Rb. Rotterdam 23 januari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BY9423
Verweerder heeft de aanvraag om een vergunning voor een ongeclausuleerde FM-frequentie (kavel A7) niet in behandeling genomen. Ook nadat aan de aanvrager de mogelijkheid is geboden om het verzuim te herstellen, is er geen waarborgsom gestort of bankgarantie overgelegd ter grootte van 1/6 deel van het financieel instrument voor kavel A7, noch is het eenmalig bedrag in het bedrijfsplan verwerkt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze eis heeft mogen stellen. Het standpunt van verweerder, dat de vraag over het al dan niet verbindend zijn van de Regeling VEB in het kader van de aanvraagprocedure niet aan de orde kan komen doch eerst nadat de frequentievergunning is verleend en vervolgens het eenmalig bedrag via een factuur (beschikking) wordt opgelegd, volgt de rechtbank niet. Het beroep wordt gegrond verklaard. De rechtbank beziet of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven en is van oordeel dat verweerder op grond van een gedegen en uitvoerig onderzoek en op basis van de financiële en economische stand van zaken in die tijd, in redelijkheid heeft kunnen komen tot de vaststelling van het eenmalig bedrag voor kavel A7 op een bedrag van € 2.916.667. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van dat kavel nul euro bedraagt. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de beroepsgronden van eiseres niet kunnen leiden tot het oordeel dat de Regeling VEB in strijd is met een hogere regeling en een toetsing aan de algemene rechtsbeginselen niet zou kunnen doorstaan. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit derhalve in stand.
De uitspraak op rechtspraak.nl