Art. 7.7.26 Wetboek van Strafvordering
1. De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie de tijdelijke opneming in een justitiële jeugdinrichting bevelen indien de veroordeelde niet naar behoren meewerkt aan de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige.
2. De rechtbank bepaalt de duur van de tijdelijke opneming. Deze bedraagt ten hoogste een maand. De tijdelijke opneming kan ten hoogste tweemaal worden bevolen, ook indien de maatregel is verlengd.
3. De tijdelijke opneming schorst de termijn van de maatregel en laat de mogelijkheid van toepassing van de vervangende jeugddetentie onverlet.