Art. 3 Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing
Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing
1. Geen enkele Staat die partij is bij dit Verdrag, mag een persoon uitzetten of terugzenden („refouler") naar of uitleveren aan een andere Staat wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering.
2. Bij het vaststellen of zodanige redenen aanwezig zijn, dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met alle van belang zijnde overwegingen waaronder, waar van toepassing, het bestaan in de betrokken Staat van een samenhangend patroon van grove, flagrante of massale schendingen van mensenrechten.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Limburg 28 mei 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:4336
- Conclusie A-G Aben 12 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:831
- Rb. Rotterdam 6 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:10923
- Rb. Den Haag 28 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:24347
- Rb. Den Haag 21 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12513
- Rb. Den Haag 29 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:11948
- Rb. Den Haag 27 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7033
- Rb. Den Haag 2 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:11882
- Rb. Den Haag 27 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5426
- Rb. Den Haag 30 november 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:14417
- Rb. Den Haag 28 oktober 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:13665