Art. 32 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd, Gemeenschappelijke bepalingen voor de grondgebieden van de Partijen bij het conflict en voor bezette gebieden
Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
De Hoge Verdragsluitende Partijen komen nadrukkelijk overeen, dat het ieder van haar verboden is enige maatregel te nemen, welke lichamelijk lijden of uitroeiing van beschermde personen die zich in haar macht bevinden, veroorzaken. Dit verbod betreft niet alleen levensberoving, marteling, lijfstraffen, verminking en geneeskundige of wetenschappelijke proefnemingen welke de geneeskundige behandeling van een beschermd persoon niet vereist, maar ook alle andere vormen van ruwheid, door burger- dan wel militaire functionarissen toegepast.
Vorige artikelen
- Artikel 27 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 28 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 29 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 30 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 31 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
Volgende artikelen
- Artikel 33 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 34 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 35 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 36 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 37 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd