Conclusie A-G Ettema 29 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1427
Belanghebbende heeft in het verleden (brandbaar) afval gestort. In verband met die storting is zij afvalstoffenbelasting verschuldigd geworden. Ingeval het afval de stortplaats weer heeft verlaten (bijvoorbeeld om alsnog te worden verbrand), ontstond een recht op restitutie van de betaalde belasting (hierna: in-/uitmethode). Per 1 januari 2012 is de afvalstoffenbelasting afgeschaft en daarmee in dit geval ook de mogelijkheid een restitutie te ontvangen van de belasting die eerder is betaald voor afval dat na 1 januari 2012 wordt afgevoerd. In haar aangifte afvalstoffenbelasting over het tijdvak december 2011, die de Inspecteur op 2 februari 2012 heeft ontvangen, heeft belanghebbende een bedrag van negatief € 4.894.338 vermeld. In de specificatie bij deze aangifte is onder meer vermeld: afgevoerd naar ovens uit oude jaren (in totaal € 1.317.133), afgevoerd naar depot uit oude jaren (in totaal € 3.676.207) en overgangsregeling opgeslagen afval (in totaal € 319.306). De Inspecteur heeft belanghebbende bij beschikking van 29 februari 2012 over het tijdvak december 2011, conform haar aangifte, een teruggaaf van € 4.894.338 verleend. Vervolgens heeft belanghebbende bij brief van 6 maart 2012, door de Inspecteur op 7 maart 2012 ontvangen, bezwaar gemaakt tegen de teruggaafbeschikking over het tijdvak december 2011. In het bezwaarschrift is onder meer vermeld dat de voorraad, zoals bedoeld in de Overgangsregeling, in de onderhavige aangifte te laag door belanghebbende is vastgesteld. Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift geconcludeerd tot een extra teruggaaf van afvalstoffenbelasting van primair € 106.760.580,66 en subsidiair € 83.465.231,85. Bij uitspraak op bezwaar van 12 april 2013 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Rechtbank Gelderland verklaart het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar en verklaart het bezwaar van belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig verzoeken om teruggaaf van afvalstoffenbelasting. Aan een inhoudelijke behandeling van de zaak komt de Rechtbank niet toe. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de Rechtbank het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en hij gaat vervolgens op uitdrukkelijk verzoek van partijen over tot een inhoudelijke behandeling van het geschil. Met betrekking tot belanghebbendes beroep op de Overgangsregeling oordeelt het Hof dat deze niet van toepassing is op afvalstoffen die gestort zijn (geweest), zoals de afvalstoffen die belanghebbende onder de Overgangsregeling wenst te brengen. Het Hof oordeelt voorts dat belanghebbendes beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP) faalt. Naar het oordeel van het Hof kan het enkele verloren gaan van een onder de oude regeling bestaande mogelijkheid van teruggaaf van afvalstoffenbelasting niet worden aangemerkt als ‘eigendom’ als bedoeld in dit artikel. In cassatie spelen de vragen of de afschaffing van de afvalstoffenbelasting (en de herinvoering daarvan per 1 april 2014) en de bijbehorende Overgangsregeling strijd opleveren met artikel 1 EP. Met name spelen de vragen of het voorwaardelijk recht op restitutie van de afvalstoffenbelasting respectievelijk het onderhavige afval zelf als ‘eigendom’ in de zin van artikel 1 EP moeten worden beschouwd en of het eigendomsrecht is geschonden. Inzet van de procedure is een schadevergoeding van primair € 29.914.519 en subsidiair € 3.592.823. In zijn voorwaardelijk incidenteel beroepschrift in cassatie komt de staatssecretaris van Financiën op tegen ’s Hofs oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest met het te laat indienen van het (aanvullende) teruggaafverzoek. Deze vraag inzake de tijdigheid van het teruggaafverzoek en daarmee de ontvankelijkheid van het bezwaar, behandelt A-G Ettema als eerste. Onder verwijzing naar de conclusie van 29 november 2016, nr. 15/05939, ECLI:NL:PHR:2016:1241, van haar ambtgenoot A-G IJzerman in een vergelijkbare zaak, komt zij tot de conclusie dat in de onderhavige zaak belanghebbendes bezwaar, als zijnde (mede) gericht tegen de teruggaafbeschikking, tijdig – want binnen de bezwaartermijn van zes weken – is ingediend. Op grond van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) concludeert A-G Ettema vervolgens dat het voorwaardelijke recht op teruggaaf van afvalstoffenbelasting niet kan worden beschouwd als eigendom als bedoeld in artikel 1 EP. Het afval zelf kan – ervan uitgaande dat het een op geld waardeerbaar vermogensbestanddeel is – wel worden aangemerkt als eigendom als bedoeld in voornoemd artikel, doch op dat eigendomsrecht is haars inziens geen inbreuk gemaakt. Zij meent dan ook dat belanghebbendes cassatieberoep ongegrond is. Het voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie van de Staatssecretaris behoeft geen behandeling meer. A-G Ettema concludeert dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 93 Gw
- Artikel 19 AWR
- Artikel 26 AWR
- Artikel 60 AWR
- Artikel 6:11 Awb
- Artikel 8:73 Awb
- Artikel 27 Wbm
- Artikel 30 Wbm
- Artikel 31 Wbm
- Artikel 89 Wbm
- Artikel 91 Wbm
- Artikel 92 Wbm
- Artikel 32bb Wbm
- Artikel 70c Wbm
- Artikel 6 EVRM
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G IJzerman 29 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1241
- Conclusie A-G Ettema 30 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1036
- Hof Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2067
- HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121
- Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9638
- Hof 's-Hertogenbosch 9 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:14
- HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1463
- Rb. Zeeland-West-Brabant 3 juni 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:4458
- Hof 's-Gravenhage 1 mei 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8580
- EHRM 13 maart 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0313JUD002378008
- HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BA4679
- Conclusie A-G VAN BALLEGOOIJEN 10 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BA4679
- EHRM 29 april 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805
- HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9339
- Conclusie A-G OVERGAAUW 7 december 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA9339
- EHRM 9 januari 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0109JUD000080302
- EHRM 9 maart 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0309JUD001016202
- EHRM 23 februari 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0223JUD002563202
- HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3037
- EHRM 28 september 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:0928JUD004491298