Art. 34 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen, Gemeenschappelijke bepalingen
Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
1. Een ieder die aanspraak maakt op een uitkering moet het recht hebben beroep in te stellen wanneer hem een uitkering wordt geweigerd of wanneer hij zich niet kan verenigen met de hoedanigheid of het bedrag hiervan.
2. Procedures moeten worden voorgeschreven, die het de eiser mogelijk maken zich te doen vertegenwoordigen of te doen bijstaan door een geschikte persoon van zijn keuze of door een afgevaardigde van een representatieve organisatie van beschermde personen.
Vorige artikelen
- Artikel 29 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 30 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 31 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 32 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 33 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
Volgende artikelen
- Artikel 35 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 36 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 37 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 38 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 39 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen