Art. 27 Wbm, Afvalstoffenbelasting
Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm)
1. Op de ingevolge artikel 23, eerste lid, onderdeel a of b, verschuldigde belasting wordt in mindering gebracht de belasting ter zake van stoffen, preparaten of voorwerpen die de inrichting, al dan niet na nuttige toepassing, hebben verlaten, met dien verstande dat de vermindering niet wordt toegepast ter zake van percolaat, stortgas of stoffen die na verbranding via de schoorsteen de inrichting verlaten.
2. Het eerste lid is slechts van toepassing voor zover uit boeken en bescheiden blijkt:
a. dat de stoffen, preparaten en voorwerpen niet op enig moment in het voor stort bestemde gedeelte van de inrichting op of in de bodem zijn gebracht en zich niet langer dan drie jaar binnen de inrichting hebben bevonden;
b. hoeveel belasting ter zake van de stoffen, preparaten en voorwerpen geheven is.
3. Indien bij de afgifte van een afzonderlijke, duidelijk herkenbare afvalstoffenstroom aan een inrichting bekend is dat deze niet uitsluitend bestaat uit voor verwijdering bestemde afvalstoffen, kan de inspecteur op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige toestaan dat voor de berekening van de verschuldigde belasting met betrekking tot die afvalstroom de totale hoeveelheid afgegeven afvalstoffen door toepassing van een verhoudingsgetal wordt herleid tot de hoeveelheid voor verwijdering afgegeven afvalstoffen.
4. Het in het derde lid bedoelde verhoudingsgetal wordt gebaseerd op de gegevens uit het voorafgaande tijdvak. Na afloop van het kalenderjaar vindt herrekening plaats op de voet van het eerste en tweede lid.
5. Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de in het eerste lid bedoelde vermindering van belasting en het in het derde lid bedoelde verhoudingsgetal worden toegepast.
6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:266
- HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:255
- Rb. Zeeland-West-Brabant 3 juni 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:4458
- Conclusie A-G Ettema 29 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1427
- Hof 's-Hertogenbosch 19 november 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4616
- Hof Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2067
- Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9638
- Rb. Noord-Nederland 29 januari 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:370
- Rb. Noord-Nederland 29 januari 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:368
- Rb. Noord-Holland 6 maart 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:1720
- Conclusie A-G IJzerman 29 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1241
- HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2262
- Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8162
- Rb. Oost-Brabant 5 december 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:6043
- Rb. Noord-Nederland 16 mei 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1857
- Rb. Breda 17 mei 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BM7203
- Conclusie A-G VAN HILTEN 10 februari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BR7042
- Conclusie A-G VAN HILTEN 29 mei 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BC4307
- Conclusie A-G OVERGAAUW 20 mei 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AR7288
- Conclusie A-G Van den Berge 10 maart 1999, ECLI:NL:PHR:1999:AA2707