Conclusie A-G Niessen 14 juli 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1693

Gedurende en over de jaren 2007, 2008 en 2009 heeft belanghebbende van de gemeente [Z] op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (hierna: Bbz 2004) bijstandsuitkeringen ontvangen in de vorm van renteloze leningen. In 2010 is, nadat het inkomen van belanghebbende over het jaar 2008 door de gemeente (definitief) is vastgesteld, overeenkomstig art. 11 Bbz 2004 de lening over 2008 omgezet in een “bedrag om niet”. In geschil is of de omzetting van de lening in het jaar 2010 kwalificeert als een op grond van een publiekrechtelijke regeling ontvangen periodieke uitkering als bedoeld in art. 3.1(2)(d) jo. art. 3.100(1)(a) jo. art. 3.101(a) van de Wet IB 2001. Het geschil spitst zich toe op de vragen (i) of sprake is van een uitkering in de zin van de Wet IB 2001 en (ii) of de betaling deel uitmaakt van een reeks van uitkeringen (het vereiste van periodiciteit). Het Hof heeft geoordeeld dat de omzetting in 2010 kwalificeert als uitkering in de zin van de Wet IB 2001, daar op dat moment een waardeovergang naar belanghebbende plaatsvindt en belanghebbende een voordeel geniet. Volgens het Hof is tevens voldaan aan het vereiste van periodiciteit, nu belanghebbende redelijkerwijs mocht verwachten dat zij – nadat zij (reeds) in 2007 uit hoofde van de Bbz-regeling bedragen ter leen had ontvangen die in 2009 zijn omgezet in een bedrag om niet – ook in latere jaren (waaronder het onderhavige jaar) aanspraak op de Bbz-regeling kan maken indien haar inkomen aan de daarin gestelde voorwaarden voldoet. A-G Niessen meent dat de omzetting van de Bbz-schuld in 2010, die belanghebbende een recht verschaft op een bedrag om niet, moet worden gezien als verstrekking van een uitkering in de zin van de Wet IB 2001. Dat belanghebbende het bedrag van de uitkering reeds op een eerder moment heeft ontvangen, staat deze fiscale kwalificatie niet in de weg. Vervolgens beoordeelt de A-G of voldaan is aan het vereiste van periodiciteit. De A-G overweegt dat een uitkering onderdeel is van een reeks van uitkeringen indien de uitkering is voorafgegaan door uitkeringen uit dezelfde oorzaak (HR BNB 1980/200), dan wel de mogelijkheid bestaat dat zij zal worden gevolgd door andere uitkeringen daaruit (HR BNB 1955/194 en HR BNB 2006/5). Onder verwijzing naar BNB 1983/32 en HR BNB 1983/239 overweegt de A-G dat de toets of sprake is van periodiciteit dient plaats te vinden naar het moment waarop de rechtsfeiten waarop de uitkering is gegrond zich hebben voorgedaan, ofwel het moment waarop voor het eerst aanspraak op een uitkering uit het desbetreffende recht wordt verkregen. In de onderhavige zaak is dat tijdstip volgens de A-G het moment waarop in 2010 de Bbz-lening op grond van art. 11 Bbz 2004 is omgezet in een bedrag om niet. Deze omzetting, een rechtscheppende gebeurtenis, verschaft belanghebbende immers een (definitief) recht op de bijstandsuitkering. De A-G leidt uit de door het Hof vastgestelde feiten af dat de gemeente [Z] (ook) in 2007 aan belanghebbende een renteloze lening heeft verstrekt, te weten over de periode 1 april t/m 31 december 2007, en dat de gemeente in 2009 – over dezelfde periode – aan belanghebbende een Bbz-uitkering om niet heeft toegekend. Deze vaststelling impliceert volgens de A-G dat (reeds) in 2009 een omzetting heeft plaatsgevonden van een Bbz-lening naar een uitkering om niet, die, evenals de omzetting in 2010, zijn grondslag heeft in het Bbz 2004. Dit heeft volgens de A-G tot gevolg dat, nu de Bbz-uitkering in 2010 is voorafgegaan door een uitkering uit dezelfde oorzaak (het Bbz 2004), voldaan is aan het vereiste van periodiciteit. Het voorgaande heeft volgens de A-G tot gevolg dat de litigieuze omzetting in 2010 van de voorlopige Bbz-lening naar een Bbz-uitkering om niet, in 2010 belast is als periodieke uitkering in de zin van de Wet IB 2001. Het oordeel van het Hof, dat de omzetting is aan te merken als een periodieke uitkering en als zodanig in 2010 is belast, kan in stand blijven. De A-G merkt op dat het feit dat in het Bbz 2004 (tot 1 januari 2004: de Algemene bijstandswet) de term ‘omzetting’ wordt gebezigd, in plaats van ‘kwijtschelding’, mogelijkerwijs verband houdt met de in de fiscale jurisprudentie ontwikkelde leer dat een kwijtschelding niet als uitkering kwalificeert (HR BNB 1962/105). Het komt de A-G immers voor dat de besluitgever (tot 1 januari 2004: de wetgever) dit type uitkeringen op dezelfde wijze wil behandelen als algemene-bijstandskeringen die ingevolge de Wet werk aan bijstand aan niet-zelfstandigen worden verstrekt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken