Art. V IPPC, Fytosanitaire certificering
Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (IPPC)
1. Iedere Verdragsluitende Partij treft regelingen voor fytosanitaire certificering, teneinde te waarborgen dat geëxporteerde planten, plantaardige producten en andere gereguleerde artikelen en zendingen daarvan in overeenstemming zijn met de certificeringsverklaring die ingevolge het tweede lid, onder b, van dit artikel, dient te worden afgegeven.
2. Iedere Verdragsluitende Partij treft regelingen voor de afgifte van fytosanitaire certificaten overeenkomstig de volgende bepalingen:
a) Onderzoek en andere activiteiten die leiden tot de afgifte van fytosanitaire certificaten zullen uitsluitend worden uitgevoerd door of op gezag van de officiële nationale organisatie voor de bescherming van planten. De afgifte van fytosanitaire certificaten geschiedt door technisch bekwame en naar behoren door de officiële nationale organisatie voor de bescherming van planten gemachtigde ambtenaren die bevoegd zijn om namens haar en onder haar toezicht op te treden, waarbij deze ambtenaren beschikken over zodanige kennis en gegevens dat de desbetreffende instanties in de importerende Verdragsluitende Partijen deze certificaten met vertrouwen kunnen aanvaarden als betrouwbare documenten.
b) De fytosanitaire certificaten, of het elektronische equivalent hiervan wanneer dit wordt aanvaard door de betrokken importerende Verdragsluitende Partij, dienen c.q. dient gesteld te zijn in de bewoordingen als aangegeven in de modellen in de Bijlage bij dit Verdrag. Deze certificaten dienen volledig te worden ingevuld en afgegeven in overeenstemming met de desbetreffende internationale standaarden.
c) Niet-gewaarmerkte wijzigingen en doorhalingen maken de certificaten ongeldig.
3. Elke Verdragsluitende Partij verbindt zich om ten aanzien van zendingen planten of plantaardige producten of andere gereguleerde artikelen niet te zullen eisen dat deze zendingen bij invoer in haar grondgebied vergezeld moeten zijn van gezondheidscertificaten die niet overeenstemmen met de modellen die zijn opgenomen in de Bijlage van dit Verdrag. Eisen met betrekking tot aanvullende verklaringen dienen te worden beperkt tot die welke technisch gerechtvaardigd zijn.