Art. 7.6.13 Wetboek van Strafvordering
1. De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan slechts worden tenuitvoergelegd na toewijzing van een vordering tot tenuitvoerlegging door de rechtbank.
2. De officier van justitie dient de vordering in uiterlijk een maand voor het einde van de straftijd, van de terbeschikkingstelling dan wel van de proeftijd bij de voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde gevangenisstraf of voorwaardelijke invrijheidstelling. De officier van justitie is in een later ingediende vordering niettemin ontvankelijk indien hij aannemelijk maakt dat de grond voor tenuitvoerlegging zich eerst nadien heeft voorgedaan.
3. Bij de vordering legt de officier van justitie een recent opgemaakt, gemotiveerd en ondertekend advies over van de reclassering.
4. Indien de vordering achterwege blijft, vervalt de maatregel van rechtswege aan het einde van de straftijd of de terbeschikkingstelling, dan wel na ommekomst van de proeftijd bij de voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde gevangenisstraf of voorwaardelijke invrijheidstelling.