Art. 4 WIK, De voorwaarden voor het recht op uitkering
Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK)
De kunstenaar heeft recht op uitkering indien hij:
a. of zijn gezin niet over vermogen beschikt en het inkomen:
1° van een alleenstaande lager is dan f 1.646,97 per 1 juli 2004: € 806,27;
2° van een alleenstaande ouder lager is dan f 2.117,53 per 1 juli 2004: € 1.036,63;
3° van gehuwden lager is dan f 2.352,82 per 1 juli 2004: € 1.151,82;
b. hetzij gedurende een zekere periode als kunstenaar werkzaam is geweest en met deze werkzaamheden gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode ten minste het in die maatregel te bepalen bruto-inkomen of bruto-omzet heeft verworven;
c. hetzij de aanvraag op grond van deze wet heeft ingediend binnen 12 maanden nadat hij met goed gevolg een opleiding op het gebied van de kunst, een voortgezette opleiding op het gebied van de kunst, of een voortgezette opleiding bouwkunst als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft voltooid, voorzover deze opleiding gericht is op de uitoefening van het kunstenaarschap, dan wel een daarmee vergelijkbare, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan te wijzen, opleiding heeft voltooid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G VAN BALLEGOOIJEN 4 juni 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL1069
- Rb. 's-Gravenhage 9 augustus 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4893
- Rb. 's-Gravenhage 9 augustus 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4799
- Rb. Maastricht 18 oktober 2001, ECLI:NL:RBMAA:2001:AE1174
- Rb. Arnhem 27 maart 2002, ECLI:NL:RBARN:2002:AE1120
- CRvB 31 december 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BC2003
- CRvB 20 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX2042
- CRvB 19 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2456
- CRvB 9 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO5570
- CRvB 9 september 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AL7027