Art. 14 Europees Verdrag betreffende uitlevering, Specialiteitsbeginsel
Europees Verdrag betreffende uitlevering
1. De uitgeleverde persoon wordt niet vervolgd, berecht of in hechtenis gesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, noch aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid onderworpen, wegens enig ander voor de overlevering begaan feit dan dat hetwelk de reden tot uitlevering is geweest, behalve in de volgende gevallen:
(a) wanneer de Partij die hem uitgeleverd heeft, erin toestemt. Daartoe moet een verzoek worden ingediend vergezeld van de in artikel 12 genoemde stukken en van een door een rechterlijk ambtenaar opgemaakt proces-verbaal, waarin de verklaringen van de uitgeleverde persoon zijn opgenomen. De toestemming wordt gegeven, indien het strafbare feit waarvoor zij verzocht wordt, op zichzelf de verplichting tot uitlevering krachtens dit Verdrag meebrengt;
(b) wanneer de uitgeleverde persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen de 45 dagen die op zijn definitieve invrijheidstelling volgden, het grondgebied van de Partij aan welke hij was uitgeleverd, heeft verlaten of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarin is teruggekeerd.
2. De verzoekende Partij kan echter de maatregelen nemen die nodig zijn voor een eventuele uitzetting uit haar grondgebied of voor een stuiting van de verjaring overeenkomstig haar wet, daaronder begrepen het instellen van een verstekprocedure.
3. Wanneer de omschrijving van het te laste gelegde feit in de loop van de procedure wordt gewijzigd, wordt de uitgeleverde persoon slechts vervolgd of berecht voor zover de elementen van het opnieuw omschreven feit uitlevering zouden gedogen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9724
- Conclusie A-G Paridaens 14 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:532
- HR 11 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC2094
- Rb. 's-Gravenhage 19 februari 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9525
- Rb. Den Haag 18 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13347
- Conclusie A-G Langemeijer 14 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU9724
- Conclusie A-G Van Oosten 11 september 1979, ECLI:NL:PHR:1979:AC2094
- HR 14 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8298