Art. 6 Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, Taken en bevoegdheden
Wet op de bijzondere opsporingsdiensten
1. De opsporingsambtenaar is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn taak geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.
2. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.
3. De opsporingsambtenaar is bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van zijn taak, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de opsporingsambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.
4. De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.
5. Met overeenkomstige toepassing van artikel 9 van de Politiewet 2012 wordt een ambtsinstructie voor de opsporingsambtenaren vastgesteld.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1896
- Conclusie A-G Harteveld 4 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:892
- Conclusie A-G Paridaens 16 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:592
- Conclusie A-G Keulen 24 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1106
- ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3838
- Rb. Midden-Nederland 9 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:40
- Rb. Midden-Nederland 28 oktober 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5976
- Conclusie A-G Hofstee 26 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:807