Art. 53 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, Arbeid van krijgsgevangenen
Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
De duur van de dagelijkse arbeid der krijgsgevangenen, waaronder begrepen de tijd voor de heen- en terugweg, mag niet overmatig lang zijn en in geen geval langer dan die welke geoorloofd is voor burgerwerklieden ter plaatse, onderdanen van de gevangenhoudende Mogendheid die dezelfde arbeid verrichten.
Aan krijgsgevangenen moet, in het midden van de dagelijkse arbeidstijd, een rusttijd van ten minste één uur worden toegestaan; deze rusttijd zal gelijk zijn aan die welke is vastgesteld voor de arbeiders van de gevangenhoudende Mogendheid, indien deze van langere duur is. Ook zal hun wekelijks een rusttijd van vier en twintig uur aan één stuk worden toegestaan, bij voorkeur op Zondag of op de in hun land van herkomst geldende rustdag. Bovendien zal iedere krijgsgevangene die een jaar heeft gewerkt, acht achtereenvolgende dagen rust genieten, gedurende welke tijd zijn werkvergoeding hem zal worden uitbetaald.
Indien werkmethoden zoals stukwerk worden toegepast, mogen deze de werkduur niet overmatig lang maken.
Vorige artikelen
- Artikel 48 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 49 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 50 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 51 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 52 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
Volgende artikelen
- Artikel 54 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 55 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 56 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 57 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 58 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen