Art. 5.2 WSF 2000, Vorm en duur studiefinanciering
Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000)
1. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt eenmalig aan een ho-student verstrekt gedurende 4 jaar, vermeerderd met:
a. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5, eerste lid, onderdeel d, 7.5b, eerste lid en 7.5c, tweede en vierde lid WHW, gedeeld door vijf, indien een student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs;
b. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5a en 7.5c, tweede tot en met vijfde lid, WHW minus zestig en gedeeld door vijf, indien een ho-student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs.
2. In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat, verstrekt in de vorm van een gift.
3. De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.
4. Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 per 1 januari 2026: € 1.213,95. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
5. Op aanvraag kan een ho-student als bedoeld in artikel 3.5 gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CRvB 27 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6805
- CRvB 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1353
- CRvB 24 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9829
- Rb. Midden-Nederland 12 augustus 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:3844
- Conclusie A-G Niessen 14 juli 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1693
- CRvB 19 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1550
- CRvB 31 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1549
- CRvB 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1004
- CRvB 22 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1972
- Rb. Zeeland-West-Brabant 21 mei 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3545
- Rb. Zeeland-West-Brabant 4 november 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:5576
- Rb. 's-Hertogenbosch 20 november 2009, ECLI:NL:RBSHE:2009:BK4236
- Rb. Rotterdam 14 maart 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:3358
- Rb. Overijssel 14 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2029
- Rb. Overijssel 30 maart 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:1661
- Rb. Oost-Brabant 10 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2162
- Rb. Noord-Nederland 20 juni 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2587
- Rb. Midden-Nederland 4 maart 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1332
- Rb. Midden-Nederland 9 november 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5450
- Rb. Limburg 21 november 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:8501