Art. 7.6.14 Wetboek van Strafvordering
1. De rechtbank kan de tenuitvoerlegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking bevelen indien:
a. ernstig rekening ermee wordt gehouden dat de veroordeelde opnieuw een misdrijf zal plegen waarvoor een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan worden opgelegd; of
b. dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen.
2. De rechtbank kan bij het bevel één of meer van de volgende bijzondere voorwaarden stellen:
a. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;
b. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden of te vestigen;
c. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
d. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
e. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
f. opneming in een zorginstelling;
g. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling;
h. het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
i. het deelnemen aan een gedragsinterventie;
j. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;
k. een beperking van het recht om Nederland te verlaten;
l. de plicht te verhuizen uit een bepaald gebied;
m. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. De rechtbank kan opdracht geven dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van een bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.
4. Indien de rechtbank een bijzondere voorwaarde stelt, is daaraan van rechtswege de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt. In geval van reclasseringstoezicht geldt voorts van rechtswege de voorwaarde dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
5. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht worden verbonden.
6. De rechtbank kan de tenuitvoerlegging gelasten voor een periode van twee, drie, vier of vijf jaar. De termijn vangt aan op de dag waarop de rechtbank de tenuitvoerlegging heeft gelast. De termijn loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen of uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is.
7. Artikel 38w van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
8. De beslissing van de rechtbank is dadelijk uitvoerbaar.