Art. 8 Fb, Veiling en vergelijkende toets
1. Bij ministeriële regeling worden in het kader van de behandeling van een aanvraag om een vergunning regels gesteld omtrent de toepassing en uitvoering van de veiling of de vergelijkende toets. Deze regels kunnen per te verlenen vergunning verschillen.
2. In het geval van een veiling hebben de in het eerste lid bedoelde regels in elk geval betrekking op:
a. de wijze waarop een bod wordt uitgebracht;
b. de eisen die aan een geldig bod worden gesteld;
c. de zekerheidstelling dat een bod gestand wordt gedaan of kosten en schade kunnen worden verhaald;
d. maatregelen ten behoeve van een ongestoord verloop van de veiling;
e. de bij veiling toe te passen methode ter vaststelling van het bod waarvan de uitbrenger in aanmerking komt voor verlening van de vergunning;
f. de eisen die gesteld worden met betrekking tot de wijze van betaling en het tijdstip waarop degene aan wie de vergunning wordt verleend deze betaling moet hebben verricht;
g. de gevallen waarin, de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder er opnieuw wordt geveild zonder dat er sprake is van een nieuwe veilingprocedure.
3. In het geval van een vergelijkende toets hebben de in het eerste lid bedoelde regels in elk geval betrekking op de criteria waarmee de kwaliteit van de aanvraag of de kwaliteit van de aanvrager wordt bepaald.
4. In het geval van een vergelijkende toets met inbegrip van een financieel bod, kunnen de in het eerste lid bedoelde regels eveneens betrekking hebben op:
a. de gevallen waarin een financieel bod wordt uitgebracht alsmede de wijze waarop dat bod wordt uitgebracht;
b. de eisen die aan een geldig financieel bod worden gesteld;
c. de zekerheidstelling dat een financieel bod gestand wordt gedaan of kosten en schade kunnen worden verhaald;
d. de eisen die gesteld worden met betrekking tot de wijze van betaling van het financieel bod en het tijdstip waarop degene aan wie de vergunning wordt verleend deze betaling moet hebben verricht.
5. In het geval van een vergelijkende toets houdt Onze Minister bij het opstellen van de criteria rekening met de doelstellingen, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de wet.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Rotterdam 23 januari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BY9423
- Rb. Rotterdam 25 oktober 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BY2637
- Rb. Rotterdam 13 mei 2003, ECLI:NL:RBROT:2003:AF8574
- CBb 21 maart 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA1091
- Rb. Rotterdam 2 oktober 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:7917
- CBb 29 maart 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AO7734
- Rb. Rotterdam 29 november 2002, ECLI:NL:RBROT:2002:AF2577
- Rb. Rotterdam 24 juli 2002, ECLI:NL:RBROT:2002:AE5810
- CBb 21 maart 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA1095
- CBb 16 december 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AU8613
- Rb. Rotterdam 1 december 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AV2664
- Rb. Rotterdam 17 november 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AV2650
- Rb. Rotterdam 7 november 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AV2618
- Rb. Rotterdam 25 oktober 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AV2614
- Rb. Rotterdam 5 oktober 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AU3838
- Rb. Rotterdam 29 november 2002, ECLI:NL:RBROT:2002:AF2578
- Rb. Rotterdam 11 oktober 2002, ECLI:NL:RBROT:2002:AE8741
- Rb. Rotterdam 13 oktober 2000, ECLI:NL:RBROT:2000:AA7478
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 13 mei 2026, ECLI:NL:OGHACMB:2026:111
- CBb 8 januari 2015, ECLI:NL:CBB:2015:1