Art. 7.5.9 Wetboek van Strafvordering
1. Onze Minister kan de tenuitvoerlegging beëindigen van een in een vonnis of arrest opgelegde geldboete die bij de oplegging ervan niet hoger was dan het bedrag van de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, indien hij van oordeel is dat met de voortzetting van de tenuitvoerlegging geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Onze Minister stelt de veroordeelde in kennis van de beëindiging.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een in een strafbeschikking opgelegde geldboete van ten hoogste het bedrag, bedoeld in het eerste lid.