Art. 2 Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing
Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing
1. Iedere Staat die Partij is bij dit Verdrag, neemt doeltreffende wetgevende, bestuurlijke, gerechtelijke of andere maatregelen ter voorkoming van foltering binnen elk onder zijn rechtsmacht vallend gebied.
2. Geen enkele uitzonderlijke omstandigheid, ongeacht of het gaat om een oorlogstoestand, een oorlogsdreiging, binnenlandse politieke onrust of welke andere openbare noodsituatie ook, kan worden aangevoerd als rechtvaardiging voor foltering.
3. Een bevel van een hoger geplaatste functionaris of een overheidsinstantie mag niet worden aangevoerd als rechtvaardiging voor foltering.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
Vorige artikelen
Volgende artikelen
- Artikel 3 Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing
- Artikel 4 Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing
- Artikel 5 Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing
- Artikel 6 Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing
- Artikel 7 Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing