Art. 6.6 VV, Verhaal kosten van uitzetting
Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV)
1. Het inreisverbod wordt ambtshalve opgeheven indien door of namens de vreemdeling tegen wie het inreisverbod is uitgevaardigd een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet is aangevraagd en door de Immigratie- en Naturalisatiedienst is vastgesteld dat de vreemdeling voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning in aanmerking komt, indien het betreft een vergunning die verband houdt met een beperking als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a tot en met e, g, j, m, n, q en s, van het Besluit.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd waaraan de rechtgevolgen, bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Wet, zijn verbonden.
3. Het inreisverbod wordt ambtshalve opgeheven indien uit een door Nederland aangegane verdragsrechtelijke verplichting volgt dat aan de vreemdeling een verblijfsvergunning dient te worden verleend.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Den Haag 14 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7092
- ABRvS 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2492
- Rb. Noord-Nederland 30 mei 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:2323
- ABRvS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2150
- Rb. Den Haag 12 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19039
- Rb. Den Haag 27 mei 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8695
- Rb. Den Haag 26 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:9312
- Rb. Den Haag 23 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:8676
- Rb. Den Haag 16 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:431
- Rb. Den Haag 15 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:14363
- Rb. Den Haag 10 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8362
- Rb. Den Haag 12 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8337
- Rb. Den Haag 26 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:15253
- Rb. Den Haag 10 september 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:11549