Art. 3 PBW, Doelstelling, beheer en toezicht
Penitentiaire beginselenwet (PBW)
1. Onze Minister wijst penitentiaire inrichtingen aan. Een inrichting kan zijn gevestigd op verschillende locaties binnen hetzelfde arrondissement.
2. Het opperbeheer van de inrichtingen berust bij Onze Minister. Onze Minister kan mandaat verlenen betreffende de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften aan het hoofd van de Dienst Justitiële Inrichtingen.
3. Het beheer van een inrichting of afdeling berust bij de directeur, die als zodanig door Onze Minister wordt aangewezen.
4. Onze Minister wijst een of meer personen aan als plaatsvervanger van de directeur. De aanwijzing als plaatsvervanger kan worden beperkt tot het nemen van een in de aanwijzing bepaalde beslissing als bedoeld in artikel 5, vierde lid, onder b, c en i.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende het beheer van en het regime in een inrichting.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Den Haag 29 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3545
- ABRvS 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2872
- Rb. Zeeland-West-Brabant 9 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4499
- Rb. 's-Gravenhage 3 mei 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7908
- Rb. 's-Gravenhage 24 november 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AR7217
- Rb. 's-Gravenhage 16 november 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AR5713
- Rb. Den Haag 12 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29199
- Rb. Den Haag 10 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6940
- Rb. Den Haag 6 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3820
- Hof Amsterdam 29 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:229