Art. 30 Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
1. In afwijking van artikel 29, eerste lid, hebben de leden van de commissie van toezicht, de commissie van toezicht voor het vervoer, en van de Raad te allen tijde toegang tot de vreemdeling, evenals diens rechtsbijstandverlener.
2. In afwijking van artikel 29, eerste lid, hebben de volgende personen en instanties toegang tot de vreemdeling op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen:
a. leden van het Koninklijk Huis;
b. de leden van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Nederlandse leden van het Europese Parlement of een commissie uit een van beide parlementen;
c. Onze Minister;
d. justitiële autoriteiten;
e. de Nationale ombudsman;
f. de geneeskundig inspecteurs van de volksgezondheid.
3. In afwijking van artikel 29, derde lid, kunnen van de in het eerste en tweede lid bedoelde personen en instanties geen gegevens worden verwerkt overeenkomstig artikel 66.
4. In afwijking van artikel 29, zesde lid, kunnen de in het eerste en tweede lid bedoelde personen en instanties zich vrijelijk met de vreemdeling onderhouden, behoudens ingeval de directeur, na overleg met de desbetreffende bezoeker, van mening is dat van de vreemdeling een ernstig gevaar uitgaat voor de veiligheid van de bezoeker. In dat geval laat de directeur voor het bezoek weten welke toezichthoudende maatregelen genomen worden om het onderhoud zo ongestoord mogelijk te laten verlopen. De toezichthoudende maatregelen mogen er niet toe leiden dat vertrouwelijke mededelingen in het onderhoud tussen de vreemdeling en diens rechtsbijstandverlener of de Nationale ombudsman bij derden bekend kunnen worden.