Gerecht EU 17 december 2015, T-242/12, ECLI:EU:T:2015:1003
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)
17 december 2015 ( *1 )
„Staatssteun — Steun die door Frankrijk ten uitvoer is gelegd ten gunste van Sernam SCS — Herstructurerings- en herkapitalisatiesteun, garanties en kwijtschelding van schulden van Sernam SA door de SNCF — Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard — Misbruik van steun — Terugvordering — Economische continuïteit — Criterium van de particuliere investeerder”
In zaak T‑242/12,
Société nationale des chemins de fer français (SNCF), gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door P. Beurier, O. Billard en V. Landes, advocaten,
verzoekster,
ondersteund door
Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door D. Colas en J. Gstalter, vervolgens door Colas en J. Rossi en tot slot vertegenwoordigd door Colas en J. Bousin als gemachtigden,
interveniënte,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Maxian Rusche en B. Stromsky als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Mory SA, in liquidatie, gevestigd te Pantin (Frankrijk),
en
Mory Team, in liquidatie, gevestigd te Pantin,
vertegenwoordigd door B. Vatier en F. Loubières, advocaten,
interveniënten,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van besluit 2012/398/EU van de Commissie van 9 maart 2012 betreffende steunmaatregel SA.12522 (C 37/08) – Frankrijk – Toepassing van de beschikking „Sernam 2” (PB L 195, blz. 19),
wijst
HET GERECHT (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: M. van der Woude, president, I. Wiszniewska-Białecka en I. Ulloa Rubio (rapporteur), rechters,
griffier: S. Bukšek Tomac, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 februari 2015,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1. Verzoekster en Sernam ten tijde van de feiten
1 De Société nationale des chemins de fer (SNCF) (hierna: „SNCF” of „verzoekster”), die in 1938 werd opgericht met de status van vennootschap, is met ingang van 1 januari 1983 omgevormd tot een industrieel-commercieel overheidsbedrijf (établissement public industriel commercial, ook wel EPIC), zulks op grond van loi 82‑1153, du 30 décembre 1982, d’orientation des transports intérieurs (oriënterende wet nr. 85‑1153 inzake het binnenlands vervoer van 30 december 1982). Het volledige kapitaal (in de vorm van een door de Staat ter beschikking gesteld bedrag, en niet een aandelenkapitaal) komt aan de Staat toe.
2 Sinds haar oprichting als een interne afdeling door verzoekster in 1970 bestaan de activiteiten van de onderneming Sernam uit koeriersdiensten en expresvervoer van pakketten en pallets.
3 In 1993 zijn bij een reorganisatie Sernam Domaine en de dochteronderneming Sernam Transport SA opgericht. Sernam Domaine is een interne afdeling van de SNCF gebleven, terwijl Sernam Transport de status van volle dochter van de SNCF heeft verworven. Sernam Transport heeft 24 dochtermaatschappijen onder zich gekregen via dewelke zij haar wegvervoeractiviteiten uitoefende.
4 Op 1 februari 2000 is Sernam Domaine omgevormd tot een commanditaire vennootschap, Sernam SCS, die afzonderlijke rechtspersoonlijkheid had en een volle dochteronderneming van de SNCF was. Sernam SCS hield onder meer de deelnemingsbewijzen in Sernam Transport, die daarna haar 100 %-dochteronderneming is geworden.
5 In december 2001 is Sernam SCS Sernam SA geworden. In 2005 telde Sernam 10 operationele dochterondernemingen en een onderneming voor wegvervoer, Sernam Transport Route (voorheen Sernam Transport).
2. Sernam-1-beschikking
6 Bij beschikking NN 122/00 (ex N 140/00) van 23 mei 2001 (hierna: „Sernam-1-beschikking”) heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen geoordeeld dat de door verzoekster getroffen maatregelen op het gebied van commerciële bijstand en het herstelplan voor Sernam SCS, die tussen begin 2001 en eind 2004 moesten worden uitgevoerd, met het EG-Verdrag verenigbare staatssteun vormde. Het totale daarmee gemoeide bedrag beliep 503 miljoen EUR. Bij die gelegenheid heeft zij tevens aangegeven dat zij het „betreur[de] dat de [Franse Republiek] de steun in strijd met artikel 88, lid 3, van het Verdrag ten uitvoer had gebracht”.
7 De steun van 503 miljoen EUR werd goedgekeurd op basis van met name een verbintenis van de Franse Republiek om de onderneming te verkopen. Sernam SCS moest namelijk voor 60 % van haar kapitaal worden overgenomen door Geodis SA. Geodis had zo volledig en onbeperkt aansprakelijk moeten worden voor de schulden van Sernam SCS en ook de extra kosten voor de herstructurering van Sernam ten belope van 67 miljoen EUR voor haar rekening moeten nemen. Van haar kant verbond Sernam SCS zich ertoe het aantal van haar bedrijfsvestigingen te verlagen van 107 tot 72 in de periode 1999‑2004, haar omzet met 18 % terug te brengen, haar personeel in te krimpen en de herstructurering met bovenvermeld budget binnen de gestelde termijn uit te voeren.
3. Sernam-2-beschikking
8 Bij brief van 17 juni 2002 hebben de Franse autoriteiten de Commissie ervan op de hoogte gebracht dat de steun die bij de Sernam-1-beschikking was goedgekeurd, ten uitvoer was gelegd onder andere omstandigheden dan die welke de Commissie aan haar beschikking ten grondslag had gelegd.
9 Bij brief van 30 april 2003 heeft de Commissie de Franse Republiek in kennis gesteld van haar besluit om ten aanzien van deze steunmaatregelen de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden [besluit getiteld „Steunmaatregelen van de Staten – Frankrijk – Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag om opmerkingen te maken betreffende steunmaatregel C 32/03 (ex NN 122/2000) – ‚Sernam 2: herziening van de herstructureringssteun’”, PB C 182, blz. 2].
10 De Commissie heeft een nieuwe analyse van het dossier verricht op basis van een bijgewerkt volledig herstructureringsplan waarin de nieuwe omstandigheden waren verdisconteerd. Zij heeft de nieuwe feiten onderzocht om na te gaan in hoeverre zij al dan niet conform de Sernam-1-beschikking waren en gecontroleerd in hoeverre de feitelijke situatie op de datum van vaststelling van de beschikking – vergeleken met de Sernam-1-beschikking – verenigbaar was met de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB 1999, C 288, blz. 2), met name wat betreft het beginsel van eenmalige steun.
11 Bij beschikking 2006/367/EG van 20 oktober 2004 betreffende de staatssteunmaatregel die door Frankrijk gedeeltelijk ten uitvoer is gelegd ten gunste van de onderneming „Sernam” (PB 2006, L 140, blz. 1; hierna: „Sernam-2-beschikking”), is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de Sernam-1-beschikking niet was nageleefd, hetgeen misbruik van steun opleverde in de zin van artikel 1, onder g), van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] (PB L 83, blz. 1), en punt 43 van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden.
12 Zij stelde niettemin vast dat de Franse autoriteiten meerdere van hun doelstellingen in overeenstemming met de Sernam-1-beschikking hadden bereikt en dat de onderzochte steun voldeed aan de criteria voor wijziging van een herstructureringsplan als voorzien in punt 3.2.4 van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden. De Commissie heeft dus bevestigd dat de steun ten belope van 503 miljoen EUR die bij de Sernam-1-beschikking was goedgekeurd, onder nieuwe voorwaarden verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt.
13 Ook heeft zij vastgesteld dat aanvullende steun voor een bedrag van 41 miljoen EUR, die door verzoekster aan Sernam was overgemaakt en die een direct gevolg was van het misbruik van de steun die bij de Sernam-1-beschikking was goedgekeurd, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt moest worden verklaard en vermeerderd met rente moest worden teruggevorderd.
14 Het dispositief van de Sernam-2-beschikking luidt: „Artikel 1 1. De in mei 2001 goedgekeurde staatssteunmaatregel ten voordele van de maatschappij Sernam ten bedrage van 503 miljoen EUR is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt onder de in de artikelen 3 en 4 gestelde voorwaarden. 2. De door [de Franse Republiek] ten voordele van de maatschappij Sernam uitgevoerde staatssteunmaatregel ten bedrage van 41 miljoen EUR is niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Artikel 2 1. [De Franse Republiek] neemt alle nodige maatregelen om de in artikel 1, lid 2, bedoelde, reeds onrechtmatig ter beschikking gestelde steun van de begunstigde terug te vorderen. 2. De terugvordering vindt onverwijld plaats volgens de procedures van nationaal recht, mits deze procedures de onmiddellijke en doeltreffende uitvoering van deze beschikking niet in de weg staan. De terug te vorderen steun dient te worden vermeerderd met rente, betaalbaar vanaf de datum waarop de steun voor de begunstigde beschikbaar was tot de datum van terugvordering. De rente wordt berekend op grond van het referentiepercentage dat wordt gebruikt voor de berekening van het subsidie-equivalent bij regionale steun. Artikel 3 1. Behoudens de bepaling van lid 2 zal aan de volgende voorwaarden moeten worden voldaan: a) Sernam mag haar activiteiten op het gebied van koeriersvervoer per spoor alleen ontwikkelen volgens het concept van de Train bloc express, ‚TBE’. De SNCF geeft op dit punt de garantie dat zij aan elke exploitant die hierom vraagt dezelfde voorwaarden biedt als de voorwaarden die aan Sernam verleend zijn voor de ontwikkeling van het vrachtvervoer per spoor ‚TBE’. b) Daar staat tegenover dat Sernam de komende twee jaar, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van deze beschikking, haar eigen wegvervoersmiddelen en diensten integraal moet vervangen door wegvervoersmiddelen en diensten van één of meer juridisch en economisch onafhankelijk van de SNCF zijnde ondernemingen die geselecteerd zijn volgens een open transparante en niet-discriminerende procedure. Met eigen wegvervoersmiddelen en diensten van Sernam worden bedoeld alle wegtransportmiddelen – de wegtransportvoertuigen – die volledig eigendom zijn van de maatschappij Sernam of door haar zijn geleased/gehuurd. De ondernemingen die de wegtransportactiviteiten van Sernam overnemen moeten dit wegtransport volledig met eigen middelen uitvoeren. 2. Indien Sernam vanaf [nu tot 30 juni 2005] haar activa en bloc tegen marktprijzen verkoopt aan een maatschappij die geen juridische band heeft met de SNCF via een transparante en open procedure, zijn de voorwaarden van lid 1 niet van toepassing. Artikel 4 Iedere gedeeltelijke of gehele verkoop van Sernam moet plaatsvinden tegen de marktprijs en volgens een transparante procedure die openstaat voor alle concurrenten. In dat geval komt de terugbetaling van de 41 miljoen EUR steun ten laste van de maatschappij Sernam, indien deze blijft bestaan. [...]”.
4. Overdracht en bloc van de activa van Sernam aan Financière Sernam en daarop volgende gebeurtenissen
15 Na de Sernam-2-beschikking hebben de Franse autoriteiten op 24 november 2004 een bezoek aan de Commissie gebracht en haar op 21 december 2004 schriftelijk officieel laten weten welke keuzes zij hadden gemaakt met betrekking tot de verkoop van de activa van Sernam en bloc, zulks overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking.
16 Verzoekster heeft met de hulp van een bank (hierna: „bank X”) een aanbesteding georganiseerd. Daarbij zijn 34 groepen benaderd.
17 Volgens de Franse autoriteiten hebben zij door de financiële situatie van Sernam geen voorstellen met een positieve waardering ontvangen. Alle biedingen die in het kader van deze procedure werden uitgebracht, zouden een zeer negatieve waarde hebben gehad indien zij zouden zijn aanvaard: — kandidaat 1 (niet-definitief bod): -120 miljoen EUR; — kandidaat 2 (niet-definitief bod): -90,4 miljoen EUR; — kandidaat 3 (niet-definitief bod): -90,4 miljoen EUR; — kandidaat 4 (niet-bindend bod in de tweede ronde): -65,2 miljoen EUR; — kandidaat 5 (niet-bindend bod in de tweede ronde): -56,4 miljoen EUR.
18 Er werd geen onherroepelijk bod gedaan. Twee inschrijvers, de kandidaten 4 en 5, waarbij laatstgenoemde een partnerschap met het management van Sernam was aangegaan, hebben niettemin na de tweede ronde te kennen gegeven dat zij duidelijk belangstelling hadden. Besloten werd om alleen de gesprekken met het consortium gevormd door kandidaat 5, die met het management van Sernam een partnerschap had gevormd (hierna: „consortium”), verder te voeren.
19 Kandidaat 5 heeft verzoekster uiteindelijk op 15 juni 2005 laten weten dat hij vóór 30 juni 2005 geen overnamebod kon doen, ook niet een voorwaardelijk bod.
20 Daarop heeft het management van Sernam besloten via een nog op te richten vennootschap, aanvankelijk Bidco genaamd en vervolgens Financière Sernam, een autonoom overnamebod te doen, dat verzoekster op 30 juni 2005 is toegezonden en op diezelfde dag in beginsel is aanvaard door de algemene directie van verzoekster.
21 Op 21 juli 2005 werd het protocol van overeenstemming tussen verzoekster, Sernam, SAS Sernam Xpress (1 van de 10 volledige dochterondernemingen van Sernam SA, die in 2002 is opgericht; hierna: „Sernam Xpress”) en de bestuurders van het toekomstige Financière Sernam ondertekend (hierna: „protocol van overeenstemming van 21 juli 2005”).
22 Het overnameproces heeft in vier stappen plaatsgevonden: — de SNCF heeft haar volledige dochteronderneming Sernam voor 57 miljoen EUR geherkapitaliseerd; — Sernam is vervolgens overgegaan tot een gedeeltelijke inbreng in activa ten voordele van haar volledige dochteronderneming Sernam (hierna: „inbreng”), waarop de regeling inzake splitsingen als bedoeld in de artikelen L.236‑16 tot en met L.236‑21 van de Franse code de commerce (wetboek van koophandel) van toepassing was, waarvoor Sernam als tegenprestatie een deelneming in Sernam Xpress heeft gekregen voor een nominale waarde van 100 EUR (de vergoeding voor de gedeeltelijke inbreng in activa vond in de vorm van effecten plaats). Deze inbreng had betrekking op alle activa, daaronder begrepen de 57 miljoen EUR voor de herkapitalisatie, en passiva van Sernam, met uitzondering van bepaalde financiële passiva die een totaalbedrag van 38,5 miljoen EUR vertegenwoordigden (hierna tezamen: „financiële passiva”), die bestonden uit de volgende bestanddelen: — de participatielening die door Sernam was aangegaan bij de groep SNCF op 21 december 2001; — de activa en passiva in verband met de opzegging van het „IBM–GPS”-contract; — onmiddellijk nadat de inbreng had plaatsgevonden, heeft Sernam Xpress een kapitaalverhoging van 2 miljoen EUR doorgevoerd, die volledig ten laste van verzoekster is gekomen. Na deze operatie had verzoekster het merendeel van de aandelen van Sernam Xpress in handen; — Sernam SA en de SNCF hebben daarna al hun aandelen in Sernam Xpress voor 2 miljoen EUR aan Financière Sernam verkocht; dit bedrag vertegenwoordigt het volledige vermogen van de onderneming.
23 Daarnaast was voorzien in een mechanisme dat een aanvullende prijs zou worden betaald indien de aandelen of de activa van de overgedragen onderneming geheel of gedeeltelijk aan een derde zouden worden overgedragen en in een ontbindende voorwaarde ingeval de Commissie binnen vijf jaar na de sluiting van het protocol van overeenstemming van 21 juli 2005 een negatief besluit zou vaststellen.
24 Verzoekster heeft bij de overdracht ook garanties verstrekt.
25 De tussen Sernam en Sernam Xpress gesloten overeenkomst ter zake van de gedeeltelijke inbreng in activa dateert van 14 september 2005. Financière Sernam is in het handelsregister ingeschreven op 14 oktober 2005.
26 De verschillende verrichtingen in het kader van het overnameproces die hierboven in punt 22 zijn omschreven, hebben alle op dezelfde datum plaatsgevonden, namelijk 17 oktober 2005, de dag van de zogenoemde „closing”.
27 Op 15 december 2005 is Sernam voorwerp van een gerechtelijke vereffening geweest. De 41 miljoen EUR die aan verzoekster moesten worden terugbetaald op grond van de Sernam-2-beschikking is bij deze liquidatie op de passiefzijde opgenomen, evenals de 38,5 miljoen EUR aan financiële passiva die van de inbreng waren uitgesloten (zie punt 22, tweede streepje, hierboven).
28 In de loop van 2006 is een beleggingsfonds voor 51,8 % in het kapitaal van Sernam Xpress gaan deelnemen.
29 In mei 2011 heeft Sernam Xpress het merk Sernam in haar werkmaatschappij Sernam Services ingebracht.
30 Op 30 juni 2011 is Sernam Xpress ontbonden en is haar vermogen overgegaan op Financière Sernam, als enige vennoot (een zogenoemde „overdracht onder algemene titel van het vermogen”).
31 De groep Sernam bestond op de datum van het in deze zaak bestreden besluit uit Financière Sernam en de dochterondernemingen van het voormalige Sernam Xpress: Sernam Services en Aster (voorheen Sernam Transport Route genoemd).
32 Op 31 januari 2012 werd voor Financière Sernam en Sernam Services een saneringsprocedure ingeleid. Op 3 februari 2012 is de dochteronderneming Aster door de rechter in staat van vereffening met tijdelijke voortzetting van de activiteiten verklaard.
33 Omdat voor de aangewezen bewindvoerder een plan voor de doorstart van de groep Sernam niet geloofwaardig bleek, is hij op zoek gegaan naar overnamekandidaten.
5. Procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid
34 Reeds op 24 juni 2005 heeft een eerste klager (hierna: „eerste klager”) bij de Commissie aangegeven dat de Sernam-2-beschikking niet naar behoren was uitgevoerd.
35 Op 22 februari 2006 heeft de eerste klager een beroep wegens nalaten tegen de Commissie ingesteld.
36 Bij brieven van 10 april 2006 en 23 april 2007 is door een tweede belanghebbende een klacht bij de Commissie ingediend (hierna: „tweede klager”).
37 De twee klagers stellen zich in essentie op het standpunt dat de Sernam-2-beschikking is uitgevoerd op een wijze die misbruik oplevert.
38 Bij beslissing van 16 juli 2008, met als titel „Staatssteun – Frankrijk – Steunmaatregel C 37/08 – Toepassing van de beschikking Sernam 2 – Uitnodiging overeenkomstig artikel [108, lid 2, VWEU] om opmerkingen te maken” (PB 2009, C 4, blz. 5; hierna: „beslissing tot inleiding van de procedure”), heeft de Commissie de formele onderzoeksprocedure als voorzien in artikel 108, lid 2, VWEU ingeleid.
39 Op 29 april 2009 heeft het Gerecht vastgesteld dat niet meer hoefde te worden beslist op het beroep wegens nalaten dat de eerste klager tegen de Commissie had ingesteld (beschikking van 29 april 2009, HALTE/Commissie,T‑58/06, EU:T:2009:125).
40 Op 9 maart 2012 heeft de Commissie besluit 2012/398/EU vastgesteld, betreffende Steunmaatregel SA.12522 (C 37/08) – Frankrijk – Toepassing van de beschikking „Sernam 2” (PB L 195, blz. 19; hierna: „bestreden besluit”). Dit is op 10 maart 2012 aan de Franse autoriteiten toegezonden. De Franse autoriteiten hebben dit op 26 maart 2012 aan verzoekster doorgezonden.
6. Bestreden besluit
41 De Commissie heeft om te beginnen aangegeven dat de procedure op grond van artikel 16 van verordening nr. 659/1999 was ingeleid, omdat er aanwijzingen waren dat de Franse Republiek de bij de Sernam-2-beschikking onder voorwaarden goedgekeurde steun heeft misbruikt, en dit nadat zij de bij de Sernam-1-beschikking eveneens onder voorwaarden goedgekeurde steun had misbruikt.
Misbruik van de bij de Sernam-2-beschikking toegestane steun
42 Aangezien de Franse autoriteiten hadden bevestigd dat niet aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, van de Sernam-2-beschikking was voldaan, was de Commissie van oordeel dat zij slechts hoefde te onderzoeken of de Franse Republiek de voorwaarden in artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking had nageleefd.
43 De Commissie meende dat aan vele van de eisen die bij artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking waren gesteld, niet was voldaan.
44 In de eerste plaats kwam de Commissie in punt 3.2.1 van het bestreden besluit tot het oordeel dat de overdracht van de activiteiten niet was uitgevoerd op 30 juni 2005.
45 In de tweede plaats meende de Commissie in punt 3.2.2 van het bestreden besluit dat de overdracht van de activiteiten geen verkoop was omdat de prijs negatief was en dat ook om die reden artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking niet was nageleefd.
46 In de derde plaats was de Commissie in punt 3.2.3 van het bestreden besluit van mening dat de overdracht van de activiteiten geen verkoop van de activa was, maar een volledige overdracht (activa en passiva) van Sernam, aangezien de overdracht bestond uit een overdracht en bloc van de activa en passiva binnen een groep, gevolgd door een verkoop van de aandelen (share deal) van de dochteronderneming die deze activa en passiva had ontvangen (overwegingen 108‑112 van het bestreden besluit), en aangezien de overdracht niet beperkt bleef tot de activa, maar een volledige verkoop van Sernam (activa en passiva) betrof (overwegingen 113‑116 van het bestreden besluit).
47 In de vierde plaats meende de Commissie in punt 3.2.4 van het bestreden besluit dat de overdracht niet beperkt was tot de activa die Sernam SA op het ogenblik van de Sernam-2-beschikking in haar bezit had. Door de herkapitalisatie voor een bedrag van 57 miljoen EUR had een toevoeging aan de activa plaatsgevonden die niet was toegestaan door artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking.
48 In de vijfde plaats was de Commissie in punt 3.2.5 van het bestreden besluit van oordeel dat de overdracht van de activiteiten niet via een transparante en open procedure was verlopen.
49 In de zesde plaats kwam de Commissie in punt 3.2.6 van het bestreden besluit tot het oordeel dat het doel van een verkoop van activa niet was gerespecteerd.
50 De Commissie kwam tot het besluit dat artikel 3 van de Sernam-2-beschikking niet was nageleefd en daarmee dat misbruik was gemaakt van de steun van 503 miljoen EUR.
51 De Commissie meende dat de steun van 503 miljoen EUR niet op basis van de Sernam-2-beschikking verenigbaar met de interne markt was, aangezien die steun in strijd met de Sernam-2-beschikking door de begunstigde was gebruikt. Omdat de Franse Republiek geen redenen had aangevoerd waarom de steun verenigbaar zou zijn, was zij van oordeel dat de steun onverenigbaar was en vermeerderd met rente moest worden teruggevorderd vanaf de datum waarop die ter beschikking was gesteld van Financière Sernam en haar dochterondernemingen, met name Sernam Services en Aster, die volgens de Commissie de economische activiteit hadden voortgezet waarvoor de steun was toegekend en die voorheen werd uitgeoefend door Sernam en vervolgens door Sernam Xpress (waarvan het vermogen op 30 juni 2011 door middel van een overdracht onder algemene titel door Financière Sernam was overgenomen).
Terugvordering van de steun van 41 miljoen EUR
52 De Commissie is in de overwegingen 132 tot en met 151 van het bestreden besluit nagegaan of de Franse Republiek de bij de Sernam-2-beschikking onverenigbaar verklaarde steun van 41 miljoen EUR naar behoren had teruggevorderd door deze bij de liquidatie van Sernam aan de passiefzijde op te nemen en of er, gelet op de rechtspraak van de Unie over terugvorderingen, reden was om die terugvordering uit te breiden tot Financière Sernam en haar dochterondernemingen, Sernam Services en Aster. De Commissie heeft daarbij meer in het bijzonder verwezen naar de arresten van 8 mei 2003, Italië en SIM 2 Multimedia/Commissie (C‑399/00 en C‑328/99, Jurispr., hierna: „Seleco-arrest”, EU:C:2003:252), van 29 april 2004, Duitsland/Commissie (C‑277/00, Jurispr., hierna: „SMI-arrest”, EU:C:2004:238), en van 19 oktober 2005, CDA Datenträger Albrechts/Commissie (T‑324/00, Jurispr., hierna: „CDA-arrest”, EU:T:2005:364).
53 In de eerste plaats was de Commissie in de overwegingen 144 tot en met 148 van het bestreden besluit van oordeel dat de overdracht van de activiteiten van Sernam aan Sernam Xpress tot gevolg had gehad dat Sernam Xpress in feite kon blijven profiteren van het aan de steun verbonden mededingingsvoordeel, omdat sprake was van economische continuïteit tussen de twee ondernemingen en omdat die overdracht van de activiteiten van Sernam aan Sernam Xpress een omzeiling van het tegen Sernam uitgevaardigde bevel tot terugvordering inhield.
54 In de tweede plaats heeft zij er in punt 149 van het bestreden besluit aan herinnerd dat wanneer een aandeelhouder zijn aandelen in een vennootschap die onwettige steun heeft ontvangen aan een derde verkoopt, dit volgens de rechtspraak geen invloed heeft op verplichting tot terugvordering bij de vennootschap die de steun heeft ontvangen. Bijgevolg rustte in casu de verplichting tot terugbetaling van de 41 miljoen EUR nog steeds op Sernam Xpress, ook na de verkoop van haar aandelen aan Financière Sernam.
55 In de derde plaats was de Commissie in punt 150 van het bestreden besluit van oordeel dat de fusie tussen Sernam Xpress en Financière Sernam op 30 juni 2011 tot gevolg had gehad dat het voordeel van de steun van 41 miljoen EUR, en daarmee ook de verplichting tot terugvordering, was overgedragen aan Financière Sernam en haar dochterondernemingen, met name Sernam Services en Aster, die de activiteit van Sernam en Sernam Xpress hadden voortgezet.
Aan Sernam Xpress-Financière Sernam toegekende nieuwe steun
56 De Commissie meende dat de maatregelen in het protocol van overeenstemming van 21 juli 2005 nieuwe staatssteun vormden. Deze maatregelen waren de herkapitalisatie van Sernam voor een bedrag van 57 miljoen EUR netto door verzoekster, het afzien van twee schuldvorderingen voor een bedrag van in totaal 38,5 miljoen EUR van verzoekster op Sernam en vier garanties die verzoekster aan Sernam Xpress-Financière Sernam had verstrekt.
57 De Commissie heeft om te beginnen in de overwegingen 154 tot en met 158 van het bestreden besluit uiteengezet waarom zij had besloten om het criterium van de particuliere investeerder in een markteconomie niet toe te passen ten behoeve van de kwalificatie van die maatregelen aan de hand van artikel 107, lid 1, VWEU.
58 In de eerste plaats heeft zij in punt 154 van het bestreden besluit geoordeeld dat het criterium van de particuliere investeerder niet kan worden toegepast in een situatie waarin steun wordt teruggevorderd.
59 In de tweede plaats heeft de Commissie in punt 155 van het bestreden besluit beslist dat de verkoop van activa in artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking wordt opgevat als een equivalent voor de in artikel 3, lid 1, van die beschikking opgelegde compenserende maatregelen. Volgens punt 40 van de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB 2004, C 244, blz. 2; hierna: „richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun”), kan het stopzetten van een verliesgevende activiteit evenwel niet als een compenserende maatregel worden beschouwd. De Commissie heeft aangegeven dat de negatieve prijs aantoonde dat dit de stopzetting van een verliesgevende activiteit betrof, die niet het equivalent van een compenserende maatregel kon zijn en dat de negatieve prijs in het onderhavige geval overeenstemde met operationele steun aan de onderneming, die dus per definitie ongeschikt was om concurrentiestoringen te verminderen.
60 Ten aanzien van de kwalificatie van staatssteun heeft de Commissie in punt 159 van het bestreden besluit geoordeeld dat de maatregelen waren toegekend met middelen van een overheidsbedrijf, verzoekster. Verzoekster was een publiekrechtelijke instelling, een EPIC, die onder streng toezicht van de overheid stond, zodat het toekennen van het voordeel aan de staat kon worden toegeschreven. Aangezien Sernam Xpress en Financière Sernam actief waren in de sector van het wegvervoer, die binnen de Unie is opengesteld voor concurrentie, kon het voordeel concurrentieverstoringen teweegbrengen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. De Commissie heeft erop gewezen dat het niet nodig was een onderscheid te maken tussen de voordelen die aan Sernam Xpress en aan Financière Sernam waren toegekend, aangezien deze twee ondernemingen waren gefuseerd.
61 Omdat de Franse Republiek geen redenen had aangedragen waarom deze steunmaatregelen met de interne markt verenigbaar zouden zijn, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat deze maatregelen met de interne markt onverenigbaar waren en dat deze steun vermeerderd met rente moest worden teruggevorderd.
62 Het dispositief van het bestreden besluit luidt: „Artikel 1 1. De staatssteun ten bedrage van 503 miljoen EUR die [de Franse Republiek] ten gunste van Sernam SCS (later Sernam SA) heeft verleend en bij [de Sernam-2-beschikking] door de Commissie werd goedgekeurd, werd misbruikt. Deze is onverenigbaar met de interne markt. Sernam Xpress alsook Financière Sernam en haar dochterondernemingen, Sernam Services en Aster, hebben eveneens deze steun genoten. 2. Sernam Xpress alsook Financière Sernam en haar dochterondernemingen, met name Sernam Services en Aster, hebben eveneens staatssteun ten bedrage van 41 miljoen EUR genoten die [de Franse Republiek] ten gunste van Sernam SCS heeft verleend en die bij [de Sernam-2-beschikking] als onverenigbaar werd aangemerkt. 3. De herkapitalisatie van 57 miljoen EUR van [Sernam] door de SNCF, de kwijtschelding van de schulden van [Sernam] door de SNCF ten bedrage van 38,5 miljoen EUR en de garanties die de SNCF bij de overdracht van de activiteiten van [Sernam] aan Financière Sernam heeft toegekend, met uitzondering van de garantie voor het spoorwegpersoneel, vormen met de interne markt onverenigbare staatssteun. Artikel 2 1. [De Franse Republiek] vordert de in artikel 1 bedoelde steun van Financière Sernam en haar dochterondernemingen, Sernam Services en Aster, terug. 2. De terug te vorderen bedragen omvatten rente vanaf de datum waarop zij de begunstigde ter beschikking zijn gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan. 3. De rente wordt op samengestelde grondslag berekend overeenkomstig hoofdstuk V van verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004. Artikel 3 1. De terugvordering van de in artikel 1 bedoelde steun geschiedt onverwijld en daadwerkelijk. 2. [De Franse Republiek] zorgt ervoor, dat onderhavig besluit binnen vier maanden vanaf de datum van kennisgeving van dit besluit, ten uitvoer wordt gelegd. 3. In het kader van deze tenuitvoerlegging mag [de Franse Republiek] onder de hierboven beschreven voorwaarden rekening houden met de eventuele bedragen die de SNCF na de liquidatie van [Sernam] heeft teruggevorderd. Artikel 4 1. Binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van dit besluit verstrekt [de Franse Republiek] de Commissie de volgende inlichtingen: a) de datum waarop elke steunmaatregel ter beschikking van de begunstigde is gesteld, het totale van de begunstigde terug te vorderen bedrag (hoofdsom en terugvorderingsrente) voor elk van de steunmaatregelen; b) een gedetailleerde beschrijving van de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen; c) bescheiden waaruit blijkt dat de begunstigde is gelast de steun terug te betalen. 2. [De Franse Republiek] houdt de Commissie op de hoogte van de voortgang van de nationale maatregelen genomen ter uitvoering van dit besluit en dit tot de volledige terugvordering van de in artikel 1 bedoelde steun. [Zij] verstrekt, op eenvoudig verzoek van de Commissie, onverwijld inlichtingen over de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen. [Zij] verstrekt eveneens gedetailleerde inlichtingen over de reeds van de begunstigde teruggevorderde steunbedragen en de terugvorderingsrente. Artikel 5 [Dit besluit] is gericht tot de Franse Republiek.”
7. Feiten die zich na het bestreden besluit hebben voorgedaan
63 Na de vaststelling van het bestreden besluit hebben de Franse autoriteiten de Commissie op 23 maart 2012 verzocht om te bevestigen dat de verplichting tot terugbetaling van de staatssteun die bij artikel 2 van het bestreden besluit was opgelegd aan de vennootschappen van de groep Sernam, niet zou worden uitgebreid tot de vennootschappen van de groepen Geodis (die tot de groep van verzoekster behoort) en BMV, ingeval die een deel van de activa van de Sernam-vennootschappen zouden overnemen in het kader van hun gerechtelijke vereffening.
64 In haar besluit van 4 april 2012 betreffende steunmaatregel SA. 34547 (2012/N) – Frankrijk – Reprise des actifs du groupe Sernam dans le cadre de son redressement judiciaire (Overname van de activa van de groep Sernam in het kader van zijn gerechtelijke vereffening), is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er geen economische continuïteit was tussen de groep Sernam en de partijen die een deel van zijn activa hebben overgenomen, Geodis en BMV, en dat er geen reden was om de terugvordering van de bij het bestreden besluit onwettig en onverenigbaar verklaarde steun tot Geodis en BMV uit te breiden.
65 Op 13 april 2012 zijn Financière Sernam en Sernam Services voorwerp van een gerechtelijke vereffening geweest. Diezelfde dag heeft Geodis een bod neergelegd en is zij door het tribunal de commerce de Nanterre (handelsrechtbank van Nanterre, Frankrijk) aangewezen als de partij die de activa van de groep Sernam overnam.
Procedure en conclusies van partijen
66 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 juni 2012, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
67 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 oktober 2012, heeft de Franse Republiek verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van verzoekster. Bij beschikking van 26 november 2012 heeft de president van de Zesde kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan. De Franse Republiek heeft haar memorie in interventie ingediend op 11 februari 2013.
68 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 februari 2013, heeft verzoekster gevraagd om een nieuw bewijsaanbod in het procesdossier op te nemen. De president van de Zesde kamer heeft het nieuwe bewijsaanbod op 26 februari 2013 doen opnemen in het procesdossier. De Commissie heeft op 14 maart 2013 opmerkingen over het nieuwe bewijs ingediend. De Franse Republiek heeft te kennen gegeven dat zij geen opmerkingen had.
69 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Zevende kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen op 23 september 2013.
70 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 november 2013, hebben Mory SA, Mory Team en Superga Invest verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie in de onderhavige zaak.
71 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 januari 2014, heeft verzoekster verzocht om vertrouwelijke behandeling van bepaalde gegevens en passages in de processtukken, voor het geval dat het verzoek van de verzoeksters tot interventie om toegang tot alle processtukken uitzonderlijk zou worden ingewilligd. Verzoekster heeft daartoe een niet-vertrouwelijke versie van de betrokken processtukken overgelegd.
72 Bij beschikking van 23 mei 2014 heeft de president van de Zevende kamer van het Gerecht de interventie van Mory en Mory Team toegestaan op grond van artikel 116, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 en het verzoek tot interventie van Superga Invest afgewezen. De beslissing over het verzoek om vertrouwelijke behandeling van verzoekster is aangehouden.
73 Bij brief van 23 oktober 2014 heeft het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 aan verzoekster, de Commissie en de Franse Republiek schriftelijk een aantal vragen gesteld met het verzoek om daarop schriftelijk te antwoorden, en aan verzoekster en de Commissie verzocht om bepaalde documenten over te leggen. Deze partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
74 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 november 2014, heeft verzoekster gevraagd om een nieuw bewijsaanbod in het procesdossier op te nemen. De president van de Zevende kamer van het Gerecht heeft dit op 21 november 2014 in het procesdossier laten opnemen, met het verzoek aan de Commissie en aan de Franse Republiek om daar tijdens de terechtzitting hun opmerkingen over te maken.
75 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 november 2014, heeft verzoekster opmerkingen ingediend over de antwoorden die de Commissie op de vragen had gegeven. Bij beslissing van 3 december 2014 heeft de president van de Zevende kamer van het Gerecht besloten om deze brief niet in het procesdossier op te nemen.
76 Partijen hebben ter terechtzitting van 12 februari 2015 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
77 Verzoekster, daarin ondersteund door de Franse Republiek, concludeert tot: — nietigverklaring van het bestreden besluit; — verwijzing van de Commissie in de kosten.
78 De Commissie concludeert tot: — niet-ontvankelijkverklaring of, subsidiair, ongegrondverklaring van het beroep; — verwijzing van verzoekster in de kosten.
79 Mory en Mory Team concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring of, subsidiair, ongegrondverklaring van het beroep.
In rechte
80 Ter ondersteuning van haar verzoek om nietigverklaring voert verzoekster zes middelen aan. Het eerste middel betreft schending van haar rechten van verdediging doordat de Commissie in het bestreden besluit een standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de niet-toepasselijkheid van het criterium van de particuliere investeerder in het onderhavige geval, dat niet voorkwam in het besluit tot inleiding van de procedure. In dat verband geeft de Franse Republiek te kennen dat om dezelfde redenen ook haar rechten van verdediging zijn geschonden. Het tweede middel ziet op schending van het vertrouwensbeginsel. Het derde middel is ontleend aan niet-nakoming van de verplichting om een redelijke termijn in acht te nemen en schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Het vierde middel betreft schending van het recht en de feiten door de Commissie doordat zij tot het oordeel is gekomen dat bij de verkoop van de activa van Sernam en bloc niet was voldaan aan de voorwaarden in artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking. Het vijfde middel ziet op schending van het recht door de Commissie doordat zij tot het oordeel is gekomen dat de verplichting tot terugvordering van de bij de Sernam-2-beschikking onverenigbaar verklaarde steun van 41 miljoen EUR op Financière Sernam en haar dochterondernemingen was overgegaan. Het zesde middel betreft schending van het recht door de Commissie doordat zij tot het oordeel is genomen dat de maatregelen in het protocol van overeenstemming van 21 juli 2005 nieuwe steun ten gunste van Sernam Xpress-Financière Sernam vormden.
81 Het Gerecht is van oordeel dat eerst de laatste drie midden moeten worden onderzocht, en vervolgens de eerste drie middelen, inzake schendingen van de algemene beginselen van het Unierecht, omdat vele vragen die door die laatste middelen worden opgeworpen, afhangen van de beoordeling van het vierde, vijfde en zesde middel.
1. Vierde middel: schending van het recht en de feiten door de Commissie doordat zij tot het oordeel is gekomen dat bij de verkoop van de activa van Sernam en bloc was niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking
82 Verzoeksters vierde middel bestaat uit zes onderdelen. Het eerste onderdeel betreft schending van het recht en de feiten door de Commissie doordat zij in de overwegingen 97 en 98 van het bestreden besluit tot het oordeel is gekomen dat op 30 juni 2005 nog geen verkoop van de activa van Serman en bloc had plaatsgevonden. Het tweede onderdeel ziet op schending van het recht en de feiten door de Commissie doordat zij in de overwegingen 99 tot en met 102 van het bestreden besluit heeft beslist dat de verkoop van de activa van Serman en bloc voor een negatieve prijs geen verkoop vormde. Het derde onderdeel heeft betrekking op schending van het recht en de feiten door de Commissie doordat zij in de overwegingen 103 tot en met 116 van het bestreden besluit heeft geoordeeld dat de operatie de „volledige” overdracht van Sernam betrof. Het vierde onderdeel is ontleend aan schending van het recht door de Commissie doordat zij in overweging 117 van het bestreden besluit tot het oordeel is gekomen dat de overdracht niet beperkt is gebleven tot de activa van Sernam, maar daaraan 59 miljoen EUR (of 57 miljoen EUR netto) zijn toegevoegd. Het vijfde onderdeel betreft schending van het recht en de feiten door de Commissie doordat zij in de overwegingen 118 en 119 van het bestreden besluit heeft beslist dat de verkoop van de activa van Sernam en bloc niet volgens een transparante en open procedure was verlopen. Het zesde onderdeel ziet op schending van het recht en de feiten door de Commissie doordat zij in de overwegingen 121 tot en met 123 van het bestreden besluit heeft geoordeeld dat het doel van een verkoop van activa niet was gerespecteerd.
83 Op het gebied van misbruik van steun staat het volgens de bewoordingen van artikel 108, lid 2, VWEU juncto de artikelen 1, onder g), en 16 van verordening nr. 659/1999 in beginsel aan de Commissie om aan te tonen dat de begunstigde misbruik heeft gemaakt van alle of een deel van de steun die zij tevoren bij een vroeger besluit heeft goedgekeurd. Indien dit niet wordt aangetoond, moet die steun namelijk gedekt worden geacht door haar eerder goedkeuringsbesluit (arrest van 11 mei 2005, Saxonia Edelmetalle en ZEMAG/Commissie, T‑111/01 en T‑133/01, Jurispr., EU:T:2005:166, punt 86).
Eerste onderdeel: schending van het recht en de feiten door de Commissie doordat zij in de overwegingen 97 en 98 van het bestreden besluit tot het oordeel is gekomen dat de verkoop van de activa van Serman en bloc op 30 juni 2005 niet had plaatsgevonden
84 Verzoekster verwijt de Commissie in de eerste plaats dat zij de tekst van de Sernam-2-beschikking verdraaid heeft weergegeven in overweging 98 van het bestreden besluit door te verklaren dat de „overdracht van de activiteiten van [Sernam] aan Financière Sernam niet ten laatste op 30 juni 2005 is verricht, zoals in de voorwaarde van de beschikking Sernam 2 was bepaald”. Zij geeft te kennen dat in artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking alleen de „verkoop” en niet de „overdracht” van de eigenlijke activiteiten is vermeld. Verzoekster verwijt de Commissie in de tweede plaats dat zij in overweging 97 van het bestreden besluit heeft geoordeeld dat de aanvaarding van het onherroepelijke bod van Financière Sernam door de voorzitter van de raad van bestuur van de SNCF op 30 juni 2005 naar Frans recht niet volstond om de verkoop tot stand te brengen. Zij geeft te kennen dat naar Frans recht onherroepelijk een verkoop tot stand kan worden gebracht wanneer er tussen de verkoper en de koper overeenstemming over het voorwerp en de prijs is, ongeacht de juridische vorm waarin dit geschiedt, zelfs wanneer het voorwerp nog niet is geleverd of de prijs nog niet is betaald.
85 In de overwegingen 97 en 98 van het bestreden besluit heeft de Commissie aangegeven dat de directie van verzoekster het onherroepelijke bod van Financière Sernam slechts in beginsel had aanvaard op 30 juni 2005. Zij heeft vastgesteld dat het protocol van overeenstemming dat alle partijen bij de transactie verbindt, pas op 21 juli 2005 werd ondertekend en dat de verschillende transacties in het kader van de overdracht pas op 17 oktober 2005 werden uitgevoerd. De Commissie heeft daaruit afgeleid dat de overdracht van de activa van Sernam aan Financière Sernam niet uiterlijk op 30 juni 2005 had plaatsgevonden, zoals vereist voor de voorwaarde in de Sernam-2-beschikking, en dat dit reeds volstond om te besluiten dat de Franse Republiek misbruik had gemaakt van de steun die bij de Sernam-2-beschikking onder voorwaarden was goedgekeurd.
86 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck,292/82, Jurispr., EU:C:1983:335, punt 12, en van 21 februari 2013, RVS Levensverzekeringen,C‑243/11, Jurispr., EU:C:2013:85, punt 23).
87 Ook is het vaste rechtspraak dat het dispositief van een handeling onafscheidelijk verbonden is met de motivering ervan en derhalve, indien nodig, moet worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot de vaststelling ervan hebben geleid (arrest van 15 mei 1997, TWD/Commissie,C‑355/95 P, Jurispr., EU:C:1997:241, punt 21).
88 Wat verzoeksters eerste argument betreft, dat de Commissie de tekst van de Sernam-2-beschikking verdraaid heeft weergegeven, moet erop worden gewezen dat artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking betrekking heeft op het geval waarin Sernam „vanaf nu tot 30 juni 2005 haar activa en bloc [zou] verko[pen]”.
89 In overweging 217 van de Sernam-2-beschikking is verduidelijkt dat „mocht Sernam haar activa ‚en bloc’ verkopen, [de twee voorwaarden in artikel 3, lid 1], met betrekking tot de herstructurering van de maatschappij niet van toepassing zijn, aangezien Sernam dan niet meer in haar huidige rechtsvorm [zou] function[eren], en haar marktaandelen [zou] hebben overgelaten aan de onafhankelijke koper (die zijn activiteiten de facto met de activa van Sernam [zou] kunnen voortzetten)”.
90 Zoals de Commissie benadrukt, is het moment dat in aanmerking moeten worden genomen voor de beoordeling of de verkoop heeft plaatsgevonden, in de onderhavige zaak noodzakelijkerwijs dat van de daadwerkelijke overdracht van de activa, aangezien de doelstelling die met artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking werd nagestreefd, gelezen in het licht van overweging 217, was om Sernam te verplichten om zich van al haar activa te ontdoen en haar marktaandelen prijs te geven. Indien artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking in tegenovergestelde zin en op formele wijze zou worden uitgelegd, zou dit van elke werking zijn ontbloot, met het gevaar dat de daadwerkelijke overdracht van de activa tot veel later zou worden opgeschoven nadat de „verkoop” in juridische zin tot stand was gekomen.
91 Bijgevolg volstaat het vast te stellen dat de Commissie terecht heeft geconstateerd dat de verschillende transacties met betrekking tot de overdracht pas op de datum van de zogenoemde „closing”, op 17 oktober 2005, waren verricht en dat bijgevolg de uiterste datum van 30 juni 2005 die bij artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking was vastgesteld, niet in acht was genomen.
92 Derhalve moet erop worden gewezen dat verzoeksters tweede argument, inzake het exacte moment waarop de „verkoop” naar Frans recht tot stand was gekomen, niet ter zake dienend is.
93 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het vierde middel worden afgewezen.
Tweede onderdeel: schending van het recht en de feiten door de Commissie doordat zij in de overwegingen 99 tot en met 102 van het bestreden besluit heeft beslist dat de verkoop van de activa van Serman en bloc voor een negatieve prijs geen verkoop vormde
94 Verzoekster, daarin ondersteund door de Franse Republiek, geeft te kennen dat de Commissie het recht en de feiten heeft geschonden door in de overwegingen 99 tot en met 102 van het bestreden besluit te oordelen dat artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking niet was nageleefd omdat de overeenkomst tussen haar en Financière Sernam gezien de negatieve prijs geen verkoop was.
95 Overweging 124 van het bestreden besluit, waartegen verzoeksters kritiek zich ook richt, betreft een andere vraag dan die bedoeld in de overwegingen 99 tot en met 102 van dat besluit, aangezien die betrekking heeft op het in twee stappen uiteenvallen van de operatie (de inbreng van Sernam in Sernam Xpress, gevolgd door de verkoop van de aandelen van Sernam Xpress aan Financière Sernam) en het feit dat de Commissie in essentie heeft geweigerd te aanvaarden dat de verschillende transacties tezamen genomen moesten worden beschouwd als het equivalent van een verkoop van de „activa en bloc”. Aangezien overweging 124 aanleiding geeft tot vergelijkbare argumenten als die met betrekking tot de overwegingen 108 tot en met 112 van het bestreden besluit, is het Gerecht van oordeel dat verzoeksters argumenten ten aanzien van die verschillende overwegingen tezamen moeten worden onderzocht in het kader van het derde onderdeel van het onderhavige middel (zie punten 140‑149 hieronder).
96 In de overwegingen 99 en 100 van het bestreden besluit heeft de Commissie verklaard dat een „verkoop” bestaat in de overdracht van de eigendom van een goed tegen betaling van een prijs, waarbij die prijs een positieve prijs moet zijn, en dat een transactie waarbij een persoon die de eigendom van een of meer goederen wil overdragen, geld aanbiedt aan de persoon die deze overneemt, geen verkoop is, maar een ander soort contract. In overweging 101 van het bestreden besluit heeft de Commissie geoordeeld dat verzoekster in de onderhavige zaak 59 miljoen EUR had betaald, door voor 57 miljoen EUR tot herkapitalisatie van Sernam en voor 2 miljoen EUR tot herkapitalisatie van Sernam Xpress over te gaan, en dat zij verschillende garanties aan Financière Sernam had verstrekt. Zij meende dat de betaling van 2 miljoen EUR door Financière Sernam aan verzoekster en Sernam de herkapitalisatie van Sernam Xpress neutraliseerde, maar niet de andere elementen van de transactie. De Commissie is in overweging 102 van het bestreden besluit tot de conclusie gekomen dat het contract tussen verzoekster en Financière Sernam geen verkoop was en dat ook om die reden niet was voldaan aan artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking.
97 Daartegen voert verzoekster, daarin ondersteund door de Franse Republiek, in wezen drie argumenten aan.
98 In de eerste plaats geeft zij te kennen dat het gebruik van het generieke begrip „verkoop” in de Sernam-2-beschikking onverschillig was voor het soort contract dat was gesloten, aangezien de operatie het verwachte gevolg heeft gehad, namelijk de overdracht van de eigendom van de activa van Sernam en bloc aan een ten opzichte van verzoekster onafhankelijke derde. In de tweede plaats legt zij uit dat zij als gevolg van de beperkingen van het Franse recht, zoals het verbod om tegen een negatieve prijs te verkopen, verplicht was om de operatie te structureren zoals zij gedaan heeft en om Sernam eerst te herkapitaliseren, maar dat de negatieve prijs niettemin een marktprijs was, de enige voorwaarde die bij artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking werd gesteld. In de derde plaats voeren verzoekster en de Franse Republiek precedenten aan die illustreren dat de Commissie in haar beslissingspraktijk de kwalificatie van „verkoop” heeft aanvaard voor een vervreemding van activa of aandelen tegen een negatieve prijs.
99 De Commissie bestrijdt deze argumenten en meent ten eerste dat verzoekster impliciet erkent dat de operatie geen verkoop is in de zin van artikel 1582 van de code civil (Frans burgerlijk wetboek), aangezien zij tot operaties is overgegaan waarmee het verbod in het Franse recht van verkoop tegen een negatieve prijs moest worden omzeild. Ten tweede is zij van mening dat de overdracht van de activiteiten tegen een negatieve prijs niet dezelfde economische impact heeft als een verkoop van activa voor een positieve prijs, aangezien een marktdeelnemer in het eerste geval wordt betaald om een activiteit en een onderneming die hadden moeten verdwijnen te laten overleven, en in het andere geval een goed met een daadwerkelijke, positieve waarde wordt verkocht om het op een economisch rationele wijze te exploiteren. Dit punt is van wezenlijk belang, met name voor de vereisten dat steun in bedwang moet worden gehouden en voor de doelstellingen van de Sernam-2-beschikking. De Commissie herinnert ten derde aan de vaste rechtspraak dat de beslissingspraktijk van de Commissie in andere zaken niet de geldigheid van het bestreden besluit kan aantasten, die alleen mag worden beoordeeld in het licht van de objectieve regels van het Verdrag. Vervolgens geeft zij in essentie te kennen dat de door de Franse Republiek en verzoekster aangevoerde besluiten in casu niet van toepassing zijn omdat zij dateren van na de operatie en betrekking hebben op de verkoop van aandelen, terwijl het in deze zaak gekozen scenario dat van een verkoop van activa is.
100 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat op basis van een letterlijke uitlegging van artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking een „verkoop van de activa en bloc” van Sernam vereist was en dat het enige vereiste ten aanzien van de prijs dat van een marktprijs via een transparante en open procedure was.
101 Zoals blijkt uit punt 86 hierboven, moet voor de uitlegging van de Sernam-2-beschikking niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die worden nagestreefd met de economische regeling waarvan zij deel uitmaakt.
102 Bijgevolg kan de Commissie zich niet enkel op juridische begrippen of rechtsvormen baseren om daaruit af te leiden dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de verenigbaarheid van een herstructureringssteun die in een van haar besluiten zijn opgelegd. Bovendien moet erop worden gewezen dat het juridische begrip verkoop een begrip is dat eigen is aan het recht van elke lidstaat.
103 Verzoekster heeft dus terecht benadrukt dat het staatssteunrecht zich niet bekommert om de rechtsvormen die de transacties kunnen aannemen, maar hun economische realiteit.
104 Bijgevolg moeten de formele argumenten die de Commissie aan het Franse recht ontleent, worden afgewezen.
105 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat verzoekster op overtuigende wijze te kennen heeft gegeven dat een herkapitalisatie voorafgaand aan de verkoop een middel was om onder het verbod van een verkoopcontract met een negatieve prijs in het Franse recht uit te komen.
106 De vraag welke economische impact die verkoop tegen een negatieve prijs in de onderhavige zaak heeft gehad, zal worden onderzocht in het kader van het derde en zesde onderdeel van dit middel.
107 In de derde plaats moet worden benadrukt dat de door verzoekster en de Franse Republiek aangehaalde besluiten illustreren dat de aandelen van ondernemingen tegen „negatieve prijzen” kunnen worden verkocht, namelijk door voorafgaande herkapitalisaties door de verkoper [zie met name de beschikkingen van 13 juli 2009 betreffende de herstructureringssteun aan COMBUS AS en van 28 augustus 2009 betreffende steunmaatregel C 6/09 (ex N 663/08) ten gunste van Austrian Airlines].
108 Derhalve moet worden geconstateerd dat de door de Commissie gevolgde redenering in de overwegingen 99 tot en met 102 van het bestreden besluit, dat geen sprake was van verkoop omdat de prijs voor de overdracht negatief was en dat ook om die reden artikel 3, lid 2, van de Sernam-2- beschikking niet was nageleefd, onjuist is.
109 Bijgevolg slaagt het tweede onderdeel van het vierde middel.
Derde onderdeel: schending van het recht en de feiten door de Commissie doordat zij in de overwegingen 103 tot en met 116 van het bestreden besluit heeft geoordeeld dat de operatie de „volledige ” overdracht van Sernam (activa en passiva) betrof
110 Ter ondersteuning van het derde onderdeel voert verzoekster twee grieven aan. Ten eerste verwijt zij de Commissie dat zij in de overwegingen 103 en 113 tot en met 116 van het bestreden besluit heeft geoordeeld dat de door verzoekster gerealiseerde overdracht niet beperkt was tot de activa, maar de volledige overdracht Sernam (activa en passiva) betrof, en dat ook om die reden de voorwaarde inzake de verkoop van de activa van Sernam en bloc in artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking niet was nageleefd. Ten tweede verwijt zij haar in wezen dat zij in de overwegingen 108 tot en met 112 en 124 van het bestreden besluit de verkoop van de activa van Sernam en bloc kunstmatig heeft opgesplitst in twee afzonderlijke operaties – een eerste operatie gevormd door de gedeeltelijke inbreng in activa van Sernam in Sernam Xpress en een tweede operatie gevormd door de verkoop van de aandelen van Sernam Xpress aan Financière Sernam – terwijl het in werkelijkheid om één enkele, volledig simultane en onsplitsbare operatie gaat, die bij dezelfde handeling heeft plaatsgevonden zonder dat er tussenfasen zijn geweest waarin een andere rechtssituatie is gecreëerd, met één en hetzelfde doel, namelijk de verkoop van de activa van Sernam aan Financière Sernam en bloc.
Eerste grief: de Commissie heeft in de overwegingen 103 en 113 tot en met 116 van het bestreden besluit ten onrechte geoordeeld dat de door verzoekster gerealiseerde overdracht niet beperkt was tot de activa, maar de volledige overdracht van Sernam (activa en passiva) betrof
111 Verzoekster voert in essentie drie argumenten aan. In de eerste plaats is zij van mening dat de Commissie er een onjuiste lezing van artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking op nahoudt door in punt 103 van het bestreden besluit te veronderstellen dat de verkoop van de activa en bloc enkel betrekking mocht hebben op de activa van Sernam, met uitsluiting van de passiva. In de tweede plaats voert zij beperkingen in het nationale recht aan om uit te leggen dat bepaalde passiva moesten worden meegenomen, met name de passiva die met de exploitatie verband hielden, zulks met het enkele doel om te voorkomen dat de schuldeisers hun recht van verzet zouden gebruiken, zoals is voorzien bij de Franse wet. In de derde plaats geeft verzoekster te kennen dat de verkoop, anders dan de Commissie in overweging 116 van het bestreden besluit stelt, geen betrekking had op een „volledige” overdracht van Sernam (activa en passiva), waarvoor bevestiging kan worden gevonden in de tegenstrijdige passages van het bestreden besluit over de juiste afbakening van het voorwerp van de verkoop.
– Eerste argument: de Commissie houdt er een onjuiste lezing van artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking op na door te veronderstellen dat de verkoop van de activa en bloc enkel betrekking mocht hebben op de activa van Sernam, met uitsluiting van de passiva
112 Ten eerste geeft verzoekster te kennen dat het begrip verkoop van de activa en bloc per definitie vereist dat de verkoop betrekking heeft op alle activa van Sernam en dat zij „en bloc” worden verkocht, dat wil zeggen alle tezamen aan één en dezelfde koper, maar dat dit niet inhoudt dat deze activa noodzakelijkerwijs afzonderlijk worden verkocht.
113 Uit overweging 103 van het bestreden besluit volgt dat „[z]elfs wanneer ervan wordt uitgegaan dat de overdracht van de activiteiten van [Sernam] aan Financière Sernam een verkoop is, [...] slechts aan artikel 3, lid 2, van de beschikking Sernam 2 [wordt] voldaan indien deze verkoop enkel de activa betreft, en niet de volledige verkoop (activa en passiva) van [Sernam]” en dat „[d]it [voortkomt] uit overweging 217 van de beschikking Sernam 2”. In overweging 113 van het bestreden besluit heeft de Commissie ook uitgelegd dat „[i]n overweging 217 van de beschikking Sernam 2 [...] een duidelijk onderscheid [wordt] gemaakt tussen enerzijds een verkoop van de activa en anderzijds een volledige verkoop (activa en passiva) van [Sernam]”.
114 Volgens de hierboven in punt 87 vermelde rechtspraak is het dispositief van een handeling onafscheidelijk verbonden met de motivering ervan en moet het derhalve, indien nodig, worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot de vaststelling ervan hebben geleid.
115 De twee alternatieve onderdelen van artikel 3 van de Sernam-2-beschikking luiden als volgt: „1. Behoudens de bepaling van lid 2 zal aan de volgende voorwaarden moeten worden voldaan: a) Sernam mag haar activiteiten op het gebied van koeriersvervoer per spoor alleen ontwikkelen volgens het concept van de Train bloc express, ‚TBE’ [...] b) Daar staat tegenover dat Sernam de komende twee jaar, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van deze beschikking, haar eigen wegvervoersmiddelen en diensten integraal moet vervangen door wegvervoersmiddelen en diensten van één of meer juridisch en economisch onafhankelijk van de SNCF zijnde ondernemingen die geselecteerd zijn volgens een open transparante en niet-discriminerende procedure [...] 2. Indien Sernam vanaf nu tot 30 juni 2005 haar activa en bloc tegen marktprijzen verkoopt aan een maatschappij die geen juridische band heeft met de SNCF via een transparante en open procedure, zijn de voorwaarden van lid 1 niet van toepassing.”
116 Overweging 217 van de Sernam-2-beschikking is als volgt verwoord: „De Commissie herinnert eraan dat in geval van een volledige verkoop van Sernam (activa en passiva), zoals de Franse autoriteiten dat van plan zijn, de voorwaarden van de beschikking (overname van de wegvervoersactiviteiten van Sernam door andere ondernemingen en ontplooiing van de activiteiten van Sernam op het gebied van vrachtvervoer per spoor) hoe dan ook van toepassing moeten zijn. De Commissie wijst er echter op dat, mocht Sernam haar activa ‚en bloc’ verkopen, beide bovengenoemde voorwaarden met betrekking tot de herstructurering van de maatschappij niet van toepassing zijn, aangezien Sernam dan niet meer in haar huidige rechtsvorm functioneert, en haar marktaandelen zal hebben overgelaten aan de onafhankelijke koper (die zijn activiteiten de facto met de activa van Sernam zal kunnen voortzetten).”
117 Uit die formulering blijkt dat de Sernam-2-beschikking de „volledige verkoop van Sernam (activa en passiva)” duidelijk afzet tegen de „verkoop en bloc van de activa” van Sernam.
118 Bijgevolg heeft de Commissie terecht geoordeeld dat de verkoop van de activa en bloc in de zin van artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking, gelezen in het licht van overweging 217 van die beschikking, uitsluitend betrekking mocht hebben op de activa, met uitsluiting van de passiva.
119 Indien deze bepaling in tegenovergestelde zin zou worden uitgelegd, zou dit erop neerkomen dat wordt ontkend dat er een verschil bestaat tussen de twee alternatieve voorwaarden in artikel 3, leden 1 en 2, van de Sernam-2-beschikking (en de twee verkoopscenario’s die in overweging 217 van genoemde beschikking voor ogen stonden). Er dient immers op te worden gewezen dat indien het geval waarin de activa en bloc worden verkocht aldus moet worden uitgelegd dat dit mede de passiva betreft, het onlogisch en onsamenhangend zou zijn om aan lid 1 en aan lid 2 van artikel 3 van de Sernam-2-beschikking verschillende voorwaarden te verbinden.
120 Ten tweede geeft verzoekster te kennen dat indien er een operatie tegen de verkoop van de activa en bloc zou moeten worden afgezet, dit de verkoop van de activa afzonderlijk zou zijn, en niet de „volledige” verkoop van Sernam (activa en passiva), zoals ook de Commissie zelf stelt in de zaken die hebben geleid tot de arresten SMI, punt 52 supra (EU:C:2004:238, punten 68 en 70), en CDA, punt 52 supra (EU:T:2005:364, punt 73).
121 Dit argument moet worden afgewezen omdat de beslissingspraktijk van de Commissie in andere zaken niet de geldigheid van een bestreden besluit kan aantasten, die alleen mag worden beoordeeld in het licht van de objectieve regels van het Verdrag (arrest van 20 mei 2010, Todaro Nunziatina & C., C‑138/09, Jurispr., EU:C:2010:291, punt 21).
122 In de onderhavige zaak moet de Sernam-2-beschikking worden uitgelegd aan de hand van de eigen gronden ervan en niet aan de hand van het standpunt van de Commissie ten aanzien van andere zaken. Vastgesteld moet dus worden dat de verkoop van de activa en bloc en de verkoop van de activa afzonderlijk in de Sernam-2-beschikking niet tegen elkaar zijn afgezet.
123 Ten derde geeft verzoekster te kennen dat de Commissie, indien dat haar wil was, in de Sernam-2-beschikking duidelijk had moeten preciseren dat de verkoop van de activa en bloc de passiva uitsloot. Ter terechtzitting heeft zij in dit verband verwezen naar de latere beschikkingen in de zaak van de zogenoemde „Poolse werven”, die meer gedetailleerd waren op het punt van de opgelegde voorwaarden – zij heeft met name verwezen naar de overwegingen 349, 350 en 354 van de beschikking van de Commissie van 6 november 2008 betreffende staatssteun C 19/05 (ex N 203/05) die door Polen is toegekend ten gunste van Stocznia Szczecińska (PB 2010, L 5, blz. 1), en de overwegingen 401 tot en met 410 van de beschikking van de Commissie van 6 november 2008 betreffende staatssteun C 17/05 (ex N 194/05 en PL 34/04) die door Polen is toegekend ten gunste van Stocznia Gdynia (PB 2010, L 33, blz. 1).
124 Los van het feit dat de Sernam-2-beschikking definitief is en niet in het kader van dit beroep ter discussie kan worden gesteld, volgt uit overweging 217 ervan dat de Sernam-2-beschikking voldoende duidelijk was over het feit dat de verkoop van de activa en bloc de passiva uitsloot, door de voorwaarden verbonden aan de volledige verkoop van Sernam (activa en passiva) af te zetten tegen die verbonden aan de verkoop van de activa van Sernam en bloc. Aangezien de Commissie de omstandigheden van het concrete geval hoe dan ook individueel moet onderzoeken, is zij niet gebonden aan andere besluiten, en nog minder aan latere besluiten.
125 Het eerste argument moet derhalve worden afgewezen.
– Tweede argument: beperkingen in het nationale recht die verzoekster ertoe hebben verplicht bepaalde passiva aan de activa van Sernam toe te voegen (met uitzondering van de financiële passiva)
126 Verzoekster geeft te kennen dat zij verplicht was om aan de activa van Sernam bepaalde passiva in verband met de exploitatie toe te voegen, zulks met het enkele doel om te voorkomen dat de schuldeisers hun recht van verzet zouden gebruiken, zoals voorzien bij de Franse wet. Zij stelt dat het Franse recht de schuldeisers toestaat om zich tegen een inbreng of vervreemding te verzetten en om hetzij onmiddellijke voldoening van hun schuldvorderingen hetzij het stellen van garanties te verkrijgen. Bovendien kunnen de schuldeisers, wanneer later een collectieve procedure wordt ingeleid, opkomen tegen handelingen waardoor het vermogen van hun debiteur is afgenomen en die in de 18 maanden vóór inleiding van de collectieve procedure zijn verricht. Verzoekster betoogt dus dat indien alleen de activa van Sernam zouden zijn verkocht, de schuldeisers van Sernam schuldeisers zouden zijn geworden van een vennootschap zonder activa en met een zware schuldenlast, hetgeen hun elk perspectief op voldoening van hun vorderingen zou hebben ontnomen, zodat zij zich zeer waarschijnlijk tegen de vervreemding van alleen de activa van Sernam en bloc zouden hebben verzet of, indien zij deze vervreemding van alleen de activa zouden hebben aanvaard, daar naar alle waarschijnlijkheid tegen zouden zijn opgekomen in het kader van de daaropvolgende vereffening. Daaruit blijkt volgens verzoekster de noodzaak om de passiva in verband met de exploitatie mee te nemen om de activa van Sernam te kunnen vervreemden.
127 Los van het feit dat verzoekster niet aantoont dat de verkoop van alleen de activa de schuldeisers elke mogelijkheid tot voldoening van hun vorderingen zou hebben ontnomen, aangezien die verkoop normalerwijze inkomsten voor Sernam zou hebben gegenereerd, moet er in dit verband op worden gewezen dat dit soort argumenten, ontleend aan de bijzonderheden van het nationale recht, berust op de onjuiste vooronderstelling dat de Commissie zou hebben verplicht tot inachtneming van de voorwaarden in artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking, terwijl er een keuzemogelijkheid was tussen de twee leden van artikel 3 van dat besluit.
128 Zoals de Commissie heeft benadrukt in haar verweerschrift, waren er in het geval dat verzoekster of de lidstaat problemen ondervond bij de uitvoering van artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking, als gevolg van praktische hindernissen of hindernissen in het nationale recht, voor hen meerdere keuzemogelijkheden, namelijk toepassing van de voorwaarden in artikel 3, lid 1, van de Sernam-2-beschikking, contact opnemen met de Commissie om haar van deze problemen op de hoogte te stellen en met haar een eventuele wijziging van deze voorwaarde te bespreken overeenkomstig de richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun, of terugvordering van de onverenigbare onrechtmatige steun door Sernam indien nodig te vereffenen.
129 Bijgevolg kan verzoekster in de onderhavige zaak niet de beperkingen in het nationale recht aanvoeren ter rechtvaardiging van de omzeiling van de door haar gekozen voorwaarde.
130 Derhalve moet het tweede argument worden afgewezen.
– Derde argument: de overdracht had in werkelijkheid geen betrekking op een „volledige” overdracht van Sernam (activa en passiva)
131 Verzoekster voert in de eerste plaats aan dat de overdracht, anders dan de Commissie in overweging 116 van het bestreden besluit stelt, geen betrekking had op een „volledige” overdracht van Sernam (activa en passiva), aangezien de financiële passiva en het bedrag gemoeid met de verplichting tot terugbetaling van de steun van 41 miljoen EUR die bij de Sernam-2-beschikking onverenigbaar is verklaard, niet op Financière Sernam zijn overgegaan. In de tweede plaats wijst zij op tegenstrijdige passages in het bestreden besluit op het punt van de juiste afbakening van het voorwerp van de vervreemding, zoals de „volledige verkoop (activa en passiva)” in punt 3.2.3.2 en in overweging 113 van dat besluit, „alle activa en passiva [van Sernam], met de volgende uitzonderingen” in overweging 114 van datzelfde besluit, het „grootste deel van de activa en passiva” in overweging 115 van het bestreden besluit en de „volledige overdracht (activa en passiva) van [Sernam], op enkele uitzonderingen na” in overweging 116 van het bestreden besluit.
132 De Commissie heeft in de overwegingen 114 en 115 van het bestreden besluit het volgende aangegeven: „Financière Sernam [verwierf], door Sernam Xpress over te nemen, alle activa en passiva [van Sernam], met de volgende uitzonderingen: enerzijds werden de actiefposten verhoogd door de injectie van 57 miljoen EUR ten gunste van [Sernam] en 2 miljoen EUR ten gunste van Sernam Xpress [...] en anderzijds werden de passiva verminderd met het bedrag van de participatielening die door [Sernam] bij de SNCF-groep is afgesloten, de passiefpost betreffende de ontbinding van het ‚IBM-GPS’-contract, en het bedrag van de verplichte terugbetaling van de onverenigbare steun van 41 miljoen EUR. Deze kleine aanpassingen kunnen echter niet verhullen dat het grootste deel van de activa en passiva van [Sernam] wel degelijk eerst aan Sernam Xpress en vervolgens aan Financière Sernam is overgedragen.”
133 De Commissie heeft daar in overweging 116 van het bestreden besluit de conclusie aan verbonden dat „[d]e overdracht van de activiteiten [...] derhalve geen verkoop van de activa [was], maar een volledige overdracht (activa en passiva) van [Sernam], op enkele uitzonderingen na” en dat „[b]ijgevolg en om deze reden [...] niet [was] voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van de beschikking Sernam 2”.
134 In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat verzoekster niet betwist dat zij in het kader van de inbreng aan het geheel van de activa van Sernam bijna al haar passiva heeft toegevoegd, met uitzondering van bepaalde financiële passiva (die een bedrag van in totaal 38,5 miljoen EUR vertegenwoordigen) en de verplichting tot terugbetaling van de 41 miljoen EUR aan bij de Sernam-2-beschikking onwettig en onverenigbaar verklaarde staatssteun.
135 Dit blijkt ook uit het procesdossier. Het protocol van overeenstemming van 21 juli 2005 voorzag er namelijk in dat Sernam „alle activa en passiva van Sernam met uitsluiting van [de financiële passiva]” in Sernam Xpress moest inbrengen. Ook volgt uit de overeenkomst inzake de gedeeltelijke inbreng in activa van 14 september 2005 dat (wat betreft de belangrijkste passiva) een aanzienlijk bedrag aan badwill (negatieve waarde van de goodwill), voorzieningen voor tussentijdse verliezen, exploitatieschulden, diverse schulden en schulden in verband met deelnemingen zijn toegevoegd. In goedkeuringsbesluit 2005-AC 2 van 22 juli 2005 van de commission des participations et des transferts (commissie deelnemingen en overdrachten) over de overdracht aan de privésector van de activa van Sernam door verzoekster wordt ook het feit vermeld dat verzoekster had besloten om de „activa en passiva verbonden aan de exploitatie van de vennootschap en bloc te verkopen”. Daarnaast is in het verslag van bank X duidelijk uiteengezet dat „[i]n de af te stoten onderneming [...] in de praktijk alle activa en passiva in verband met de exploitatie van [Sernam] verenigd zullen zijn (daaronder begrepen alle dochterondernemingen en het merk), met uitsluiting van de financiële passiva”.
136 In de tweede plaats is het feit dat de financiële passiva en de verplichting tot terugbetaling van 41 miljoen EUR aan onwettige en onverenigbare steun van de inbreng zijn uitgesloten, anders dan verzoekster stelt, niet van dien aard dat daarmee wordt afgedaan aan de conclusie dat artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking niet is nageleefd. Uit punt 118 hierboven blijkt immers dat het enkele feit dat niet alleen de activa van Sernam zijn verkocht maar ook het merendeel van de passiva zijn toegevoegd, reeds volstaat voor het bewijs dat deze bepaling niet is nageleefd. In dat verband moet erop worden gewezen dat de door verzoekster benadrukte paar variaties in de formulering van het bestreden besluit, in de overwegingen 114, 115 en 116 van dat besluit, nog steeds coherent zijn en niet afdoen aan de geldigheid van het bestreden besluit.
137 De Commissie heeft dus niet het recht en de feiten geschonden op het punt van het voorwerp van de transactie door in overweging 116 van het bestreden besluit te verklaren dat de overdracht van de activiteiten geen verkoop van activa was, maar een volledige overdracht van Sernam (activa en passiva), op enkele uitzonderingen na.
138 Het derde argument moet derhalve worden verworpen.
139 Uit een en ander volgt dat verzoeksters eerste grief moet worden afgewezen.
Tweede grief: de Commissie heeft in de overwegingen 108 tot en met 112 en 124 van het bestreden besluit ten onrechte geoordeeld dat de overdracht bestond in een overdracht van de activa en passiva en bloc binnen een groep, gevolgd door een aandelenverkoop (share deal) door de dochteronderneming die deze heeft verkregen
140 Met haar vele argumenten, die ook in het kader van het tweede onderdeel worden aangevoerd (zie punt 95 hierboven), wil verzoekster in essentie aantonen dat de Commissie, door de verkoop van de activa van Sernam en bloc in twee stappen te splitsen (de inbreng van Sernam in Sernam Xpress, gevolgd door de verkoop van de effecten van Sernam Xpress aan Financière Sernam), een kunstmatig splitsing heeft aangebracht die niet in overeenstemming is met de realiteit van de enkele, volledig simultane en onsplitsbare transactie die bij dezelfde handeling heeft plaatsgevonden zonder dat er tussenfasen zijn geweest waarin een andere rechtssituatie is gecreëerd, met één en hetzelfde doel, namelijk de overdracht van de eigendom van de activa van Sernam en bloc aan Financière Sernam. Zij benadrukt in dat verband dat een gedeeltelijke inbreng in activa gevolgd door de verkoop van de effecten van de vennootschap die deze heeft verkregen, naar Frans recht als „verkoop” wordt gekwalificeerd.
141 Er dient op te worden gewezen dat deze argumenten niet ter zake dienend zijn, aangezien uit het onderzoek van de eerste grief is gebleken dat zelfs wanneer de operatie die is verricht als één enkele verkoop wordt geanalyseerd, zoals verzoekster wenst, het uiteindelijke „resultaat” van deze beide stappen hoe dan ook niet overeenstemt met een verkoop van alleen de activa en dat het voorwerp van de verkoop niet in acht is genomen, zoals de Commissie terecht opmerkt in de overwegingen 103 en 113 tot en met 116 van het bestreden besluit.
142 Ook dient erop te worden gewezen dat de Commissie geen fout in haar analyse heeft begaan door te oordelen dat deze twee operaties niet voldeden aan de voorwaarden in artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking, ongeacht of zij afzonderlijk – in de overwegingen 108 tot en met 112 van het bestreden besluit – of globaal – in de overwegingen 113 tot en met 116 van het bestreden besluit – werden beoordeeld.
143 Onderzocht moet worden of de verschillende overdrachten het verwachte gevolg hebben gehad, namelijk de daadwerkelijke overdracht op uiterlijk 30 juni 2005 van de activa van Sernam en bloc voor een marktprijs aan een vennootschap waarmee verzoekster geen juridische banden heeft via een open en transparante procedure. Bij lezing van het bestreden besluit blijkt dat de Commissie de verschillende stappen van de verkoop zowel afzonderlijk als tezamen aan de hand van hun gevolgen heeft beoordeeld.
144 Uit het onderzoek van de eerste grief blijkt namelijk dat de Commissie in de overwegingen 109 en 110 van het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat de operatie bestaande in de zogenoemde „‚gedeeltelijke inbreng in activa’ (in werkelijkheid in actief- en passiefposten) [...] niet als een ‚verkoop van activa aan een derde’ [kan] worden beschouwd”, met name niet omdat die laatste „niet enkel activa, maar ook alle passiva, met uitzondering van bepaalde schulden van Sernam SA aan de moederonderneming, [verzoekster betrof en het] derhalve een volledige overdracht (activa en passiva) van [Sernam was], en geen verkoop van enkel de activa” en dat „het een overdracht aan een volledige dochteronderneming [Sernam Xpress betrof], [zodat het] geen inbreng [was] in een derde onderneming die onafhankelijk was van [verzoekster]”.
145 De Commissie heeft in de overwegingen 108 en 111 van het bestreden besluit eveneens terecht vastgesteld dat de aandelen van Sernam Xpress aan Financière Sernam waren verkocht, hetgeen een „share deal” of aandelenverkoop was.
146 Het betreft namelijk een verkoop van de aandelen, of meer specifiek van het maatschappelijk kapitaal aan een lege vennootschap, Sernam Xpress, waarin voordien alle activa van Sernam zijn ingebracht alsook haar passiva in verband met de exploitatie, dus vrijwel Sernam in haar geheel.
147 Bijgevolg heeft de Commissie in overweging 111 van het bestreden besluit geen fout begaan met haar oordeel dat deze aandelenverkoop evenmin een verkoop van de activa aan een derde was.
148 Derhalve heeft de Commissie het recht en de feiten niet geschonden en heeft zij met recht de economische gevolgen van de operatie in haar geheel en van de bestanddelen daarvan geanalyseerd in het bestreden besluit, teneinde na te gaan of aan de voorwaarden voor verenigbaarheid zoals neergelegd in artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking was voldaan.
149 Gelet op een en ander moet ook de tweede grief worden afgewezen.
150 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het vierde middel worden afgewezen.
Vierde onderdeel: schending van het recht door de Commissie doordat zij in overweging 117 van het bestreden besluit tot het oordeel is gekomen dat de overdracht niet beperkt is gebleven tot de activa van Sernam, maar daaraan 57 miljoen EUR netto is toegevoegd
151 Verzoekster verwijt de Commissie dat zij in overweging 117 van het bestreden besluit tot het oordeel is gekomen dat het bedrag van 57 miljoen EUR netto is toegevoegd aan de activa van Sernam. Zij geeft in de eerste plaats te kennen dat de Commissie het voorwerp van de verkoop (activa) en de daarvoor betaalde prijs met elkaar heeft verward en dat de negatieve prijs van 57 miljoen EUR netto een marktprijs is die uit een open, transparante, onvoorwaardelijke en niet-discriminatoire aanbesteding is gevolgd, zoals meerdere onafhankelijke deskundigen hebben bevestigd. Zij betoogt in de tweede plaats dat de Commissie, wetende dat Sernam verlieslatend was, in de Sernam-2-beschikking had moeten verduidelijken dat zij een verkoop tegen een negatieve prijs verbood.
152 In overweging 117 van het bestreden besluit heeft de Commissie in essentie geoordeeld dat door de herkapitalisatie van Sernam en Sernam Xpress een nettobedrag van 57 miljoen EUR aan de activa is toegevoegd en dat een dergelijke toevoeging aan de activa door artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking niet is toegestaan.
153 In de eerste plaats volstaat het vast te stellen dat de Commissie het voorwerp van de verkoop en de verkoopprijs niet met elkaar heeft verward. Het bedrag van 57 miljoen EUR netto is namelijk door de herkapitalisatie van Sernam en vervolgens die van Sernam Xpress aan de activa van Sernam en vervolgens aan die van Sernam Xpress toegevoegd.
154 In de tweede plaats volgt uit het onderzoek van het derde middel dat verzoekster ten onrechte meent dat de Commissie, gezien de verlieslatende situatie van Sernam, had moeten verduidelijken dat zij geen negatieve prijs wilde, aangezien de negatieve prijs het gevolg is van het feit dat de verplichting om alleen de activa van Sernam te verkopen, zonder de passiva, niet is nageleefd.
155 Verzoekster heeft in antwoord op een vraag van het Gerecht tijdens de terechtzitting immers toegegeven dat wanneer een actief afzonderlijk wordt verkocht, dit per definitie een waarde heeft die positief of nul kan zijn, maar niet negatief.
156 De Commissie benadrukt in dat verband dat aan het einde van de eerste aanbestedingsronde aan de gegadigden was gevraagd om een „cash free, debt free”-waardering van de activa van Sernam, dat wil zeggen zonder rekening te houden met de cash-flow en de schulden, waarop prijzen zijn voorgesteld die alle positief waren.
157 Dit wordt door verzoekster niet betwist, die evenwel repliceert dat deze voorlopige, niet-bindende biedingen slechts de weerspiegeling van een eenvoudige waarderingstechniek zijn en dat dit geenszins betekent dat de activiteit zonder schuld en zonder cash-flow zou worden verkocht, maar enkel dat aan de gegadigden is verzocht om een beoordeling van de waarde van de onderneming op te geven, los van het niveau van de schulden en de cashflow van de doelvennootschap, om een objectieve vergelijking van de ingediende biedingen mogelijk te maken.
158 Zoals de Commissie benadrukt, tonen deze positieve „cash free, debt free”-waarderingen (zonder rekening te houden met de cash-flow en de schulden) aan dat indien verzoekster zich zou hebben beperkt tot de activa, zonder de passiva, hun verkoopprijs positief of nul zou zijn geweest, maar niet negatief.
159 Het vierde onderdeel van het vierde middel moet derhalve worden afgewezen.
Vijfde onderdeel: schending van het recht en de feiten door de Commissie doordat zij in de overwegingen 118 en 119 van het bestreden besluit heeft beslist dat de verkoop van de activa van Sernam en bloc niet volgens een transparante en open procedure is verlopen
160 Verzoekster, daarin ondersteund door de Franse Republiek, geeft te kennen dat de Commissie fouten heeft begaan in de overwegingen 118 en 119 van het bestreden besluit. Verzoekster, daarin ondersteund door de Franse Republiek, voert in wezen vier grieven aan en de Franse Republiek één grief.
161 Alvorens op deze grieven in te gaan, moet eraan worden herinnerd dat de overwegingen 118 en 119 van het bestreden besluit als volgt zijn verwoord: „De Franse autoriteiten hebben aanvankelijk een transparante en open procedure opgestart. Na afloop van deze procedure had [verzoekster] echter geen enkele bindende offerte ontvangen. Na de mislukking van de transparante en open procedure werd het contract met betrekking tot de verschillende transacties in het kader van de overdracht van de activiteiten van [Sernam] met Financière Sernam gesloten. Aangezien deze laatste onderneming niet als zodanig en op zelfstandige wijze aan de transparante en open procedure had deelgenomen, is de overdracht van de activiteiten uiteindelijk niet via een transparante en open procedure verricht.”
Eerste grief: het management heeft vanaf het begin aan de aanbesteding meegedaan
162 Verzoekster en de Franse Republiek geven in essentie te kennen dat het bod van het management van Sernam het resultaat was van een transparant en open proces, aangezien het management vanaf het begin aan het aanbestedingsproces heeft deelgenomen, binnen het consortium dat was gevormd met kandidaat 5, en afzonderlijk een bod heeft ingediend, dat aanvankelijk tezamen met kandidaat 5 was gedaan, nadat de partner op 15 juni 2005 te kennen had gegeven dat hij binnen de toegekende termijn geen onherroepelijk bod kon uitbrengen.
163 Ten eerste moet worden vastgesteld dat de entiteit die aanvankelijk aan de aanbesteding heeft deelgenomen en een voorlopig bod heeft uitgebracht, het consortium gevormd door kandidaat 5 en het management is en niet de afzonderlijke leden ervan.
164 Benadrukt moet immers worden dat het de inhoud van het plan van het consortium onder leiding van kandidaat 5 in zijn geheel is die aanvankelijk is verkozen boven het plan van kandidaat 4, na afloop van de tweede aanbestedingsronde. De Franse autoriteiten hebben daar duidelijk op gewezen in hun antwoord van 6 januari 2012 op de vragen van de Commissie: „Het voorstel [van kandidaat 5] berustte op meerdere grote lijnen, namelijk het voor haar rekening nemen van de cashflownoden van Sernam door [verzoekster], die door [kandidaat 5] werden geschat op [een aanzienlijk bedrag], het niet overnemen van de financiële schulden van Sernam ([...] EUR, die, opgeteld bij het voor rekening nemen [van het aanzienlijke bedrag] aan de nodige cashflow, uitkwam op een negatieve prijs van -56,4 miljoen EUR) en een kapitaalpartnerschap met het management van Sernam. Er was minder uitzicht op een verzoek om voorafgaande herkapitalisatie door [kandidaat 5] dan het geval was in de onderhandelingen met [kandidaat 4]. [Kandidaat 4] had namelijk al impliciet verwezen naar de noodzaak van een voorafgaande herkapitalisatie van Sernam door [verzoekster] voor [een nog aanzienlijker bedrag dan dat van kandidaat 5,] wat, opgeteld bij het voor rekening nemen van de financiële schulden, leidde tot een negatieve prijs van -65,2 miljoen EUR. Bijgevolg heeft [verzoekster] het besluit genomen om de gesprekken alleen verder te zetten met [kandidaat 5] en het management van Sernam.”
165 Ten tweede moet worden vastgesteld dat het onherroepelijke bod van het management ver verwijderd was van het bod dat het consortium onder leiding van kandidaat 5 in de tweede aanbestedingsronde had uitgebracht en voor de verkoper veel ongunstiger was.
166 Uit het hierboven in punt 164 vermelde antwoord van de Franse autoriteiten en uit de brieven van 29 maart en 7 april 2005 van het consortium (waarbij in die van 7 april de hoofdlijnen van het bod van 29 maart nog eens waren weergegeven met daarin verwerkt de wijzigingen die sinds de indiening ervan waren besproken) volgt dat de noodzaak van een herkapitalisatie door verzoekster op een aanzienlijk bedrag werd geschat in het bod dat het consortium in de tweede ronde heeft uitgebracht, terwijl het management dit uiteindelijk op een veel hoger bedrag heeft geschat, namelijk 59 miljoen EUR (of 57 miljoen EUR netto) in zijn definitieve bod. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft benadrukt, moet de vergelijking worden gemaakt tussen dit geschatte aanzienlijke bedrag in het bod dat het consortium onder leiding van kandidaat 5 in de tweede ronde heeft uitgebracht en het veel hogere bedrag van 57 miljoen EUR in het onherroepelijke bod van het management, omdat deze twee bedragen overeenstemmen met de voorziene noodzaak tot herkapitalisatie van de doelvennootschap door verzoekster. Bij deze cashflownoden kwam nog het kwijtschelden van schulden, begroot op relatief vergelijkbare bedragen in het bod van het consortium in de tweede ronde en het onherroepelijke bod van het management.
167 Bijgevolg bedroeg het bod van het consortium in de tweede ronde in april 2005 (zelfs zonder rekening te houden met de aanzienlijke kapitaalinjectie die kandidaat 5 wilde doen door een inschrijving op een kapitaalverhoging), maximaal ongeveer -56,4 miljoen EUR („all in”-bod, dus de herkapitalisatie en het kwijtschelden van schulden door verzoekster), terwijl dat van het management ongeveer -95,5 miljoen EUR bedroeg, op dezelfde basis (dus de 57 miljoen EUR netto aan herkapitalisatie, waarbij de 38,5 miljoen EUR aan door verzoekster kwijt te schelden schulden nog moest worden opgeteld).
168 Uit een en ander volgt dat de Commissie terecht heeft geoordeeld dat er qua geloofwaardigheid en soliditeit geen gelijkwaardigheid was tussen het bod van een financiële investeerder, kandidaat 5, die bovendien nog voorstelde om een aanzienlijk bedrag aan kapitaal in Sernam te injecteren, en dat van de 84 leden van het kaderpersoneel en de bestuurders die een beperkt deel van de prijs, zijnde de 2 miljoen EUR, uit hun persoonlijke middelen financierden.
169 Ten derde benadrukken verzoekster en de Franse Republiek dat een procedure niet ophoudt transparant en open te zijn zodra de kandidaat met het beste bod is gekozen – en de overige gegadigden per definitie zijn afgewezen – en de gesprekken met de „als laatste overgebleven geïnteresseerde partij” worden voortgezet.
170 De „als laatste overgebleven geïnteresseerde” in de transparante en open aanbestedingsprocedure was kandidaat 4. Uit punt 164 hierboven volgt immers dat het onherroepelijke bod van het management, dus dat van ‑ 95,5 miljoen EUR, voor de verkoper ook minder interessant was dan het voorlopige bod van kandidaat 4 in de tweede ronde, dus een negatieve prijs van -65,2 miljoen EUR, op gelijke basis (dat wil zeggen met herkapitalisatie en het kwijtschelden van schulden door verzoekster). Zoals de Commissie in haar geschriften benadrukt, had de aandacht na de terugtrekking van kandidaat 5 dus moeten uitgaan naar kandidaat 4, die vanaf het begin bij het proces betrokken was en ook zijn belangstelling had getoond aan het einde van de tweede ronde.
171 Voorts kan het bod van het management niet worden beschouwd als dat van de „als laatste overgebleven geïnteresseerde”, aangezien dit niet autonoom aan de transparante en open procedure heeft meegedaan.
172 Ten vierde betoogt verzoekster dat het irrelevant is om het onherroepelijke bod van het management te vergelijken met het niet-bindende bod van het consortium waarvan dit deel uitmaakte, aangezien alleen het onherroepelijke bod geldig is, ook al is dat niet het beste bod.
173 Dit argument moet worden afgewezen omdat de vraag die hier rijst is of het onherroepelijke bod van het management is voortgevloeid uit het aanbestedingsproces, hetgeen noodzakelijkerwijs betekent dat de niet-bindende biedingen die tijdens het aanbestedingsproces zijn ingediend, met elkaar worden vergeleken.
174 Bijgevolg moet het argument waarmee moet worden aangetoond dat het management vanaf het begin aan de aanbesteding heeft deelgenomen, worden afgewezen. Het management heeft immers niet autonoom deelgenomen en het bod dat het aanvankelijk met kandidaat 5 had ingediend, heeft het niet afzonderlijk ingediend. Zijn bod kan dus niet worden geacht uit een transparante en open procedure te zijn voortgevloeid.
175 Derhalve moet de eerste grief worden afgewezen.
Tweede grief: geldigheid van het bod van Financière Sernam, hoewel zij nog niet was opgericht op het moment waarop het bod van het management werd ingediend
176 Verzoekster verduidelijkt dat de oprichting van een vennootschap na de aanvaarding van het bod, bij aanbestedingen een gebruikelijke praktijk is en dat de natuurlijke personen waaruit het management bestaat, een eigen juridisch bestaan hebben dat volstaat voor het indienen van een bod.
177 Er dient op te worden gewezen dat deze argumenten niet ter zake dienend zijn, aangezien uit het bestreden besluit niet blijkt dat de Commissie Financière Sernam heeft verweten dat zij tijdens de aanbestedingsprocedure geen rechtspersoonlijkheid had, maar het feit dat het bod van het management, en dus van Financière Sernam, niet uit een transparante en open aanbestedingsprocedure is voortgevloeid.
178 Derhalve moet de tweede grief worden afgewezen.
Derde grief: alle gegadigden hebben een bod kunnen indienen, zijn gelijk behandeld en hebben over dezelfde mogelijkheden om informatie te verkrijgen en termijnen beschikt
179 Verzoekster, daarin ondersteund door de Franse Republiek, voert aan dat uit de beslissingspraktijk van de Commissie en de rechtspraak volgt dat openheid en transparantie van een aanbestedingsprocedure veronderstelt dat alle partijen die geïnteresseerd zouden kunnen zijn, de gelegenheid hebben gehad om een bod in te dienen en daartoe over dezelfde mogelijkheden om informatie te verkrijgen en termijnen hebben beschikt, hetgeen in de onderhavige zaak het geval is geweest.
180 Dit argument, ontleend aan de gelijke behandeling van de deelnemers, moet worden verworpen omdat het bod van het management geen deel uitmaakte van die aanbestedingsprocedure.
181 Derhalve moet de derde grief worden afgewezen.
Vierde grief: volgens de rechtspraak vormt het feit dat een verkoop van activa vooraf is gegaan door vruchteloze pogingen om met een andere onderneming tot overeenstemming te komen een „aanwijzing dat de gevolgde procedure voldoende open en transparant was”
182 Verzoekster geeft te kennen dat het feit dat een verkoop van activa vooraf werd gegaan door vruchteloze pogingen om met een andere onderneming tot overeenstemming te komen, in de arresten SMI, punt 52 supra (EU:C:2004:238), en CDA, punt 52 supra (EU:T:2005:364), een „aanwijzing [vormde] dat de gevolgde procedure voldoende open en transparant was” (arresten SMI, punt 52 supra, EU:C:2004:238, punt 95, en CDA, punt 52 supra, EU:T:2005:364, punt 110). Zij meent dat dit in de onderhavige zaak ook het geval was, aangezien de verkoop aan het management is voorafgegaan door vruchteloze pogingen om met het consortium gevormd met kandidaat 5 tot overeenstemming te komen.
183 Er dient op te worden gewezen dat dergelijke omstandigheden in sommige casusposities weliswaar een aanwijzing kunnen vormen dat de gevolgde procedure voldoende open en transparant was, maar dat dit geen sluitend bewijs vormt. In de onderhavige zaak kon de Commissie niet volstaan met het eventuele voorhanden zijn van een dergelijke aanwijzing om na te gaan of voldaan was aan de voorwaarde van een transparante en open procedure, die uitdrukkelijk was opgelegd in artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking. Uit het onderzoek van de eerste grief in de punten 162 tot en met 175 hierboven, blijkt dat aan deze voorwaarde niet was voldaan.
184 Derhalve moet de vierde grief worden afgewezen.
Grief van de Franse Republiek: de ingediende deskundigenverslagen bevestigen dat de negatieve prijs van 57 miljoen EUR een marktprijs was
185 De Franse Republiek geeft te kennen dat de negatieve prijs van 57 miljoen EUR in de ingediende deskundigenverslagen is bekrachtigd. In de rechtspraak wordt aan dergelijke verslagen waarde toegekend om te bepalen of een verkoop onder normale marktvoorwaarden heeft plaatsgevonden.
186 Deze grief is niet ter zake dienend, aangezien hier moet worden nagegaan of artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking is nageleefd voor zover daarin een transparante en open procedure is vereist. De verificatie van de prijs door middel van een deskundigenverslag is hier niet aan de orde.
187 Gelet op een en ander moet het vijfde onderdeel van het vierde middel worden afgewezen.
Zesde onderdeel: schending van het recht en de feiten door de Commissie doordat zij in de overwegingen 121 tot en met 123 van het bestreden besluit heeft geoordeeld dat het doel van een verkoop van activa niet is gerespecteerd
188 Verzoekster voert in wezen twee grieven aan. Met haar eerste grief geeft verzoekster te kennen dat het doel van artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking is gerespecteerd, aangezien de activiteit van Sernam onderbroken is geweest. Met haar tweede grief stelt zij dat het begrip verkoop van activa en bloc het in werkelijkheid mogelijk maakt dat de activiteit wordt voortgezet.
Eerste grief: het doel van de verkoop van de activa is gerespecteerd, aangezien de economische activiteit van Sernam onderbroken is geweest
189 Uit de overwegingen 121 en 122 van het bestreden besluit volgt dat de Commissie van oordeel was dat het doel van een verkoop van activa, zoals voorzien in overweging 217 van de Sernam-2-beschikking, was om de marktaandelen en activa van Sernam over te laten, alsook om een derde de mogelijkheid te bieden om deze activa te gebruiken. De verkoop van de activa was derhalve bedoeld om de economische activiteit van Sernam SA te onderbreken. In overweging 123 van het bestreden besluit heeft de Commissie verklaard dat Sernam in casu volledig door haar management, verenigd in het toekomstige Financière Sernam, was verworven en sprake was van volledige economische continuïteit. Zij was bovendien van mening dat de onderneming werd bevrijd van een groot deel van haar schulden en dat zij vers kapitaal ten belope van 59 miljoen EUR heeft ontvangen, waarvan 57 miljoen EUR in economisch opzicht ten laste van verzoekster bleef. De Commissie heeft hieruit afgeleid dat, naast het feit dat de transactie die werd uitgevoerd niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking, hiermee ook de doelstellingen van deze beschikking niet konden worden bereikt. De transactie leidde er juist toe dat de economische eenheid nog kon worden versterkt, wat ertoe kon leiden dat de concurrentieverstoringen die met de door de beschikking opgelegde maatregelen juist moesten worden tegengaan, nog zouden toenemen.
190 Alvorens hieronder in de punten 196 tot en met 211 de verschillende argumenten van verzoekster te onderzoeken, acht het Gerecht het op zijn plaats om eerst de doelstelling van artikel 3, lid 2, van de Sernam-2-beschikking, gelezen in het licht van de gronden ervan, te beoordelen.
191 Uit met name de overwegingen 200 en 208 tot en met 211 van de Sernam-2-beschikking, die deel uitmaken van een onderdeel met het opschrift „Voorkoming van concurrentieverstoring – specifieke compenserende maatregelen”, volgt dat de Commissie allereerst tot het oordeel is gekomen dat maatregelen moesten worden getroffen om de ongunstige effecten van de aan Sernam toegekende steun van 503 miljoen EUR voor de concurrenten zoveel mogelijk te verminderen, dat de gedwongen beperking of vermindering van de aanwezigheid op de betreffende markten waarop de onderneming actief was, een compensatie tegenover de concurrenten betekende en dat er verschillende soorten compenserende maatregelen konden worden genomen, naargelang de onderneming al dan niet op een markt met overcapaciteit opereert. Voorts was de Commissie van mening dat Sernam, gelet op het in die beschikking vastgestelde misbruik van de steun en de langere duur van het herstructureringsplan, een speciale compensatie moest bieden door zich permanent terug te trekken uit de marktsegmenten met overcapaciteit, in casu gegroepeerd vervoer en traditionele koeriersdiensten over de weg, om zodoende de goedkeuring van een deel van de betreffende steun te kunnen rechtvaardigen. De Commissie heeft benadrukt dat steunverlening op markten die een structurele overcapaciteit kennen of inkrimpende markten direct tot gevolg zou hebben dat een in moeilijkheden verkerende onderneming, die eigenlijk haar activiteiten zou moeten staken, op kunstmatige wijze zeer gewilde aandelen van de markt in handen krijgt ten nadele van concurrerende ondernemingen die financieel wel gezond zijn.
192 Dit zijn de rechtvaardigingsgronden voor de voorwaarden die bij artikel 3, lid 1, van de Sernam-2-beschikking zijn opgelegd, namelijk de overname van de wegactiviteiten van Sernam door andere ondernemingen en de uitbreiding van de activiteiten van Sernam naar vrachtvervoer per spoor, waarvan het doel was om de aanwezigheid van Sernam op de markt met overcapaciteit te beëindigen ter voorkoming van enige concurrentieverstoring als gevolg van de toekenning van de herstructureringssteun van 503 miljoen EUR.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 3 april 2014, C-224/12, ECLI:EU:C:2014:213
- HvJ EU 21 februari 2013, C-243/11, ECLI:EU:C:2013:85
- HvJ EU 24 januari 2013, C-529/09, ECLI:EU:C:2013:31
- HvJ EU 11 december 2012, C-610/10, ECLI:EU:C:2012:781
- HvJ EU 5 juni 2012, C-124/10, ECLI:EU:C:2012:318
- Gerecht EU 28 maart 2012, T-123/09, ECLI:EU:T:2012:164
- HvJ EU 15 november 2011, C-106/09, ECLI:EU:C:2011:732
- Gerecht EU 20 oktober 2011, T-579/08, ECLI:EU:T:2011:608
- Gerecht EU 20 september 2011, T-394/08, ECLI:EU:T:2011:493
- Gerecht EU 16 december 2010, T-231/06, ECLI:EU:T:2010:525
- Gerecht EU 13 september 2010, T-415/05, ECLI:EU:T:2010:386
- Gerecht EU 1 juli 2010, T-53/08, ECLI:EU:T:2010:267
- Gerecht EU 1 juli 2010, T-62/08, ECLI:EU:T:2010:268
- HvJ EU 20 mei 2010, C-138/09, ECLI:EU:C:2010:291
- Gerecht EU 15 december 2009, T-156/04, ECLI:EU:T:2009:505
- Gerecht EU 30 november 2009, T-427/04, ECLI:EU:T:2009:474
- Gerecht EU 30 juni 2009, T-444/07, ECLI:EU:T:2009:227
- Gerecht EU 4 maart 2009, T-424/05, ECLI:EU:T:2009:49
- HvJ EU 22 december 2008, C-487/06, ECLI:EU:C:2008:757
- Gerecht EU 22 oktober 2008, T-309/04, ECLI:EU:T:2008:457