CBb 10 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:394
Fosfaatrechten. Appellante exploiteert een gemengd biologisch bedrijf. Op peildatum 2 juli 2015 was zij aan het omschakelen naar een volledig biologisch bedrijf. Gezien de eigenheid van een biologisch bedrijf, is volgens appellante sprake van een nieuw gestart bedrijf. Verder betoogt appellante dat zij als gemengd biologisch bedrijf, anders dan reguliere melkveehouders, juist een positieve bijdrage levert aan de milieudoelstellingen van de Nitraatrichtlijn en dat het fosfaatrechtenstelsel mede daarom in haar geval leidt tot strijd met artikel 1 van het EP. Het College is van oordeel dat appellante niet kan worden aangemerkt als starter en dat geen sprake is van strijd met artikel 1 van het EP. Zoals het College eerder heeft geoordeeld dient het behoud van de derogatie het belang van de melkveesector als geheel en worden (biologische) grondgebonden bedrijven tegemoetgekomen doordat zij zijn vrijgesteld van de generieke korting. Biologische melkveehouders komt zodoende geen uitzonderingspositie toe. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Appellante is namelijk met haar uitbreidingsplannen vooruitgelopen op de voor uitbreiding benodigde vergunning. Daarnaast is de na de peildatum aangegane financieringslast overwegend het gevolg van afspraken die zijn gemaakt in verband met het uittreden van een van de vennoten. Het beroep is ongegrond. Omdat het standpunt van verweerder pas in de beroepsprocedure toereikend is gemotiveerd, heeft het College aanleiding gezien voor een proceskostenvergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl