Rb. Zeeland-West-Brabant 5 september 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:5802
De rechtbank overweegt dat sinds de wijziging van de WHW per 1 september 2004 universiteiten hbo-opleidingen mogen aanbieden en hogescholen wo-opleidingen mogen aanbieden. Uit de hierboven aangehaalde wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever er voor heeft gekozen om de systematiek van onderwijsbekostiging aan te passen en de systematiek van de onderzoeks¬bekos¬tiging ongewijzigd te laten. De rechtbank wijst hierbij in het bijzonder op de volgende zin in de memorie van toelichting “Ook zal als gevolg van dit wetsvoorstel geen wijziging plaatsvinden ten aanzien van de bestaande onderzoeksfinanciering gerelateerd aan het onderwijs zoals thans plaatsvindt bij de universiteiten.” Dit betekent dat hogescholen die opleidingen wo aanbieden voor de deelnemers onderwijsbekostiging krijgen, maar geen onderzoeksbekostiging. De onderzoeksbekostiging dienen de hogescholen uit hun totale rijksbijdrage te betalen. Voor universiteiten die hbo-opleidingen aanbieden geldt dat zij voor de deelnemers wel onderwijsbekostiging ontvangen, maar geen bekostiging voor ontwerp en ontwikkeling hbo. De minister heeft de NHTV overeenkomstig de keuze van de wetgever niet in aanmerking gebracht voor bekostiging van het onderzoeksdeel wo. De gronden van de NHTV dat de weigering om hem in aanmerking te brengen voor de bekostiging van het onderzoeksdeel wo in strijd is met de wet of het Uitvoeringsbesluit slagen niet. De rechtbank acht het bestreden besluit niet strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De uitspraak op rechtspraak.nl