Art. 14 COTIF, Opschriften en tekens
Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF)
§ 1. De voertuigen die toegelaten zijn tot het verkeer moeten zijn voorzien van de in de UTP’s voorgeschreven opschriften en tekens, met inbegrip van een uniek voertuignummer. De bevoegde autoriteit die de (eerste) gebruikstoelating verleent moet waarborgen dat aan elk voertuig een alfanumerieke identificatiecode wordt toegekend. Deze code, die de landcode van de eerste Staat van toelating omvat, moet op elk voertuig worden aangebracht en worden opgenomen in het NVR van die Staat.
§ 2. De Commissie van technisch deskundigen kan een teken vastleggen waarmee wordt aangetoond dat het voertuig waarop het teken is aangebracht tot het internationale verkeer is toegelaten overeenkomstig deze Uniforme Regelen.
§ 3. De Commissie van technisch deskundigen kan de overgangsperiodes vaststellen gedurende welke de tot het rijden in het internationaal verkeer toegelaten voertuigen voorzien mogen zijn van opschriften en tekens die afwijken van hetgeen wordt voorgeschreven in §§ 1 en 2.