Art. 33 Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Verbod tot uitzetting of terugleiding („refoulement" )
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen
1. Geen der Verdragsluitende Staten zal, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.
2. Op de voordelen van deze bepaling kan evenwel geen aanspraak worden gemaakt door een vluchteling ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457
- ABRvS 23 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329
- ABRvS 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2023
- Rb. Den Haag 6 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10757
- Rb. Den Haag 17 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21318
- Rb. 's-Gravenhage 6 oktober 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AS3563
- Rb. 's-Gravenhage 10 oktober 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7522
- Rb. 's-Gravenhage 3 november 1999, ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5377
- Rb. Den Haag 27 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2029
- Conclusie A-G Spier 13 april 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ8751