Art. 1.3 WHW, Instellingen voor hoger onderwijs
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)
1. Universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, verrichten zij wetenschappelijk onderzoek, voorzien zij in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij.
2. Levensbeschouwelijke universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs voor een levensbeschouwelijk ambt of beroep. Zij verrichten wetenschappelijk onderzoek op levensbeschouwelijk terrein, voorzien in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker en dragen kennis over ten behoeve van de maatschappij.
3. Hogescholen zijn gericht op het verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Zij verrichten ontwerp- en ontwikkelactiviteiten of onderzoek gericht op de beroepspraktijk. Zij verzorgen in elk geval bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs, zij verzorgen in voorkomende gevallen associate degree-opleidingen en masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en zij dragen in elk geval kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht.
4. De Open Universiteit is gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs, het, in overeenstemming met het profiel van de Open Universiteit, verrichten van wetenschappelijk onderzoek en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, alsmede het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. Zij verzorgt in elk geval initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in de vorm van afstandsonderwijs.
5. De instellingen voor hoger onderwijs schenken mede aandacht aan de persoonlijke ontplooiing van hun studenten en de bevordering van hun maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. De bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef houdt ten minste in dat de instellingen, met inbegrip van degenen die hen formeel of informeel vertegenwoordigen, zich onthouden van discriminatoire gedragingen en uitlatingen. De instellingen richten zich in het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4206
- HR 12 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4260
- ABRvS 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9933
- Rb. Midden-Nederland 6 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3117
- Hof 's-Hertogenbosch 10 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:889
- CRvB 8 april 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO8183
- ABRvS 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:172
- ABRvS 21 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3250
- ABRvS 23 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2502
- ABRvS 21 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB8404
- Rb. Zeeland-West-Brabant 5 september 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:5802
- Rb. Overijssel 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5196
- Rb. Noord-Holland 27 mei 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15993
- Rb. Limburg 15 februari 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:2109
- Rb. Amsterdam 8 januari 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BH5053
- Conclusie A-G van Peursem 27 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:770
- Conclusie A-G Niessen 25 juli 2018, ECLI:NL:PHR:2018:835
- Conclusie A-G Niessen 25 juli 2018, ECLI:NL:PHR:2018:823
- Hof 's-Hertogenbosch 4 februari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:257
- Hof 's-Hertogenbosch 25 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BV6192