ABRvS 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2872
Bij tussenuitspraak van 23 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1855 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling de minister voor Rechtsbescherming opgedragen om het gebrek in het besluit van 18 juni 2020 te herstellen. Het gaat in deze zaak om de weigering van de minister om [appellant] een verklaring omtrent het gedrag (VOG) te geven. Het geschil gaat alleen, zoals volgt uit overweging 4.1 van de tussenuitspraak, over de beoordeling die de minister onder het subjectieve criterium moet maken. Deze beoordeling houdt in dat de minister het belang van de aanvrager bij de verlening van een VOG moet afwegen tegen het belang van de samenleving bij bescherming tegen het risico dat op grond van het objectieve criterium is vastgesteld. Bij deze afweging neemt de minister de specifieke omstandigheden van de aanvrager in zijn beoordeling mee. Hij kijkt daarbij altijd, maar niet uitsluitend, naar de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.
De uitspraak op rechtspraak.nl