Art. 13 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen, TOEPASSELIJK RECHT
Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
1. De autoriteiten van de Verdragsluitende Staten oefenen de bevoegdheid die hun ingevolge het bepaalde in Hoofdstuk II is toegekend uit onder toepassing van hun eigen recht.
2. Zij kunnen echter, voorzover de bescherming van de persoon of het vermogen van de volwassene dit vereist, bij wijze van uitzondering het recht van een andere Staat waarmee de omstandigheden nauw verband houden, toepassen of daarmee rekening houden.
Vorige artikelen
- Artikel 8 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 9 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 10 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 11 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 12 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
Volgende artikelen
- Artikel 14 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 15 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 16 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 17 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 18 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen