Rb. Den Haag 27 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2029
De rechtbank heeft geen gebruik gemaakt van de aan de rechtbank op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toekomende bevoegdheid om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het niet tijdig indienen van de gronden van beroep. Daartoe is redengevend dat KEI momenteel nog in een experimentele fase zit, waaraan de advocatuur op vrijwillige basis meedoet, zoals ook in deze zaak het geval is. In deze, nog onverplichte, testfase van het elektronisch procederen vindt de rechtbank aanleiding in verband met de gewenning aan de nieuwe procedure en de daarmee samenhangende toegenomen kans op fouten, de overschrijding van de gestelde termijn voor de indiening van de beroepsgronden met één dag verschoonbaar te achten. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat verweerder niet is belemmerd in zijn mogelijkheden om op de beroepsgronden te reageren en dat de duur van de procedure door de gang van zaken niet is beïnvloed.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 8 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:1160
- ABRvS 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2278
- ABRvS 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2163
- ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2122
- EHRM 17 mei 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0517DEC000586813
- EHRM 3 november 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1103DEC002145914
- ABRvS 27 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2791