CRvB 24 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9829
Wegering om een prestatiebeurs om te zetten in een gift wegens het te laat behalen van het diploma. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de periode van februari 1998 tot 1 september 2004, toen appellant werkte en/of een MBO-opleiding volgde, door de Minister terecht is meegenomen in de berekening van de diplomatermijn van artikel 5.5 van de WSF 2000. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het beroep van appellant op bijzondere omstandigheden van medische aard in de zin van artikel 5:16 van de WSF 2000 niet ter beoordeling voorligt, nu er geen verzoek terzake is ingediend bij de Minister en dit punt overigens in de bezwaarprocedure niet aan de orde is gesteld. De Raad wijst appellant op de mogelijkheid, zoals namens de Minister ter zitting is bevestigd, om alsnog een verzoek tot toepassing van artikel 5:16 van de WSF in te dienen bij de Minister. Ten aanzien van het eerst in hoger beroep gedane verzoek om kwijtschelding van een deel van de studieschuld op grond van artikel 5:2, eerste lid, van de WSF 2000, is de Raad van oordeel dat deze grond evenmin ter beoordeling van de Raad voorligt, nu dit punt niet eerder in de procedure aan de orde is gesteld. Met betrekking tot het door appellant gedane beroep op de hardheidsclausule sluit de Raad zich ook aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Dat appellant zich niet gerealiseerd heeft dat hij de diplomatermijn zou overschrijden is daartoe eveneens onvoldoende.
De uitspraak op rechtspraak.nl