Conclusie A-G Niessen 25 juli 2018, ECLI:NL:PHR:2018:835
A-G Niessen heeft conclusie genomen over de vraag of belanghebbende voor de jaren 2008 en 2009 aanspraak kan maken op de afdrachtvermindering onderwijs die tot 1 januari 2014 was voorzien in artikel 14 lid 1 sub d Wva. De toegepaste afdrachtvermindering zag op 38 werknemers van belanghebbende die stonden ingeschreven voor de ‘funderende duale deeltijd opleiding MHBO Bedrijfskader’, die een onderdeel vormt van de opleiding HBO Bedrijfskunde. De 38 werknemers hebben het opleidingsprogramma onderwijseenheid 1 ‘geautomatiseerde informatievoorziening’ gevolgd. Het opleidingsprogramma maakt onderdeel uit van de propedeutische fase van de opleiding en bestond uit 20 lessen met een totale studielast van 15 ECTS. De Inspecteur heeft voor het Hof bepleit dat het gevolgde opleidingsprogramma niet een initiële opleiding als bedoeld in artikel 14 lid 1 sub d Wva betreft, omdat de werknemers slechts een deel van het eerste jaar van de opleiding hebben gevolgd. Voorts zou uit de feiten en omstandigheden blijken dat er geen of onvoldoende uitvoering is gegeven aan het praktijkdeel van de opleiding. Naar ’s Hofs oordeel volgt uit de wettekst en parlementaire geschiedenis niet de eis dat een werknemer de volledige initiële opleiding moet hebben gevolgd. Het Hof overweegt vervolgens dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat zij recht heeft op de geclaimde afdrachtvermindering en dat belanghebbende in haar bewijslast is geslaagd. Het overweegt dienaangaande onder meer dat het – gelet op het overgelegde stukken – vaststaat dat de werknemers ingeschreven hebben gestaan in een in het CROHO geregistreerde opleiding HBO Bedrijfskunde, zij daadwerkelijk onderwijseenheden (succesvol) hebben gevolgd en op het opleidingsprogramma aansluitende arbeid hebben verricht. Naar het oordeel van het Hof is het, in tegenstelling tot hetgeen de Inspecteur bepleit, niet aan de belastingrechter om te toetsen of en in welke mate uitvoering is gegeven aan het praktijkdeel van de opleiding. De Staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld en een middel bestaande uit vier middelonderdelen aangevoerd. De middelen betwisten het oordeel van het Hof, onder meer op de grond dat het door de werknemers van belanghebbende gevolgde opleidingsprogramma niet een “initiële opleiding aan een hogeschool” is en de werknemers niet “op de opleiding aansluitende arbeid” hebben verricht. Middelonderdelen a en b keren zich tegen de uitlegging door het Hof van de frase “in het kader van zijn opleiding aan een hogeschool” in artikel 14 lid 1 sub d Wva. De A-G meent dat het in principe wél, hoewel artikel 14 lid 1 sub d Wva naar de letterlijke bewoordingen van de bepaling bezien niet die eis stelt, de intentie moet zijn dat een volledige initiële opleiding wordt gevolgd c.q. afgemaakt. Deze implicatie ligt onder meer besloten in het woord “zijn”. Wanneer een werknemer slechts een deel van een opleiding volgt, zal hij nimmer de initiële opleiding (met diploma) tot de zijne maken. Deze tekstuitleg wordt volgens de A-G ondersteund door passages in de parlementaire stukken waarin onder meer staat dat de regeling ziet op “werkgevers die aan studenten uit een initiële opleiding een leer/werk-plaats kunnen aanbieden”. Hieruit volgt volgens de A-G dat het gaat om werknemers die een initiële opleiding volgen, met andere woorden studenten in een bachelorprogramma en/of masterprogramma, niet aan mensen die een onderdeel van een dergelijk programma volgen. De A-G wijst op de woordkeuze voor “student”. Men zal normaliter niet van een “student” spreken indien iemand slechts één of enkele vakken volgt. Die persoon is dan eerder een “cursist”. Uit de uitspraak van het Hof valt volgens de A-G niet af te leiden dat het Hof heeft beoordeeld of het de intentie was dat de werknemers van belanghebbende de opleiding zouden volgen c.q. afmaken. De A-G meent dat verwijzing moet volgen om vast te stellen of het de intentie was dat de werknemers de opleiding HBO Bedrijfskunde zouden volgen c.q. afmaken. Middelonderdeel c houdt in dat de werknemers niet stonden ingeschreven in een in het CROHO register opgenomen opleiding. De ‘funderende duale deeltijd opleiding MHBO Bedrijfskader’ is, zo betoogt de Staatssecretaris, namelijk niet in dit register opgenomen. De A-G acht, nu uit de feiten blijkt dat de funderende duale deeltijd opleiding MHBO Bedrijfskader onderdeel uitmaakt van de opleiding HBO Bedrijfskunde die in het CROHO register is opgenomen, het feitelijke oordeel van het Hof dat de werknemers ingeschreven hebben gestaan in een in het CROHO opgenomen opleiding niet onbegrijpelijk. Onderdeel c van het middel faalt derhalve. Met middelonderdeel d betoogt de Staatssecretaris dat de werknemers niet de ingevolge artikel 14 lid 1 sub d Wva vereiste “op de opleiding aansluitende arbeid” hebben verricht. De A-G overweegt dat het Hof – onder verwijzing naar de overgelegde documenten – heeft geoordeeld dat de werknemers op het opleidingsprogramma aansluitende arbeid hebben verricht. Dit feitelijke oordeel is volgens de A-G voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Onderdeel d van het middel faalt derhalve eveneens. Volgt conclusie tot gegrondverklaring en verwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 8:77 Awb
- Artikel 1.1 WHW
- Artikel 1.3 WHW
- Artikel 1.9 WHW
- Artikel 2.5 WHW
- Artikel 2.6 WHW
- Artikel 6.13 WHW
- Artikel 7.3 WHW
- Artikel 7.3a WHW
- Artikel 7.3b WHW
- Artikel 7.7 WHW
- Artikel 7.8 WHW
- Artikel 7.11 WHW
- Artikel 7.32 WHW
- Artikel 6.4.1 WEB
- Artikel 7.2.2 WEB
- Artikel 7.2.3 WEB
- Artikel 7.2.4 WEB
- Artikel 7.2.8 WEB
- Artikel 7.4.6 WEB
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 19 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4580
- HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2436
- HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2438
- Rb. Gelderland 21 juli 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4135
- HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:38
- Hof Arnhem-Leeuwarden 16 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9822
- ABRvS 9 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD6731
- ABRvS 18 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3216
- ABRvS 18 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3219
- Rb., ECLI:NL:RBZWE:2016:1390