HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4747
Art. 359.2 Sv. In appel is uitvoerig en op schrift gesteld verweer gevoerd. T.a.v. feit 1 is o.m. betoogd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het vervalsen van de verklaring en dat geen bewijs voorhanden is dat hij het oogmerk heeft gehad om de verklaring als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. M.b.t. feit 2 - van welk feit de rb gemotiveerd had vrijgesproken - is o.m. het verweer gevoerd dat het opzet op vrijheidsberoving en op de wederrechtelijkheid daarvan heeft ontbroken. Hetgeen bij pleidooi is aangevoerd t.a.v. het onder 1 en 2 tenlastegelegde kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als standpunten die duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie t.o.v. het hof naar voren zijn gebracht. Het hof is in zijn arrest van deze uitdrukkelijk onderbouwde standpunten afgeweken door het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen te verklaren, maar heeft, i.s.m. art. 359.2 Sv niet i.h.b. de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat leidt ex art. 359.8 Sv tot nietigheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl