HR 11 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC2094

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Duitse nationaliteit) naar Duistland t.z.v. zedendelicten. 1. Verweer dat gevolgen van uitlevering van bijzondere hardheid zouden zijn gelet op slechte geestelijke gezondheid van opgeëiste persoon. 2. Verweer dat opgeëiste persoon in Duitsland geen eerlijk proces wacht, aangezien getuigen decharge niet zijn gehoord en wel gehoorde getuigen onder druk zijn gezet om belastende verklaring af te leggen. 3. Ontbreken plaats en tijd van in “Haftbefehl” opgesomde delicten in uitspraak? Ad 1. Slechts rechterlijke beslissing omtrent toelaatbaarheid van uitlevering kan ten toets komen en niet in toelichting op middel bedoeld advies van Rb aan Minister, waarvan ex art. 30.2 Uitleveringswet eerst sprake kan zijn nadat uitlevering toelaatbaar is verklaard. Ad 2. Europees Verdrag betreffende uitlevering bevat geen bepaling op grond waarvan gevoerd verweer tot ontoelaatbaarverklaring van gevraagde uitlevering zou kunnen leiden. Evenmin valt dit verweer onder bereik van enig door Nederlandse regering in overeenstemming met art. 2 van wet van 9-3-1967 (Stb. 141) gemaakt voorbehoud. Daaruit vloeit voort dat Rb verweer terecht heeft afgewezen, wat er zij van door haar daarvoor aangevoerde gronden. Ad. 3: Middel mist feitelijk grondslag gelet op overwegingen Rb. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen