Rb. Groningen 16 januari 2009, ECLI:NL:RBGRO:2009:BH0708
Klacht over dwangbehandeling (dwangmedicatie) op grond van art. 38c lid 1 onder a Wet Bopz (gevaar buiten het ziekenhuis dat niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen); beslissing van de rechtbank op de voet van art. 41a Wet Bopz. Toetsingskader. De rechtbank beoordeelt eerst formele verweren aangaande besluitvorming binnen het psychiatrisch ziekenhuis, onder meer betreffende: - overleg met betrokkene (art. 38a lid 3 Wet Bopz), - beoordeling wilsbekwaamheid (art. 38a lid 4 Wet Bopz), - schriftelijke vastlegging en motivering van de beslissing door de voor de behandeling verantwoordelijke persoon (art. 38c lid 2 Wet Bopz), onder vastlegging van de termijn dat zij geldt. De rechtbank geeft het psychiatrisch ziekenhuis dringend in overweging zich te beraden op (de vastlegging van) de besluitvorming. De rechtbank toetst de dwangbehandeling ex tunc en ex nunc aan de eisen van subsidiariteit, proportionaliteit en doelmatigheid. De rechtbank oordeelt de klacht ongegrond; zij bepaalt tevens de termijn dat dwangbehandeling (behoudens verlenging) maximaal mag plaatsvinden.
De uitspraak op rechtspraak.nl