Rb. Den Haag 14 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7092

Aan het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod van tien jaar zijn de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, Vw verbonden. De Afdeling leidt uit deze bepaling af, dat bij samenloop van het uitvaardigen van een inreisverbod met de afwijzing van de aanvraag voor verlening of verlenging van een verblijfsvergunning of de intrekking daarvan, een vreemdeling geen belang heeft bij de beoordeling van die afwijzing of intrekking zolang dat inreisverbod voortduurt. Vaststaat dat eiser het grondgebied van de EU na uitvaardiging van het inreisverbod niet heeft verlaten. Gelet daarop ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het uit de rechtspraak van de Afdeling voortvloeiende en ambtshalve toe te passen toetsingskader kan worden gehandhaafd in het licht van het arrest van het HvJ van 26 juni 2017, in de zaak Ouhrami, (ECLI:EU:C:2017:590). Uit de punten 43 tot en met 51 van het arrest Ouhrami volgt dat een duidelijk onderscheid gemaakt moet worden tussen het besluit waarbij is vastgesteld dat een vreemdeling geen rechtmatig verblijf (meer) heeft en hem daarom een terugkeerverplichting wordt opgelegd en het besluit waarbij tegen hem een inreisverbod wordt uitgevaardigd. Uit de punten 44 en 45 volgt dat het inreisverbod het terugkeerbesluit aanvult, door de vreemdeling te verbieden na zijn vertrek van het grondgebied van de lidstaten dat grondgebied opnieuw te betreden en er vervolgens te verblijven. De rechtbank leidt daaruit af dat het terugkeerbesluit leidend is voor de vraag of de vreemdeling op het moment van het nemen van dat besluit rechtmatig in Nederland kan verblijven en dat de beoordeling van het inreisverbod, dat het terugkeerbesluit aanvult, pas aan de orde is als het terugkeerbesluit in rechte standhoudt. Als het terugkeerbesluit geen standhoudt, kan het aanvullende inreisverbod al daarom ook geen standhouden. Verweerder heeft betoogd dat artikel 66a, zevende lid Vw niet in strijd is met de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn en deze doelstelling zelfs bevordert. Dat betoog doet er niet aan af dat in een situatie van samenloop van een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van zodanige vergunning, waarbij dat besluit als terugkeerbesluit geldt, met een besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, Vw, zoals die zich in deze zaak voordoet, eerst het terugkeerbesluit moet worden genomen, op grond waarvan het onrechtmatige verblijf wordt vastgesteld en pas daarna in aanvulling daarop een inreisverbod kan worden uitgevaardigd. Op grond van dat inreisverbod wordt dan aan de vreemdeling krachtens artikel 66a, zevende lid, Vw rechtmatig verblijf voor de toekomst ontzegd. De rechtbank zal daarom eerst de rechtmatigheid van dat terugkeerbesluit moeten beoordelen, dat een voorwaarde is voor het in aanvulling daarop kunnen uitvaardigen van een inreisverbod, alvorens zij toekomt aan de beoordeling van de rechtmatigheid van dat inreisverbod. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de rechtspraak van de Afdeling niet langer kan worden gehandhaafd, omdat de wijze van toetsing zoals die volgt uit die rechtspraak strijdig is met het karakter van het terugkeerbesluit en het inreisverbod, zoals dat volgt uit de Terugkeerrichtlijn en is verduidelijkt in het arrest Ouhrami. Dat volgens die rechtspraak van de Afdeling de beroepsgronden gericht tegen het terugkeerbesluit ten volle kunnen worden betrokken in het beroep gericht tegen het inreisverbod, maakt dat niet anders, nu die volgorde van toetsen strijdig is met de hiervoor bedoelde systematiek van de Terugkeerrichtlijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken