Art. 7.7.23 Wetboek van Strafvordering
1. Indien de bij vonnis of arrest tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangt met de taakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit of de taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht, beveelt de officier van justitie dat vervangende jeugddetentie wordt toegepast, tenzij dit zou leiden tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard wegens uitzonderlijke omstandigheden die zich na het opleggen van de taakstraf hebben voorgedaan.
2. Indien een gedeelte van de taakstraf is voldaan, vermindert de officier van justitie de duur van de vervangende jeugddetentie naar evenredigheid. Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag vervangende jeugddetentie zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.
3. De officier van justitie geeft kennis aan de veroordeelde en de raad voor de kinderbescherming dat vervangende jeugddetentie wordt toegepast. De kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van de officier van justitie is verricht, alsmede het aantal dagen vervangende jeugddetentie. De kennisgeving wordt zo spoedig mogelijk betekend aan de veroordeelde.