Art. 9 Europees Verdrag betreffende uitlevering, Non bis in idem
Europees Verdrag betreffende uitlevering
1. Uitlevering wordt niet toegestaan, wanneer de persoon wiens uitlevering is verzocht, ter zake van het feit of van de feiten waarop dit verzoek was gegrond, door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij onherroepelijk is berecht. Uitlevering kan worden geweigerd, indien de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij hebben besloten ter zake van hetzelfde feit of dezelfde feiten geen vervolging in te stellen, dan wel een ingestelde vervolging te staken.
2. De uitlevering van een persoon tegen wie in een derde Staat die Partij is bij het Verdrag een onherroepelijk vonnis is gewezen voor het feit of voor de feiten op grond waarvan de uitlevering werd verzocht, wordt niet toegestaan:
a. wanneer de betrokken persoon bij dit vonnis is vrijgesproken;
b. wanneer de vrijheidsstraf of de andere opgelegde maatregel:
i) geheel is ondergaan;
ii) geheel, of wat het nog niet ten uitvoer gelegde gedeelte betreft, bij wege van gratie of amnestie is kwijtgescholden;
c. wanneer de rechter de dader van het strafbare feit heeft schuldig bevonden zonder oplegging van een sanctie.
3. In de gevallen bedoeld in het tweede lid kan uitlevering wel worden toegestaan:
a. indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het vonnis, is gepleegd tegen een tot de overheidsdienst van de verzoekende Staat behorende persoon, instelling of zaak;
b. indien de persoon tegen wie het vonnis is gewezen, zelf tot de overheidsdienst van de verzoekende Staat behoort;
c. indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het vonnis, geheel of gedeeltelijk is gepleegd op het grondgebied van de verzoekende Staat of op een plaats die met zijn grondgebied wordt gelijkgesteld.
4. Het bepaalde in de leden 2 en 3 vormt geen beletsel voor de toepassing van ruimere nationale bepalingen waardoor aan buitenlandse rechterlijke beslissingen ne bis in idem werking wordt toegekend.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Den Haag 3 mei 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5561
- Rb. Limburg 15 september 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:12876
- Rb. Den Haag 11 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3723
- Rb. Den Haag 7 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:7209
- Conclusie A-G Paridaens 27 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:564
- Conclusie A-G Spronken 9 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:98
- Conclusie A-G Langemeijer 14 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU9724
- Hof Den Haag 25 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:621
- Hof Den Haag 20 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2622