Rb. Noord-Nederland 16 mei 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1857
Eiseres exploiteert een afvalenergiecentrale waar afvalstoffen als bedoeld in de Wet milieubeheer (Wbm) worden verbrand. De rechtbank moet de vraag beoordelen of eiseres recht heeft op vermindering voor een gedeelte van het gewicht van de CO2 die de inrichting via de schoorsteen verlaat bij verbranding. Dit is afhankelijk van hoe artikel 27, lid 1, van de Wbm moet worden uitgelegd. De rechtbank ziet een spanningsveld tussen de wettekst enerzijds en doel en strekking van de afvalstoffenbelasting anderzijds. Bezien vanuit teleologisch perspectief, zou het logisch zijn om de in het ter verbranding aangeboden afval aanwezige koolstof en zuurstof wél te belasten. De wetgever is in de regelgeving en in de parlementaire geschiedenis op onderdelen echter dubbelzinnig en inconsequent geweest. De rechtbank komt tot de conclusie dat een grammaticale uitleg van de wettekst gaat voor een mogelijk andere uitleg op basis van (delen van) de parlementaire geschiedenis. Aan eiseres moet een vermindering worden verleend voor het uit het afval afkomstige gedeelte van de CO2 die de inrichting via de schoorsteen heeft verlaten. Voor deze procedure is tussen partijen de afspraak gemaakt dat voor de berekening van die vermindering de NEa-systematiek gevolgd kan worden. De rechtbank sluit daarbij aan.
De uitspraak op rechtspraak.nl