Art. 11 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen, BEVOEGDHEID
Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
1. Bij wijze van uitzondering zijn de autoriteiten van een Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de volwassene zich bevindt, bevoegd om ter bescherming van diens persoon tijdelijke maatregelen te nemen waarvan de territoriale werking beperkt is tot die Staat, voor zover dergelijke maatregelen verenigbaar zijn met maatregelen die reeds door de ingevolge de artikelen 5 tot en met 8 bevoegde autoriteiten zijn genomen en na daarvan mededeling te hebben gedaan aan de ingevolge artikel 5 bevoegde autoriteiten.
2. De ingevolge het voorgaande lid genomen maatregelen ten aanzien van een volwassene die zijn gewone verblijfplaats heeft in een Verdragsluitende Staat, houden op van kracht te zijn zodra de ingevolge de artikelen 5 tot en met 8 bevoegde autoriteiten zich hebben uitgesproken over de door de omstandigheden mogelijk vereiste maatregelen.
Verwijst naar
Vorige artikelen
- Artikel 6 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 7 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 8 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 9 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 10 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
Volgende artikelen
- Artikel 12 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 13 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 14 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 15 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 16 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen