Art. 13 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen, TOEPASSELIJK RECHT

Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen

1. De autoriteiten van de Verdragsluitende Staten oefenen de bevoegdheid die hun ingevolge het bepaalde in Hoofdstuk II is toegekend uit onder toepassing van hun eigen recht.

2. Zij kunnen echter, voorzover de bescherming van de persoon of het vermogen van de volwassene dit vereist, bij wijze van uitzondering het recht van een andere Staat waarmee de omstandigheden nauw verband houden, toepassen of daarmee rekening houden.

Vorige artikelen

Volgende artikelen