Rb. Den Haag 25 februari 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4493
BOPZ - verzoek ex artikel 41a van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) Verzoekster heeft een tweetal klachten ingediend; een klacht terzake van dwangmedicatie en een klacht tegen de beslissing om haar wilsonbekwaam te verklaren. De rechtbank acht de klacht tegen de dwangmedicatie ongegrond. De klacht tegen de wilsonbekwaamverklaring acht de rechtbank deels gegrond, aangezien wilsonbekwaamheid naar het oordeel van de rechtbank in de tijd als wisselend kan worden beoordeeld. "Het al dan niet bestaan van wilsonbekwaamheid moet zoveel mogelijk worden beoordeeld per concrete beslissing. Bovendien is het uitgangspunt dat de betrokken patiënt in beginsel als wilsbekwaam moet worden beschouwd, tenzij het tegendeel onomstotelijk vast staat. De rechtbank ziet in het hiervoor overwogene aanleiding om de klacht van verzoekster ook te beoordelen in het licht van de huidige stand van zaken, nu het ziekenhuis immers stelt dat verzoekster ook thans nog als wilsonbekwaam moet worden beschouwd. Uit het verhandelde ter zitting blijkt wel dat verzoekster geen ziekte-inzicht heeft, en het ook niet eens is met de visie van het ziekenhuis op de noodzaak en aard van de behandeling. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet dat verzoekster thans ieder bevattingsvermogen ontbeert en de aan haar gegeven informatie in het geheel niet begrijpt. In dit verband overweegt de rechtbank nog dat ter terechtzitting namens het ziekenhuis naar voren is gebracht dat het beter gaat met verzoekster, dat zij ook beter beslissingen kan nemen, zij het dat zij nog steeds een wisselend beeld vertoont. Zij wordt in de gelegenheid gesteld om mee te beslissen over flankerende medicatie. Dat verzoekster nog steeds de discussie daarover aangaat, maakt haar evenwel naar het oordeel van de rechtbank niet wilsonbekwaam."
De uitspraak op rechtspraak.nl