Art. 38a Wet BOPZ, Rechten van onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijvende patiënten
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ)
1. De geneesheer-directeur draagt zorg dat voor een patiënt als bedoeld in artikel 37b, tweede lid, zo spoedig mogelijk na zijn opneming een behandelingsplan wordt opgesteld. Het behandelingsplan is gericht op het zodanig wegnemen van het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de betrokkene doet veroorzaken, dat betrokkene niet langer in het ziekenhuis behoeft te verblijven. Zo mogelijk geschiedt dit door het behandelen van de stoornis. Indien dit niet mogelijk is, geschiedt dit door het anderszins wegnemen van het gevaar. Artikel 36, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld, waaraan een behandelingsplan moet voldoen.
3. Het behandelingsplan wordt door de voor de behandeling verantwoordelijke persoon na overleg met de patiënt opgesteld.
4. Indien de voor de behandeling verantwoordelijke persoon beslist dat de patiënt niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de voorgestelde behandeling, wordt het behandelingsplan in afwijking van het derde lid opgesteld in overleg met de wettelijke vertegenwoordiger van de patiënt of, indien deze ontbreekt, met de persoon die door de patiënt schriftelijk is gemachtigd. Ontbreekt ook zodanige persoon of treedt deze niet op, dan wordt het behandelingsplan opgesteld in overleg met de echtgenoot van de patiënt, tenzij deze dat niet wenst, dan wel, indien ook zodanige persoon ontbreekt, met een ouder, kind, broer of zus van de patiënt, tenzij deze persoon dat niet wenst, een en ander voor zover dit overleg verenigbaar is met de zorg van een goed hulpverlener.
5. Voorafgaand aan het opstellen van het behandelingsplan pleegt de voor de behandeling verantwoordelijke persoon overleg met de instelling of de psychiater die de patiënt voorafgaande aan zijn opneming behandelde of begeleidde, alsmede met de huisarts van de patiënt.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2087
- Rb. 's-Gravenhage 23 mei 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW6524
- Rb. Utrecht 29 november 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6027
- Conclusie A-G Lückers 6 augustus 2018, ECLI:NL:PHR:2018:914
- Conclusie A-G Langemeijer 12 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1516
- Conclusie A-G Langemeijer 8 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1458
- Rb. Noord-Nederland 26 maart 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4951
- Rb. Maastricht 4 oktober 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BY1814
- Rb. Maastricht 7 oktober 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BO0496
- Rb. Maastricht 6 augustus 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ5282
- Rb. Maastricht 27 maart 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:BH9662
- Rb. Limburg 20 maart 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:3098
- Rb. Groningen 16 januari 2009, ECLI:NL:RBGRO:2009:BH0708
- Rb. Gelderland 4 december 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:6431
- Rb. Den Haag 25 februari 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4493
- Conclusie A-G Lückers 26 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:449
- Conclusie A-G Langemeijer 22 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:709
- Conclusie A-G Langemeijer 30 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:703
- Conclusie A-G Lückers 27 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:533
- Conclusie A-G Langemeijer 22 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1533