU:C:2014:71
- HvJ EU 19 maart 2013, C-399/10, ECLI:EU:C:2013:175
- HvJ EU 24 januari 2013, C-529/09, ECLI:EU:C:2013:31
- HvJ EU 24 januari 2013, C-73/11, ECLI:EU:C:2013:32
- HvJ EU 11 december 2012, C-610/10, ECLI:EU:C:2012:781
- HvJ EU 5 juni 2012, C-124/10, ECLI:EU:C:2012:318
- Gerecht EU 28 maart 2012, T-123/09, ECLI:EU:T:2012:164
- Gerecht EU 13 september 2010, T-415/05, ECLI:EU:T:2010:386
- HvJ EU 2 september 2010, C-290/07, ECLI:EU:C:2010:480
- HvJ EU 20 mei 2010, C-138/09, ECLI:EU:C:2010:291
- Gerecht EU 1 juli 2009, T-291/06, ECLI:EU:T:2009:235
- Gerecht EU 4 maart 2009, T-445/05, ECLI:EU:T:2009:50
- HvJ EU 22 december 2008, C-487/06, ECLI:EU:C:2008:757