Art. 7.5.7 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op:

a. inkomsten in geld uit arbeid van de veroordeelde;

b. pensioenen, wachtgelden en andere uitkeringen waarop de veroordeelde aanspraak heeft;

c. het tegoed van een rekening bij een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarover de veroordeelde te eigen bate mag beschikken, alsmede, indien de bank en de veroordeelde in samenhang met die rekening een overeenkomst inzake krediet zijn aangegaan, op het op grond van die overeenkomst verstrekte krediet.

2. Verhaal zonder dwangbevel kan niet worden genomen als de veroordeelde valt onder de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in Titel III van de Faillissementswet.

3. Verhaal zonder dwangbevel vindt plaats door middel van een kennisgeving van Onze Minister aan degene onder wie verhaal wordt genomen. De kennisgeving bevat een aanduiding van de veroordeelde en vermeldt welk bedrag nog verschuldigd is, bij welke strafrechtelijke beslissing de geldboete of de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, alsmede de plaats waar de betaling moet plaatsvinden. De kennisgeving wordt overgedragen aan degene onder wie verhaal wordt genomen. Daarna wordt zij, nadat met het verhaal een aanvang is genomen, overgedragen aan de veroordeelde.

4. Door de overdracht van de kennisgeving is degene onder wie verhaal wordt genomen verplicht tot betaling aan de Staat van het in de kennisgeving bedoelde bedrag, voor zover de veroordeelde op hem een opeisbare vordering heeft of verkrijgt. Onze Minister bepaalt de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden. De verplichting tot betaling vervalt zodra het verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk wanneer twee jaar is verstreken na de dag van de overdracht van de kennisgeving.

5. Degene onder wie verhaal wordt genomen kan zich niet ten nadele van de Staat beroepen op het tenietgaan of de vermindering van zijn schuld door betaling of door verrekening met een tegenvordering dan in de gevallen waarin hij daartoe ook bevoegd zou zijn geweest bij een op het tijdstip van de betekening overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelegd beslag onder derden. Indien een andere schuldeiser beslag heeft gelegd op de vordering waarop verhaal wordt genomen, is artikel 478 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. Het verhaal wordt gelijkgesteld met een beslag onder derden voor de toepassing van de artikelen 33 en 301 van de Faillissementswet.

6. Indien verhaal is genomen op vordering van de veroordeelde tot periodieke betalingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zijn de artikelen 475a tot en met 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.

Verwijst naar

Artikelen die hiernaar verwijzen

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen